[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE CLUB DER MILLIONAIRS.

Het was in den namiddag toen in het rooksalon van de Millionairsclub de heeren in hun gemakkelijke fauteuils van hun mokka, likeur en fijne sigaren zaten te genieten.

Een der heeren, die het uiterlijk had van een bon-vivant en speler, zat met iemand te praten, van een zeldzaam schoon, sympathiek uiterlijk.

Hij streek met zijn slanke, witte vingers langs zijn zwarte snor en vertelde juist een anecdote, toen een bediende van de Club binnentrad en meldde, dat men Lord Brigham aan de telephoon te spreken vroeg.

De ongeveer 30-jarige heer stond met een elastische beweging op en volgde den bediende naar het telefoontoestel.

De Lord bracht de telephoon aan zijn oor en riep met zijn aangename, welluidende stem:

„Hallo!… Wie daar?”

Hij moest eenige oogenblikken wachten, daarop hoorde hij glimlachend, hoe een met opzet veranderde, vrouwelijke stem sprak:

„Mag ik om het adres van Lord Brigham verzoeken?”

„Ik ben zelf aan het toestel,” antwoordde deze, „en woon in de Victoriastraat 68, eerste etage.”

„En wanneer is Mylord te spreken?”

Als tegenvraag klonk het:

„Met wien heb ik de eer?”

„Men verzoekt u, hiernaar voorloopig niet te vragen … Uwe Lordschap kan een dame een grooten dienst bewijzen, als gij haar zoo spoedig mogelijk eenige minuten te woord wilt staan.”

„Ik zal binnen tien minuten in mijn woning zijn.”

„O, dank u!”

De telephoonbel weerklonk en Lord Brigham ging naar de garderobe, waar de bediende hem met zijn overjas hielp en hem den cylinder en stok overhandigde.

Hij besteeg zijn auto, die voor het gebouw op hem wachtte, en in minder tijd dan hij had opgegeven, stond de Lord in de op Indische wijze ingerichte kamer, die hem als ontvangsalon dienst deed.

De vloer was hier met matten bedekt en de muren waren bekleed met het zeldzame borduurwerk, dat van Madras komt. De meubelen, die uit verguld bamboe waren vervaardigd, maakten alle den indruk van sierlijkheid en elegance. Voor de vensters hingen kostbare moesseline gordijnen met vreemde, gouden figuren bewerkt. Het geheele vertrek had hierdoor iets sprookjesachtigs, vooral ook door het zachte, getemperde licht.

Er werd gebeld. De binnentredende, als Engelsche jockey gekleede bediende, diende een dame aan.

„Ik verzoek, binnen te laten!” sprak de Lord.

Dadelijk daarop trad mevrouw Adelheid von Hartstein den Indischen salon binnen, den dichten sluier terugslaand en haar van verlegenheid blozend gezichtje vertoonend.

Lord Brigham ging haar met uitgestrekte handen tegemoet en sprak:

„Mijn lieve Mevrouw! Wat verschaft mij de groote eer en het onuitsprekelijke genoegen, u bij mij te zien?”

De tranen kwamen in haar mooie, blauwe oogen te voorschijn.

„Ik bid u,” zei hij zacht; terwijl hij de jonge vrouw naar een divan geleidde, „blijf kalm, mevrouw. Om welke reden gij ook hier gekomen zijt; als het in mijn macht ligt, zal ik u gaarne helpen, dat verzeker ik u!”

Zij knikte hem zacht weenend toe en sprak eindelijk met een diepen zucht:

„Het is zeker dwaas, dat ik mij tot u wend. Ik weet niet, hoe het komt, dat ik zooveel vertrouwen in u stel.…..”

Zij sloeg de oogen neer en een donkere blos bedekte haar gelaat en hals.

Met een weemoedigen glimlach keek hij naar haar [20]en moedigde haar daarop aan, hem haar zorgen mede te deelen, opdat hij die zoo mogelijk, zou kunnen verlichten.

Nu begon zij te vertellen van dien nacht, toen zij half slapend een mannelijke gedaante voor haar bed had gezien; hoe zij eerst geen waarde aan die verschijning had gehecht en—zij fluisterde bijna onhoorbaar—aan iemand anders had gedacht.

De blanke hand van den man tegenover haar streelde zacht haar gebogen hoofd en toen zij daarna haar diepblauwe oogen tot hem opsloeg, vroeg hij zacht en dringend:

„Mag ik ook weten, wie het was, dien gij in dien nacht meendet voor u te zien?”

Zij antwoordde niet.

Maar haar bekoorlijke verlegenheid, haar zwijgen en de hartstochtelijk bevende lippen zeiden hem genoeg.

Hij boog droevig het hoofd; een oogenblik was het, alsof hij haar in zijn armen wilde nemen en aan zijn borst drukken; daarop fluisterde hij met trillende lippen zacht en droef:

„Mevrouw, gij zijt gehuwd en ik heb niet het recht, u los te rukken van den man, die u een zonnig leven verschaft. Ik kom en ga en mag het lot van een vrouw niet aan het mijne binden.…..”

Met vochtige oogen keek zij naar hem op. Zij had er misschien niet over gedacht, van haar man heen te gaan, maar het klonk haar zoo merkwaardig.

„Gij weet niet, wie ik ben!”

Maar voordat zij hierover verder kon nadenken, verzocht hij haar hem te vertellen, wat haar zoo angstig maakte.

O, dat was spoedig gezegd.

De man, die op het bal in de nis had gestaan en die ongetwijfeld de dief van haar collier was, vervulde haar met zoo grooten angst. Hij was het zeker ook geweest, die des nachts in haar slaapkamer was gedrongen! Misschien omdat hij had gehoopt, nog meer te stelen.

En hedenmorgen had haar echtgenoot haar meegedeeld, dat die man gepakt was, dat hij reeds voor het gerecht was geleid. Als hij nu eens vertelde, dat hij dien nacht in de slaapkamer van barones Von Hartstein was geweest, dat hij voor haar bed had geknield en haar handen gekust!.….. Zij had dit niet aan haar echtgenoot durven vertellen! Haar eenige verontschuldiging was, dat zij in de gestalte van den inbreker het beeld van den man, dien zij liefhad, had meenen te zien, en dit had zij haar man niet durven bekennen!…

Terwijl Adelheid dit vertelde, vloeiden steeds haar tranen.

Daarop echter sprak hij met een heimelijke vreugde, die zij niet begreep:

„Vrees niets! Al kan ik u ook niet alles verklaren, toch kunt gij mijn woorden gelooven: de man, dien gij destijds in uw balzaal hebt zien staan, is niet dezelfde geweest, die u in den nacht bezocht. Hij zal u geen onaangenaamheden bereiden, want hij kent u niet en vermoedt nauwelijks uw bestaan … Ik herhaal u nog eens, dat gij gerust en onbezorgd kunt gaan slapen, niemand behalve uw eigen mond kan u verraden!”

Met verbaasde blikken keek zij hem aan.

„Maar hoe …? Waarom …?

Met een zachten glimlach sprak hij:

„Gij moogt mij niets vragen, al was het alleen, omdat het mij oneindig leed doet, u ieder antwoord schuldig te moeten blijven!

Vóór alles zou ik graag willen dat gij, als wij afscheid hebben genomen, in vriendschap aan mij bleeft denken!”

„Gaat gij heen? Wanneer? Of mag ik ook dat niet weten?” vroeg zij angstig.

„Ik weet het zelf op dit oogenblik nog niet. Ik ben als een vogel, die in de lucht opstijgt en aan de hand ontvlucht, die zich uitstrekt om hem vast te houden.”

De schemering daalde neer op aarde en hulde het vertrek in sprookjesachtige schaduwen. Het was stil geworden in het Oostersche salon. [21]