Ondervraagd door de politie, had Silezische Adolf elke verklaring geweigerd. Hij beweerde met onverstoorbare kalmte, dat hij zich van geen kwaad bewust was en niet begreep, wat de heeren van hem verlangden. Hij verzocht beleefd, weer in zijn cel teruggebracht te mogen worden, omdat hij moe was en slapen wilde.
Eenigen tijd later werd hij opnieuw in verhoor genomen door commissaris Böcher. Maar ook nu zonder eenig resultaat. Men had hier blijkbaar met een zeer verstokten booswicht te doen, die niet gemakkelijk tot spreken was te dwingen.
Henry Stern was bij dit verhoor tegenwoordig en liet glimlachend de woedende blikken van den misdadiger langs zich heen gaan …
Op den dag na het voorgevallene in het danshuis was de bankier Von Hartstein persoonlijk bij den jongen detective in diens woning geweest, hij had hem zelfs zijn eigen dokter gezonden en hem een belangrijk bedrag ter hand gesteld als extra belooning.
„Ik waardeer ten volle, wat gij voor mij hebt gedaan,” sprak hij tot den patiënt. „Als iemand zooals gij zijn leven op het spel zet in het belang van degenen, die hem betalen, dan is hij iemand van plichtsbetrachting, die alle achting verdient!”
Henry Stern was zeer verheugd over deze woorden, ook het geld kon hij best gebruiken en met verdubbelden ijver vatte hij, nog nauwelijks hersteld en met verbonden hoofd, de zaak weer op.
Toen men den misdadiger weer had weggebracht, sprak hij tot Peter Böcher:
„Men zal den anderen kerel, die helaas ontsnapt is, ook nog moeten pakken en dan de beide vrouwen zien te vinden, die indertijd des nachts in hun gezelschap waren, toen ik ze bespiedde.”
„Goed en wel,” meende de commissaris, „maar dat zal zoo gemakkelijk niet gaan.”
In dit oogenblik hoorde men in de gang buiten een vervaarlijk geschreeuw. De commissaris ging naar buiten en sprak, toen hij terugkwam:
„Het beteekent niets. De agenten hebben een kerel, die juist binnengebracht werd, een briefje afgenomen.”
„Mag ik het zien?” vroeg Henry Stern vol belangstelling.
De commissaris gaf hem het door middengescheurde stukje papier en de detective las:
„Let op Hol! Nobele drietal uit de Sof!”
Ook de andere beambten lazen het en lachten. Niemand begreep den inhoud.
Eindelijk sprak Stern, die zich ook theoretisch op de hoogte had gesteld van zijn beroep:
„Weet gij, wat dit beteekent, heeren?”
„Neen,” sprak Peter Böcher, „weet jij het?”
De detective knikte:
„Zeker! Deze woorden beteekenen niets meer of minder dan dat iemand, die van hier naar de strafgevangenis overgebracht zal worden, op moet letten voor het „Hol”, dat beteekent Moabit, omdat daar „het nobele drietal”, dat zijn natuurlijk drie zijner kameraden, op hem wachten, die hem „uit de sof”, dat wil zeggen „uit de misère” zullen halen, dus vrij zullen maken … Het is jammer, dat wij niet weten aan wien deze brief is gericht!”
„O!” meende Böcher, „dat zou wel uit te vorschen zijn. Wij zullen eens kijken, waar de brenger van het briefje zich nu bevindt”
Reeds was hij naar buiten gegaan en na eenige minuten kwam hij terug met een lang opgeschoten, slungelachtigen jongen man, die ingepikt was wegens moedwillige beleediging en overlast.
„Het heeft er veel van,” fluisterde de commissaris tot zijn vrienden, „alsof deze bengel, die er reeds een flinke boeventronie op nahoudt, zich alleen heeft laten oppakken om dit briefje te kunnen overbrengen. Ik [22]geloof, dat het het beste is, dat wij ons houden alsof wij het briefje niet kunnen ontcijferen en van hem willen weten, wat de woorden beteekenen.”
Hij wendde zich tot den jongen en deed een dusdanige vraag. Deze grijnsde en sprak:
„O, dat is maar een gijntje! Dat heb ik maar es zoo opgeschreven, voor de mop!”
De beambte antwoordde hierop niet, maar vroeg, plotseling een zeer beleefden toon aannemend:
„Hebt gij al ontbeten?”
De aangesprokene schrikte op. Deze woorden beteekenen in de conversatie der politiebeambten met de boeven, dat den onwilligen misdadiger een flink pak slaag zal worden toegediend door de stevige knuisten der politiemannen.
„Ik laat me niet donderen!” riep de jongen op half huilenden toon. „Dat mag je niet doen!”
De commissaris sprak lachend:
„Wat wij mogen of niet, zullen wij zelf wel het beste weten!”
„Dat zal wel!” antwoordde de jonge man, „je wil mij zeker laten smoezen?… Wat in dat briefje staat, vertel ik toch niet!”
„Nu, denk er nog maar eens over na … In elk geval kun je je eerst versterken!”
Een der politieagenten bracht op bevel van zijn chef een paar dikke boterhammen binnen, waarop de slungel aanviel als een hongerige wolf.
Daarop bracht men hem met opzet in het vertrek der beklaagden, waar een groot aantal personen, die gevangen waren genomen en hun eerste verhoor moesten ondergaan, bijeen waren.
Tien minuten later werd in deze groote, kale ruimte nog iemand binnengelaten, die naar zijn uiterlijk scheen te behooren tot de hier verzamelde elementen maar in werkelijkheid een beambte der politie was.
Toen men dezen man een half uur later weer weghaalde, was hij volkomen op de hoogte. De jonge man had hem dadelijk om papier en potlood gevraagd en, toen hij in het bezit daarvan was, een nieuw briefje geschreven.
Daarop had hij op sluwe, maar ondubbelzinnige wijze geïnformeerd naar Silezischen Adolf, die klaarblijkelijk het briefje moest ontvangen.
Henry Stern en de commissaris overlegden samen, hoe zij dit zaakje verder zouden behandelen.
Adolf zou nog dienzelfden middag naar Moabit overgebracht worden, „en,” sprak de commissaris, „ik vermoed absoluut niet, waar de kerels willen probeeren, hun makker te bevrijden.”
„Zij rekenen er zeker op,” vervolgde Peter Böcher, „dat wij zware misdadigers liever niet in den gevangeniswagen, maar per rijtuig, vergezeld door een paar vertrouwde mannen, naar Moabit overbrengen. En van deze gewoonte zullen wij ook heden niet afwijken.”
Een uur later werd dan ook werkelijk de gevangene Adolf Müller getransporteerd. Maar eerst vertrok een ander rijtuig, waarin zich Peter Böcher, de detective en bovendien nog twee reusachtig gebouwde agenten van politie bevonden.
Toen het rijtuig, waarin Silezische Adolf, in de Lehrterstrasse voor den kleinen ingang van de Moabiter cellulaire gevangenis stilhield, kwam toevallig een troepje mannen in werkkielen, die van hun arbeid schenen te komen, den hoek om. Zij slenterden rookend en pratend naar het rijtuig toe, waaruit juist de eerste politieagent te voorschijn kwam.
Een der arbeiders vroeg, stamelend, alsof hij dronken was:
„Wien breng je daar, mannetje? O, wat een mooie jongen!”
Intusschen klom de met een stalen ketting geboeide misdadiger uit het rijtuig. Hij keek bliksemsnel om zich heen en had onmiddellijk den toestand overzien.
In dit oogenblik naderden twee meisjes met groote hoeden vol veeren, in zijden japonnen en met gepoederde gezichten.
„Jullie zult toch zeker niet dulden, dat ze je vriend in de Bajes brengen? Slaat er op, dat hun helmen wegvliegen!”
En tegelijkertijd sloeg zij reeds met haar parapluie naar den agent.
Deze had werk om de nu snel op elkaar volgende slagen af te weren en wilde juist zijn sabel trekken, toen de vijf arbeiders met kracht de beide agenten wegduwden en den gevangene in een kring insloten. Een eindweegs duwden zij hem voort, daarop zette hij het zelf op een loopen zoo snel hij kon.
Honderd pas verder stond een ander rijtuig, blijkbaar op iemand te wachten.
Maar nog voordat de kameraden van den misdadiger en deze zelf het rijtuig konden bestijgen om weg te [23]rijden, kwam een ander rijtuig aangereden, waaruit twee beambten in uniform, commissaris Böcher en de detective sprongen.
Ook de twee andere politieagenten die zich met groote krachtsinspanning van hun aanvallers hadden bevrijd, kwamen aangesneld.
Vol woede, met hun messen in de hand, wierpen de handlangers van Silezischen Adolf zich op de beambten. Adolf zelf sloeg en trapte als een razende om zich heen.
Nu beval de commissaris de sabels te trekken en dit maakte al rasch een einde aan den strijd.
Een der aanvallers stortte gewond neer, een paar ontvluchtten schreeuwend en de anderen gaven zich op genade of ongenade over.
Met den gevangene, die als een duivel om zich heen beet en trapte, hadden de agenten de meeste moeite. Eindelijk wierpen zij hem, aan handen en voeten geboeid in het rijtuig.
Een der beide vrouwen, die samen ontsnapt waren, had op haar vlucht een taschje verloren, dat Henry Stern opende en waaruit hij een zakkalendertje met haar adres te voorschijn haalde.
„Drommels!” sprak Böcher lachend, „ik geloof, dat zij een oude, goede bekende van ons is. Het beste is, dat wij de agenten met het transport naar het hoofdbureau zenden en zelf op onderzoek naar dit vrouw-mensch uittrekken.”
In de beide rijtuigen werden nu Silezische Adolf en zijn eveneens geboeide handlangers gepakt, onder geleide der agenten terwijl de commissaris en Stern een ander rijtuig namen.
Zij reden naar de Gollnowstraat, waar het meisje, dat blijkbaar de bruid van Silezischen Adolf was, woonde.
Zij waren nog niet eens zoo ver gekomen, toen Henry Stern, toevallig naar buiten kijkend, de beide vrouwen uit een kleinen banketbakkerswinkel zag komen.
„Let op”, sprak Böcher, „ik stap nu, achter haar, uit, jij rijdt nog een eindje verder en loopt haar dan tegemoet. Op die wijze kunnen ze ons niet ontsnappen.”
Weinige minuten later zaten de beide vrouwspersonen met haar ongewenschte cavaliers in een gesloten rijtuig, dat hen samen naar het Alexanderplein bracht.
Reeds onderweg verklapte de eene, die alles in het werk stelde om weer op vrije voeten te komen, de zaak. Zij vertelde nauwkeurig, hoe het plan om Silezischen Adolf te bevrijden, was uitgegaan van haar gezellin, de zwarte Rosa, die de bruid van den misdadiger was.
Nu hadden de beide mannen werk om het liefje van den inbreker, dat als een furie op haar vriendin losvloog, tegen te houden.
De andere verried in haar woede nog meer.
„Je kunt zeggen, wat je wilt. De halsketting had hij bij ons, in de Beumestraat …”
De beide vrienden wisselden een snellen blik van verstandhouding.
„Waar had hij die ketting gekregen?” vroeg Peter Böcher.
„Van den een of anderen graaf!” antwoordde het meisje. „Misschien heeft hij het ding nog in zijn huis.”
„Waar woont Adolf Müller?”
Maar nog voordat het meisje had kunnen antwoorden, stortte haar vriendin zich op haar.
Een woest gevecht speelde zich nu in het rijtuig af. De glasscherven vlogen op straat, de koetsier liet de paarden stilstaan en een groote menigte verzamelde zich om den wagen.
Er bleef niets anders over, dan dat ieder der beide mannen met een der meisjes in een rijtuig steeg en naar het politiebureau reed.
De detective was in gezelschap van de zeer toegetakelde vriendin der zwarte Rosa. Hij had met den commissaris afgesproken, dat hij het meisje haar vrijheid terug zou geven, zoodra hij het adres der woning van Adolf van haar had gekregen.
En dit duurde niet lang; het rijtuig hield stil, het meisje maakte zich uit de voeten en de detective reed naar het noordelijk gedeelte der stad.
Daar, vlak bij het danshuis, waar hij zulke bittere ervaringen had opgedaan, was de woning van Silezischen Adolf.
Hij woonde daar bij een vrouw, die een zeer ongunstigen indruk maakte en gewoonweg ontkende, Adolf ooit gezien te hebben. Zij wilde Stern beletten, het huis binnen te treden.
Deze echter duwde haar eenvoudig op zij met de woorden dat zij, als zij nog verdere bezwaren maakte, eveneens gevangen genomen zou worden.
Intusschen verscheen ook Böcher, die telephonisch bericht van Stern had gekregen. [24]
De beide vrienden moesten lang zoeken, eer zij dat, wat hun bijzonder interesseerde, in de woning van Silezischen Adolf hadden gevonden.
Wel vielen hun al dadelijk verschillende voorwerpen van waarde in handen, die afkomstig moesten zijn van kleinere of grootere diefstallen, maar het diamanten collier was niet te vinden en ook geen enkel spoor van dezen diefstal.
Toevalligerwijze zag Henry Stern, wiens speurdersoog overal rondblikte, in een aschbakje een menigte sigarettenpuntjes liggen. Zij waren alle zonder mondstuk, behalve een met een lang mondstuk, waarop in gouden letters „C. D. M.” en een gouden kroontje waren gedrukt. Een beetje verder stond de naam der firma „C. Caldiropulos, Berlijn W.”
Met een fijnen glimlach nam Stern het papierrolletje op en toonde het zijn vriend.
Deze begreep dadelijk, dat nu het raadsel was opgelost.
Silezische Adolf was het werktuig van een ander geweest.
Een half uur later hield het rijtuig met de beide ambtenaren van politie stil voor den sigarettenwinkel van een Griek, die hun op hun vragen mededeelde, dat deze soort van sigaretten uitsluitend werd vervaardigd voor de Club der Millionairs. [25]