„Ik voel geen lust, om de politie in mijn zaken te mengen,” sprak de bankier den volgenden morgen aan het ontbijt tot zijn echtgenoote, toen er natuurlijk weer druk gesproken werd over het verdwijnen van het collier.
„Waartoe zou het ook dienen! Diefstallen, die op zulk een geslepen manier gepleegd worden, ontdekt de politie bijna nooit. Ik twijfel volstrekt niet aan den ijver en het doorzicht van onze beambten, maar ik vrees, dat zij in dezen weinig zullen presteeren. Daarom heb ik mij dadelijk tot Rasmussen gewend.”
De jonge vrouw hoorde dat, wat haar man vertelde, als in een droom. Een zeker iets, waarvan zij zichzelf geen rekenschap kon geven, omsluierde al haar gewaarwordingen en gedachten. Het leven scheen haar dubbel aangenaam!
Zij betrapte er zich op, dat haar gedachten elders waren, in de nabijheid van een rijzigen, slanken man met zwart krullend haar en donkere, schitterende oogen, die weer, evenals gisteren in de oranjerie, diep en smachtend in de hare keken.
Hoeveel moeite zij zich ook gaf, om deze gedachten te verbannen, om zich weer vol aandacht aan haar man te wijden, het hielp haar niet.
Er was iets nieuws in haar leven gekomen en hoewel zij het zichzelf niet wilde bekennen, zij smachtte naar het oogenblik, waarop zij hem weer zou zien en spreken.
Later op den dag, toen haar man naar de beurs was gegaan, zat zij langen tijd in haar kostbaar ingericht boudoir. Zij vroeg zichzelf herhaaldelijk af, of hij, met wien haar gedachten zich onophoudelijk bezighielden, ook haar nog niet vergeten zou hebben.
Wanneer zij dan weer aan haar echtgenoot dacht, gevoelde zij iets, wat op wroeging geleek.
Toen de heer Von Hartstein des avonds weer uitging om tegenwoordig te zijn op een belangrijke vergadering, deelde hij haar vóór zijn vertrek mede, dat het waarschijnlijk laat zou worden, eer hij terug kon zijn.
Adelheid begaf zich tijdig ter ruste, maar het duurde een geruimen tijd, voordat zij den slaap kon vatten.
Eindelijk echter sliep zij in terwijl een zalig lachje om haar rooden mond speelde.…
Zij droomde.
Het was haar, alsof een kamerdeur werd geopend en zachte, behoedzame schreden haar weelderig bed naderden.
Daar stond hij in het zachte, getemperde licht der gaskroon, hij, aan wien zij den geheelen dag had moeten denken.… of was hij het niet?.… En nu sprak hij zelfs tot haar.… Zij verstond hem niet.… nu noemde hij haar naam, dien hij telkens met zachte, welluidende stem herhaalde.… en nu knielde hij naast haar bed neer, strekte zijn handen naar haar uit en.…
Met een kreet van angst richtte Adelheid von Hartstein zich op en met wijd geopende oogen staarde zij naar het donkere gelaat van den man, die aan het voeteneind van haar bed neerknielde.
Met bevende stem vroeg zij:
„Wat wilt gij?… Wie zijt gij? … Ik roep om hulp!”
(Zie het titelblad.)
De nachtelijke bezoeker hief zijn hoofd op, dat bedekt was door een zwart fluweelen masker, waardoor alleen de oogen zichtbaar waren en met een stem, die de jonge vrouw meende te kennen, maar die haar tegelijkertijd vreemd in de ooren klonk, sprak hij:
„Wees niet bang! Ik zal u geen kwaad doen. Ik ben hier gekomen, omdat ik u moet zien.… Bij dag, als iedereen u kan zien, is het mij onmogelijk om u te zeggen, wat mij op het hart ligt …” [10]
Met smeekend opgeheven handen vroeg zij weer, bijna fluisterend:
„Ik weet niet, wie gij zijt, wat wilt gij van mij en waarom verbergt gij uw gelaat? Zijt gij …”
Maar zij durfde niet vragen of hij het was, die op het bal haar hart stormenderhand had veroverd.
Een zacht, welluidend lachje klonk van zijn lippen.
„Of ik het ben, naar wien uw hart verlangt, dat weet ik niet. Maar ik—ik kon geen weerstand bieden aan de onzichtbare macht, die mij tot u voerde in dit stille uur.… Maar ik kom nog voor iets anders: Gij hebt op het feest uw collier verloren, zoudt gij het graag terug willen hebben?”
Verrast en sprakeloos staarde de jonge vrouw naar den nachtelijken bezoeker; zij schudde haar hoofd met het krullende goudblonde haar en met doodsbleek gelaat hijgde zij:
„Maar wie zijt gij toch? en wat weet gij van mijn collier? Zijt gij misschien de man, die in de nis tegen de marmeren zuil leunde?”
Hij schudde het hoofd.
„Vraag mij niet wie ik ben, want ik moet u het antwoord eeuwig schuldig blijven. Beschouw mij als een ongelukkige die uw medelijden verdient!”
Hij nam haar hand in de zijne, tilde het fluweelen masker op en drukte zijn lippen op haar gloeiende vingers.
„Ik begrijp het niet,” sprak zij zacht, maar terwijl zij dit zeide, was het, alsof een inwendige stem haar toefluisterde:
„Hij is het! Hij is het dien gij liefhebt, aan wien je hart en je zinnen toebehooren.”
Maar—dan begon zij weer te twijfelen.
Hoe zou de Engelsche aristocraat er een oogenblik aan kunnen denken om des nachts een vreemde woning binnen te dringen, in de slaapkamer te komen van de vrouw van een ander? En wat had Lord Brigham te maken met het gestolen halssieraad? Maar misschien gaf hij dit slechts op als voorwendsel voor zijn ongemotiveerde komst.…..?
Zij voelde echter, dat zij in elk geval zich in schijn moest verzetten tegen dit bezoek en met kloppend hart sprak zij:
„Wilt gij mij nu uw naam noemen? Ik moet om hulp roepen als gij nog langer hier blijft! Als man van eer moogt gij geen misbruik maken van de hulpeloosheid eener vrouw … En daar in die andere kamer slaapt mijn echtgenoot.”
Zij wist niet, of de bankier reeds te huis was, maar hoe dan ook het zou haar onmogelijk geweest zijn, om hulp te roepen. Zij vreesde dezen man niet, die haar slaapkamer was binnengedrongen en als een smeekende knaap aan haar voeten lag.
Aarzelend vroeg zij:
„Ken ik u?”
Hij antwoordde niets, maar het was haar als hoorde zij een zacht lachen van zijn lippen.
Hierdoor moediger geworden, vroeg zij weer:
„Kent gij mijn echtgenoot?” Hij lachte weer en fluisterde:
„Ik ken u beiden en ik weet, waarom gij deze vraag tot mij richt.”
Daarop vervolgde hij na een kleine pauze:
„Misschien ook ken ik hem, aan wien gij denkt!”
„Maar zijt gij het niet zelf?” vroeg zij in ademlooze spanning.
Zonder hierop te antwoorden, sprak hij nogmaals.
„Doet het u veel leed, dat gij uw collier hebt verloren?”
Maar Adelheid, vervuld van geheel andere gevoelens, sprak hoofdschuddend:
„Mijn man is immers zoo rijk.….. Men verliest zooiets natuurlijk niet graag.… Vooral hij, mijn echtgenoot.… Mij kan het niet veel schelen.… Hebt gij het misschien gevonden?”
Hij antwoordde ook hierop niets, maar kuste nogmaals haar handen, die zij hem beide gaf en stond toen langzaam op.
„Het wordt tijd, dat ik heenga, maar gij hebt mij niet voor de laatste maal gezien.”
En zonder Adelheid tijd te gunnen om nog iets te zeggen, was de nachtelijke bezoeker verdwenen.
Zij gevoelde zich als verdoofd en als ware er niets bijzonders voorgevallen, sluimerde zij rustig weer voort. [11]