Bankier Von Hartstein schuimbekte van woede.
Hij had des morgens, toen hij zijn kantoor binnenkwam, op zijn schrijftafel een brief gevonden in een zwart couvert, dat aan de achterzijde een gouden monogram „J. R.” vertoonde.
De brief was niet voorzien van een postzegel of stempel en blijkbaar door een bode daar neergelegd.
Het couvert bevatte een met de schrijfmachine geschreven brief van den volgenden inhoud:
Geachte heer!
Doe geen moeite, uit te vorschen, waar het diamanten collier van uw echtgenoote zich bevindt. Het zou u niet helpen en u misschien in gevaar brengen. Ditzelfde geldt voor degenen, wien gij dit werk mocht opdragen. Het zal van omstandigheden, waarmede gij niets te maken hebt afhangen, of men het collier aan uw vrouw zal terugbezorgen. Het zal echter noch aan de politie noch aan de detectives gelukken, op het spoor te komen van uw dienstwilligen,
JOHN C. RAFFLES.
De heer Von Hartstein vertrouwde zijn oogen niet. Deze brutaliteit overtrof alles!
Onmiddellijk werd de oude, vertrouwde dienaar Martin geroepen.
De oude man, die reeds den vader van den bankier had gediend, verscheen, als altijd, onberispelijk in rok en met witte das, in het kantoor van zijn heer en meester.
Maar het was, alsof de handen van den man beefden, toen hij op den drempel trad en zijn witte bakkebaarden door zijn vingers liet glijden.
„Mijnheer beveelt?”
„Mijn beste Martin,” sprak de bankier met gefronst voorhoofd, „ik moet je, bijna voor den eersten keer, een verwijt maken. Er schijnen verkeerde elementen onder de bedienden te zijn.… Hier, lees dezen brief.”
Hij gaf hem het couvert en vervolgde:
„Dit schrijven vond ik hedenochtend op mijn tafel liggen. Franz, de bediende, beweert geen flauw vermoeden te hebben, hoe het daar is gekomen. Mag zoo iets in een goed geordend huishouden plaats vinden?”
De oude man luisterde met gebogen hoofd naar de woorden van zijn gebieder. Het was, alsof hij, schuldbewust, niet durfde antwoorden.
De bankier vervolgde:
„Je weet, beste Martin, welk verlies ik geleden heb op het bal. Een half millioen is ook voor mij geen kleinigheid.
„Maar dat ik bovendien door dien schurk in mijn eigen huis gehoond word, dat is het schandelijkste van al! En, beste Martin, daarvoor stel ik jou verantwoordelijk!”
De oude man haalde de schouders op en sprak:
„Het spijt mij zeer, mijnheer Von Hartstein, maar ik zelf sta machteloos tegenover dit alles. Ik heb na den diefstal al onze bedienden een voor een onder handen genomen, maar ik ben ervan overtuigd, dat geen van hen tot een oneerlijke daad in staat is. Wat echter den brief betreft, hieromtrent kan ik u persoonlijk, zij het dan ook slechts gedeeltelijk, inlichten.…”
Verrast keek de bankier op.
„Jij? Jij zelf, Martin? Ik ben zeer nieuwsgierig.”
Met een droevig glimlachje sprak de oude man:
„Ja, ik lijd, zooals mijnheer wel weet, aan slapeloosheid. Nu heb ik eenigen tijd geleden, om een onbeduidende reden, van slaapkamer geruild met de kamervrouw van mevrouw de barones.
„Dezen nacht meende ik eenig geluid te hooren, ik [12]draaide het electrische licht op en zag, dat het bijna half drie was. Ik ging mijn kamer uit en zag bij het zwakke licht van de ganglamp een zwarte gedaante langs sluipen.
„Het eerste oogenblik was ik verlamd van schrik, zoodat ik verzuimde, hem na te snellen en daarna vond ik, ondanks alle moeite, zijn spoor niet terug.
„Ik was echter niet gerust, en begon, ongeveer een half uur later, nog eens te zoeken. Terwijl ik langs de slaapkamer van mevrouw de barones kom, wordt de deur naar de gang toe geopend en een hooge, in het zwart gekleede gestalte komt onhoorbaar naar buiten.…..”
De oude man zweeg en keek ontsteld in het doodsbleeke gelaat van zijn heer.
Op verontwaardigden toon vroeg Von Hartstein:
„Hebt gij het gelaat van den man gezien?”
„Dat was mij onmogelijk. Hij droeg een masker, of liever een hoofdbedekking van zwart fluweel, waardoor alleen de oogen zichtbaar waren.”
„En je hebt hem laten gaan?!” vroeg de bankier diep ademhalend.
„Dat maakt mij juist zoo ongelukkig!” sprak de oude Martin handenwringend.
„Ik was als verlamd van schrik door die spookachtige gedaante. Ik kon zelfs geen enkel geluid geven. De vreemde, bovenaardsche verschijning gleed onhoorbaar langs mij heen, zijn doordringende oogen onafgewend op mij gericht.
„Toen ik van den schrik bekomen was, was de geheimzinnige man verdwenen.
„Aan het kozijn van een der ramen dicht bij de trap, vond ik een zijden koord bevestigd, waarlangs de misdadiger zich waarschijnlijk naar beneden heeft laten glijden.”
De bankier antwoordde niets.
Hij had aan zijn schrijftafel plaats genomen en was in diep nadenken verzonken.
Hij dacht niet meer aan den brutalen brief in het zwarte couvert, zelfs het verlies van het collier was hem in dit oogenblik onverschillig—slechts de gedachte aan zijn vrouw hield hem bezig.
Tot dusverre was nog nimmer de gedachte bij hem opgekomen, dat de reine, blauwe oogen zijner vrouw verlangend naar andere mannen zouden kunnen kijken.
Hoe kwam het, dat nu opeens een gevoel van twijfel zich meester maakte van het hart van den reeds bejaarden man?
Was het niet zijner onwaardig, in de brutale handelwijze van een schurk, die misschien in de vertrekken zijner vrouw was geweest, terwijl deze sliep, trouweloosheid van het beminde wezen te willen zoeken?
Maar—dit was het niet alleen!
Adelheids houding was na den nacht van het bal zoo geheel anders geworden! Lief en vriendelijk als altijd, was zij toch in zichzelf gekeerd en stil geworden.
Wat kon deze man in zijn brief bedoelen met de omstandigheden, waarmede hij zelf niets te maken had en waarvan het zou afhangen of men Adelheid het gestolen collier zou terugbezorgen.…..?
Al deze vragen pijnigden den bankier ontzettend.
Eindelijk hief hij het hoofd op en sprak, met een goedig glimlachje den ouden dienaar aanziende:
„Ik dank je wel, beste Martin; wil je zoo goed zijn, door middel van de kamervrouw mijn echtgenoote te laten zeggen, dat ik haar over een kwartier wensch te spreken?”
Martin verwijderde zich en kwam spoedig daarna terug met de mededeeling, dat mevrouw de barones juist was opgestaan en mijnheer den bankier over een kwartier verwachtte. [13]