Adelheid was eerst laat uit haar droomen ontwaakt.
Toen echter haar kamermeisje de gordijnen opende en het volle, heldere daglicht in het meer dan weelderige slaapvertrek naar binnen viel, waren alle visioenen van den nacht verdwenen.
Zij bevond zich weer als de echtgenoote van den beroemden beurskoning en millionair Von Hartstein in haar villa, zij was de rijke, voorname vrouw, die haar echtgenoot trouw had gezworen en die, nu het nuchtere verstand weer werkte, vast besloten was, alle andere gevoelens onherroepelijk uit haar hart te verbannen.
Was het werkelijkheid, haar droom van dien nacht?
Maar waarom had zij dan niet om hulp geroepen, toen de vreemdeling bij haar bed was neergeknield?
Hoe had zij een oogenblik kunnen veronderstellen, dat de Engelsche aristocraat en de inbreker, dezelfde, die haar collier had gestolen, iets met elkaar te maken hadden?
Zou Lord Brigham, een Peer van Engeland, in den nacht een vreemd huis binnendringen om op deze wijze een dame zijn hulde te bewijzen?
Neen! Zij wenschte, dat zij voor haar echtgenoot kon verschijnen om hem te vertellen, wie den treurigen moed had gehad, in haar slaapvertrek te komen!
Maar dat was onmogelijk!
Zij kende zijn wantrouwen en jaloezie en wist, dat hij haar niet zou gelooven, als zij hem den loop van het nachtelijk avontuur zou vertellen.
En omdat zij den moed niet had, hem alles te zeggen, besloot zij te zwijgen.
In dit oogenblik kreeg zij de boodschap van haar man, dat hij haar wilde spreken.
Zij begreep, dat dit vroege onderhoud in verband stond met het voorgevallene in den nacht en vol bange onzekerheid wachtte zij op de komst van haar echtgenoot.
Toen hij binnentrad, zag zij aan zijn vastgesloten lippen, dat zijn humeur niet van de beste was, maar zij had tijd gehad om zich voor te bereiden en was dus uiterlijk kalm en rustig.
Nadat de bankier haar den brief in het zwarte couvert had laten lezen, scheen zij hierover even verontwaardigd als hij zelf en antwoordde op zijn vraag, of zij niets van de aanwezigheid van den schurk had bemerkt:
„Maar Max, je begrijpt toch, dat ik dan het geheele huis in opschudding zou hebben gebracht. Ik zou van angst gestorven zijn!”
Deze woorden stelden hem volkomen gerust.
De zekerheid, dat het hart van zijn vrouw even rein en onschuldig was als altijd, deed hem alle ongerustheid vergeten en Adelheid deed al haar best om hem te bewijzen, dat zij hem meer dan ooit liefhad en aan geen anderen man dacht.
Met het blonde kopje aan zijn breede borst keek zij teeder naar hem op. Geduldig liet zij zich op mond en oogen kussen, totdat hij, op de klok kijkend, zag, dat het hoog tijd was om naar de beurs te gaan.
De jonge vrouw begaf zich naar haar boudoir, waar zij zich weer aan haar gedachten overgaf.
Zou zij haar man alles vertellen?
Maar neen, hij zou haar niet begrijpen, hij zou het niet kunnen!
Eén slechts was er in de geheele wereld, die haar zou kunnen helpen! Eén slechts, op wiens ridderlijkheid zij volkomen vertrouwde.
Die eene was Lord Brigham!
Als de vermetele onbekende het haar weer lastig zou maken, dan wilde zij tot hèm gaan, tot den Engelschen edelman, van wiens vriendschap zij redding verwachtte.
Gesterkt door dit besluit, riep zij haar kamenier om zich voor een rijtoer te laten kleeden. [14]