Henry Stern had juist de villa van den millionair verlaten, niet zeer opgewekt over dat, wat hij daar had moeten vernemen. De bankier had hem den zwarten brief getoond en erbij gezegd, dat, als hij niet binnen eenige dagen tenminste het begin van eenig resultaat zag, hij de zaak in handen zou geven van een ander detective-bureau.
Dat was voor den jongen man als een slag in het gezicht. Hoewel hij pas 23 jaar oud was, hield hij zichzelf, en misschien niet geheel ten onrechte, voor een genie in zijn beroep.
De heer Von Hartstein verlangde, zoo dacht Stern, wel wat veel. Er waren niet meer dan vier dagen verloopen sinds het bal in de villa had plaats gehad en deze tijdsruimte was bijna te kort om een zoo geslepen misdadiger op het spoor te komen.
Henry Stern had immers een spoor, wat hij den millionair dan ook had medegedeeld, maar het had tot dusverre tot niets geleid.
Reeds in den voormiddag, volgende op den bewusten nacht, had hij het huis, waar de auto hem had gebracht, weer opgezocht.
Hij vond de woning zonder eenige moeite. Er huisde een oude vrouw, een type, zooals men ze meer in de misdadigerswijken der groote steden vindt. Zij verhuurde haar kamers voor enkele dagen of nachten, al naar men het haar vroeg.
Maar die oude beweerde niets van de zaak te weten. Den geheelen nacht, zoo zei ze, had er geen licht in haar woning gebrand en niemand was daar geweest, behalve zijzelf. De detective moest zich bepaald vergist hebben. Waarschijnlijk bedoelde hij een ander huis uit de straat.
Stern mocht de hulp der politie niet inroepen, daar de heer Von Hartstein hem dit ten strengste verboden had.
Aan dit verbod moest hij zich houden, hoewel juist in deze zaak de hulp der politie hem veel waard was geweest.
Zuchtend en ontevreden over zichzelf was Henry Stern nu op weg naar den heer Rasmussen om, zooals zijn plicht was, dezen mede te deelen, wat hij dien morgen in de villa had vernomen, toen een heer met uitgestrekte handen naar hem toekwam.
„Henry, oude jongen, hoe gaat het je?”
De detective herkende onmiddellijk zijn vroegeren schoolkameraad Peter Böcher en spoedig waren zij in een levendig gesprek gewikkeld, dat zij op voorstel van den vriend, in een wijnrestaurant gingen voortzetten.
Henry Stern vertelde, hoe hij eerst van plan was geweest om officier te worden, maar dat een zeer onaangename duelgeschiedenis, die hij niet had kunnen verhinderen, zijn carrière in het leger onmogelijk had gemaakt. Door een toeval was hij detective geworden, een vak, waarvoor hij werkelijk in de wieg scheen te zijn gelegd.
„Dat is toevallig,” antwoordde de ander, „dan hebben wij ten slotte zoo ongeveer hetzelfde beroep gekregen. Ik heb in de rechten gestudeerd en ben geëindigd met commissaris van politie te worden.”
„Hier in Berlijn?” vroeg Stern aangenaam verrast.
De ander knikte toestemmend en vervolgde:
„Ik weet, wat je zeggen wilt en ik zal je vraag dadelijk beantwoorden: Als het mij eenigszins mogelijk is, zonder mijn plicht te verzaken, wil ik je gaarne in ieder opzicht van dienst zijn.”
Korten tijd daarna reden de beide vrienden in een huurrijtuig zamen naar het hoofdbureau van politie.
En nadat de commissaris Böcher daar zijn vriend zeer formeel aan den chef van de recherche had voorgesteld, was deze zoo welwillend, toestemming te geven tot het doorbladeren van het misdadigersalbum. [15]
Henry Stern deelde dien heer in vertrouwen mede waarom het hem te doen was.
Hierna bracht de commissaris den detective in een vertrek, dat het zoogenaamde „misdadigersalbum” bevatte. Het was een langwerpige kamer met tallooze vakken en planken aan de muren, waarin zich stapels photographieën bevonden. Al deze beelden waren keurig gerangschikt volgens leeftijd, kleur der haren, grootte en dergelijke kenteekenen der misdadigers.
Het was Henry Stern er om te doen, het portret van den man te vinden, die op den balavond in de millionnairs-villa in de nis had gestaan, tegen de marmeren zuil leunend en dien hij later was gevolgd tot op de binnenplaats van het verdachte huis.
Een geruimen tijd bleef zijn onderzoek vruchteloos.
Eindelijk bracht de beambte een pakket pas aangekomen photo’s, welke personen voorstelden, die in Berlijn of daar buiten bij het verlaten van strafinrichtingen eerst kortelings waren gephotographeerd.
Bij het bekijken van deze portretten greep Stern haastig naar een der photo’s, terwijl hij sprak:
„Die! Maar hij heeft zijn baard laten wegnemen!”
Terwijl hij de photographie omdraaide, las de commissaris voor:
„Adolf Müller, uit Myslowitz, bijgenaamd „Silezische Adolf”, geboren den 23 Juli 1869. Herhaaldelijk gestraft wegens zwaren diefstal en roof.”
„Dat is hij!” sprak Henry Stern.……, „als ik maar kon verklaren, hoe de man in het bezit van het collier is gekomen. Want al heeft hij, hoe dan ook, toegang gekregen tot de villa, de barones zal met hem toch in geen geval gedanst hebben, want hij was niet eens aan haar voorgesteld.…..
„En dat hij haar juist gepasseerd zou hebben in het oogenblik, waarop zij het collier verloren heeft—zij miste het na een quadrille—is ook niet aan te nemen!”
De andere beambten haalden de schouders op en Peter Böcher sprak:
„Ja, kerel, dat zijn de raadsels, die jij moet oplossen.…..”
„In elk geval ben ik jou en de andere heeren heel dankbaar, dat ge mij inzage van deze dingen hebt gegeven,” sprak Stern, „want ik weet nu tenminste eenigszins met wien ik te doen heb.”
„Ook wij zullen een oogje op den heer Adolf Müller houden,” verzekerde de commissaris.
Henry Stern nam afscheid en volgde dadelijk den raad, welken een der heeren op het politiebureau hem had gegeven, door namelijk een bezoek te gaan brengen aan een klein restaurant in de Seydelstraat, het „Tipp-café”, zooals het door de bezoekers werd genoemd.
De politie had dikwijls reden om dit restaurant in het oog te houden, omdat er herhaaldelijk misdadigers en landloopers bijeen kwamen en omdat er, hoewel de eigenaar dikwijls was gestraft, hoog gespeeld werd.
In den namiddag van dienzelfden dag verscheen in het café Säusler, zooals het officieel heette, een heer met kleine Engelsche bakkebaarden en die ook volgens zijn kleeding en geheele optreden den burgerlijken Engelschman verried.
Hij bestelde op langzamen toon, met echt Engelsch accent sprekend, eerst een glas bier en, omdat hij dit niet kon krijgen, een glas port.
Met blijkbaar welbehagen dronk hij zijn glas leeg.
Daarop nam hij een sportblad op en verdiepte zich in den inhoud daarvan, waarbij hij dikke rookwolken blies uit een korte tabakspijp.
Zoo zat hij een uur lang en daarna nog een uur, zonder dat hij zijn jockeypet van het hoofd nam.
Ook toen twee personen het overigens leege Tipp-café binnentraden, keek hij niet uit het blad op, dat hem blijkbaar zeer interesseerde.
De beide zeer elegant gekleede heeren gingen het bij dag steeds vrij donkere café binnen en spraken bij het buffet een poosje met den daar vertoevenden kellner.
Daarop wilden zij blijkbaar het lokaal weer verlaten, toen de kleinste der twee, iemand met een zwart snorretje en een bescheiden uiterlijk, sprak:
„Zeg, we zouden wel eerst een glaasje pils kunnen drinken.”
Zij namen plaats in de onmiddellijke nabijheid van den Engelschman en begonnen te spreken van een fuif, welke zij blijkbaar den vorigen avond hadden meegemaakt.
De Engelschman wendde, zich achter zijn blad verborgen houdend, geen oog van hen af.
Hij had dadelijk in den een den „Silezischen Adolf” [16]herkend en was in hetzelfde oogenblik vast besloten, hem nu niet weer uit het oog te verliezen.
Dit was nu, op klaarlichten dag, zoo gemakkelijk niet, maar Henry Stern gevoelde, dat zijn goede naam als detective op het spel stond!
Hij betaalde nu en vroeg den kellner iets in gebroken, met Engelsch vermengd, Duitsch, wat deze niet verstond. Hij had de voldoening, dat de kleinste zijner twee buren zijn woorden vertaalde.
Daardoor kwam hij met hen in gesprek en vertelde, dat hij in Berlijn vreemd was. Hij was voor de wedrennen overgekomen en omdat Berlijn hem zoo goed beviel, wilde hij nog een paar dagen blijven. Maar tot zijn spijt kende hij niemand die hem een beetje in de stad kon rondgeleiden, en er was zooveel bezienswaardigs!
De detective verstond meesterlijk de kunst om zich oliedom voor te doen en dadelijk bemerkte hij, dat de beide heeren elkaar bij zijn verhaal veelbeteekenend aankeken.
„Wij zijn een paar echte Berlijners”, sprak nu Silezische Adolf, „en het zou ons een genoegen zijn, u eens te laten zien, hoe het bij ons toegaat.”
„Ja,” viel de ander in, „wij zijn al sinds gisteren aan den boemel en juist in de goede stemming. Als ge u bij ons wilt aansluiten, zult ge eens zien! Als iemand geld heeft in Berlijn, kan hij den duivel laten dansen!”
„Wel”, sprak de Engelschman, „dat zal ik doen …! En ik dank ook ervoor, dat gij mij meeneemt!”
„O, dat beteekent niets,” antwoordde de kleine, die zich als Fritz von Behr voorstelde, „dat is Christenplicht om een buitenlander een beetje den weg te wijzen …! Kom maar, wij nemen nu een rijtuig en gaan er op uit!”
Al spoedig zat het drietal in een automobiel om de verschillende bars en café’s der Friedrichstrasse te bezoeken.
Henry Stern merkte al spoedig dat het zijn kameraden er om te doen was, hem dronken te maken.
Maar hij kon tamelijk veel verdragen en daarenboven nam hij slechts vrij onschuldige dingen.
Silezische Adolf scheen hoe langer hoe meer schik te krijgen in de aanwezigheid van den nieuwen kennis.
Het was intusschen avond geworden en Adolf stelde voor om iets zeer interessants, een stukje van het echte donkere Berlijn te gaan zien.
„Ik weet een danshuis,” sprak hij, „zooiets hebt gij in uw heele leven nog niet gezien, Mr. Sylvers!”
Onder dezen naam had de detective zich aan de beide booswichten voorgesteld.
„Gij kunt daar de ergste misdadigers van Berlijn te zien krijgen, zooals je ze anders alleen in sensatieromans hebt. Iets interessanters bestaat er niet!”
Henry Stern bedacht zich niet lang. Hij had een dolk en een met zeven patronen geladen pistool bij zich.
Daarenboven was hij niet alleen sterk, maar ook buitengewoon behendig.
En wat nog meer waard was, dat was de ongekende moed, dien hij in alle omstandigheden aan den dag legde.
De auto passeerde nu ongeveer dezelfde buurten als die, waardoor Henry onlangs midden in den nacht op minder gemakkelijke wijze was gereden. Eindelijk bleef de wagen staan voor een gebouw, boven welks ingang een groote verlichte ballon prijkte, die den naam „Mooren-Paleis” leesbaar maakte.
„Eigenlijk heet het hier „de Pan,”” merkte Adolf op. „En gij zult zoo meteen zien, wat in die pan gekookt wordt, mijnheer!”
Door de deur kwam men eerst in een café van minder allooi, waar het benauwd en onfrisch was. Hier deden zich tal van verloopen sujetten met hun dames van twijfelachtig soort te goed aan groote glazen bier en sterken drank.
Dan kwam men in een smalle gang, die naar een groote kelderruimte voerde.
Dit vertrek, dat de drie mannen nu betraden, was laag van zoldering en iemand van normale lengte moest oppassen om zijn hoofd niet te stooten tegen de groote petroleumlampen die van het plafond afhingen.
Deze danszaal was ongeveer tien meter lang en zes breed.
Een lachende, schreeuwende menigte danste als dol in het rond bij de tonen der woeste muziek.
Een walgelijke reuk van alcohol, rook en menschelijke uitwaseming vulde de ruimte, en het geheel maakte den indruk van een reusachtigen heksenketel, waarin de menschelijke hartstochten en ondeugden voortdurend koken.
Hier beneden was het schuim van de bevolking der reuzenstad bijeen. [17]
De meisjes waren deels in lompen gehuld, deels opgesmukt als een pauw. De mannen droegen smerige kielen, waarin zij langen tijd gewerkt hadden of goede kleeren, die zeer zeker niet op rechtmatige wijze verkregen waren.
Henry Stern had veel woeste tooneelen in zijn leven bijgewoond; zijn beroep bracht hem, al was het dan ook als toeschouwer, met dergelijke toestanden in aanraking, maar hier werd hij toch met walging vervuld.
Zijn beide geleiders, die blijkbaar niet veel beter waren dan de danslustigen—dat bewezen de talrijke begroetingen en de knikjes van verstandhouding uit de verschillende rijen der meisjes en mannen—zij beiden hielden den detective in hun midden. En Henry Stern begreep, dat het bezoek aan de Pan van niet onschuldigen aard zou zijn.
Hij greep in zijn zak naar zijn pistool.
In dit oogenblik drong weer een nieuwe stroom bezoekers de zich achter hen bevindende deur binnen en Stern merkte op, dat Silezische Adolf zich naast hem omkeerde en iemand een teeken gaf.
Bijna tegelijkertijd kreeg de detective een geweldigen duw in zijn rug, zoodat hij tegen de dansende paren werd geworpen.
Hij werd teruggeslingerd en zonder dat het hem gelukte, weer op de been te komen, vloog hij heen en weer tusschen de vuisten der gasten …
De vrouwen schreeuwden, eenige mannen brulden, anderen lachten, en gemeene scheldwoorden weerklonken.
De detective begreep, dat dit een complot tegen hem was.
En toen hij nu kreten vernam als: „Vervloekte spitsboef!” en „Politiespion!” twijfelde hij er niet meer aan of Silezische Adolf had hem herkend en aan zijn makkers verraden, ja, hem zelfs met opzet hierheen gelokt.
Deze gemeene schurk was slim genoeg om zijn vijand niet zelf te lynchen, maar deze wraak over te laten aan het geheele gezelschap, dat in dezen danskelder zijn woest bachanaal vierde.
Getrapt, geslagen en bijna krankzinnig van woede en pijn, gelukte het Henry Stern eindelijk om een der wanden te bereiken, waar hij een stoel greep en ieder dreigde neer te slaan, die hem zou durven naderen.
Maar nu kwamen zijn belagers eerst in al hun ruwheid los. De messen werden te voorschijn gehaald en in een dichten drom naderden zij den jongen man, wien nu niets anders overbleef dan zijn revolver te voorschijn te halen en tegen de steeds nader dringende bende te schreeuwen:
„Halt! Wie nog één stap waagt, is een kind des doods!”
Een oogenblik week de troep achteruit, vreezende voor een doodelijk schot uit het wapen, maar dadelijk drongen de achtersten weer voorwaarts, het gebrul verdubbelde en toen het eerste schot, dat Henry Stern boven de hoofden zijner aanvallers richtte, afging, vlogen drie tegelijk op hem aan, sloegen hem het wapen uit de hand, dat weer afging, maar niemand trof, en sleurden hem op den grond.
De detective dacht, dat dit zijn laatste oogenblik zou zijn. Slechts het feit, dat hij zooveel aanvallers had en de een den ander wegduwde, redde hem nog voor het oogenblik.
Ondanks dit alles gaf hij den moed nog niet op.
Hij had een der kerels bij de keel gegrepen en naar zich toe getrokken, om op die wijze voorloopig een schild te hebben. Maar hij voelde duidelijk, dat ook deze hulp slechts van korten duur zou zijn.
Nu trok iemand met reuzenkracht zijn handen los, een geheele bende viel op hem aan.…..!
In dit oogenblik van allerhoogsten nood weerklonk plotseling een schril gefluit door de onderaardsche zaal.
De massa stoof uit elkaar, zij, die hem vasthielden, hem sloegen en trapten, wendden zich allen tegelijk van hem af.
En toen het hem, eindelijk bevrijd, gelukte zich op zijn knieën op te richten, zag hij, dat van twee kanten tegelijk politieagenten het lokaal waren binnengedrongen en dat dus, als door een wonder, op het uiterste moment redding voor hem was opgedaagd.
Hijgend en met groote moeite stond hij op en bereikte, zich aan den muur vasthoudend, een stoel, waarop hij vol builen en schrammen en met hevige pijn, neerviel. [18]
Een deel der schurken scheen ontkomen te zijn en meerdere politiedienaren waren bezig, eenige individuen, die men reeds lang zocht, gevangen te nemen.
Tot zijn onuitsprekelijke vreugde bemerkte de detective, dat zich zoowel Silezische Adolf als diens kleine vriend daarbij bevonden.
Nu naderde een groote, corpulente politie-beambte, en Henry herkende met het laatste restje bewustzijn, dat hem was gebleven, zijn ouden vriend, den commissaris Böcher, die dezen inval had bevolen, in de hoop, zijn vriend hier te zullen vinden en hem misschien te kunnen helpen. [19]