[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE MACHT DER LIEFDE.

Baron Von Hartstein zat juist met zijn echtgenoote aan het diner, toen de bediende een kaartje binnenbracht.

Toen hij een blik op den naam had geworpen, sprak hij, aangenaam verrast:

„Laat dien heer dadelijk in mijn particulier kantoor!”

„Is het zoo’n gewichtig bezoek, Maximiliaan?” vroeg zijn vrouw verbaasd.

„Zeker”, antwoordde de millionair en ging de kamer uit.

Een kwartier later kwam hij in zeldzame opwinding terug.

Zonder te weten waarom, had Adelheid een gevoel, alsof er iets vreeselijks zou gebeuren, zij voelde zich den laatsten tijd, ondanks de geruststellende verzekering van Lord Brigham, voortdurend zenuwachtig en angstig.

Haar echtgenoot had weer aan tafel plaats genomen en bleef in diepe gedachten voor zich uit staren.

Eindelijk vroeg de jonge vrouw op bedeesden toon:

„Wat is er, Maximiliaan?.… Je maakt mij door je houding angstig.”

„Het is ook bijna niet te gelooven”, antwoordde de bankier.

„Wat dan? Vertel het mij toch!” smeekte zij.

De bankier schudde het hoofd, bromde iets in zijn grijze snor en scheen weer ernstig na te denken.

Eindelijk sprak hij:

„Het is onmogelijk! Het kan niet.…”

En weer na een pauze:

„Die lui.… hm.… hm.… die detective en commissaris.… zij gelooven.…”

Weer zweeg hij.

„Neen! neen! neen! Het is àl te belachelijk! Het is een overdreven inval van de politie!”

Steeds angstiger en bijna weenend vroeg Adelheid:

„Maar ik begrijp je niet! Je spreekt zoo onduidelijk! Wat is dan toch onmogelijk? Verdenken die heeren iemand, die … die ons interesseert?”

Terwijl zij dit vroeg, vermoedde de jonge vrouw reeds alles. Steeds weer alles combineerend, wat er sinds dien nacht in haar slaapkamer was gebeurd, had zij een voorgevoel gekregen, dat zij met alle kracht van zich af wilde zetten.

Zij waagde het niet, zich geheel rekenschap te geven van haar gedachten, maar zij wist van te voren, wat haar echtgenoot haar nu zou meedeelen. En daarom was zij niet zoo verbaasd als hij het zooeven was geweest.

„De beide heeren vermoeden,” sprak hij, „dat de dief van je collier een der leden van de millionairsclub is. Wie—dat hebben zij zelf nog niet ontdekt. Zij vroegen mij, of ik iemand verdacht, ik kon natuurlijk niet het minste zeggen … Ik geloof, dat het een vergissing is en heb hun den raad gegeven, zoo voorzichtig mogelijk te werk te gaan.”

Het was de jonge vrouw, alsof plotseling al haar bloed tot ijs was geworden, een onnatuurlijke kalmte had zich van haar meester gemaakt. Zij wist nu, wie haar het collier ontstolen had!

Maar geen enkele gedachte aan toorn kwam bij haar op. Zij vroeg niet, waarom hij zoo gehandeld had. Zij bedacht niet, dat hij een misdadiger was, dat hij niet paste in de kringen, waarin hij zich bewoog en waarin hij zulk een sympathieke verschijning was!

„Je blijft merkwaardig kalm”, merkte de bankier op.

Zij glimlachte. Daarop sprak zij op onverschilligen toon:

„Er gebeurt zooveel ongehoords, dat men zich over niets meer behoeft te verbazen.”

„Nu, het is goed, dat je het kalm opneemt”, sprak [26]Von Hartstein, „maar het bewijst, dat gij, vrouwen, sterkere zenuwen hebt dan wij. En nu moet je mij verontschuldigen, ik heb een gewichtige vergadering.”

O, hoe gaarne verontschuldigde zij hem!

Nauwelijks had hij de kamer verlaten, toen ook zij zich door haar kamenier liet kleeden om uit te gaan. Zij knoopte een dichten, bijna ondoorzichtigen sluier om haar hoed en verliet te voet de villa.

In een andere straat nam zij een automobiel, waarin zij zich naar een afgelegen stadsgedeelte liet brengen. Daarop reed zij per tram een eindweegs en legde een verder deel van haar weg weer te voet af. Eindelijk nam zij nog een huurrijtuig en reed tot aan de straat, waarin hij woonde.

Het laatste eindje, tot aan zijn huis, legde zij te voet af.

Zij snelde de trappen op en was innig gelukkig, toen de deftige bediende haar meedeelde, dat zijn heer thuis was.

Zij ging binnen in de kamer, waar hij was en nu vloeiden haar de woorden van de lippen.

„Men vervolgt u! Men is u op het spoor! Zij weten alles! Gij moet vertrekken! Dadelijk, zoo gauw mogelijk!”

Nauwelijks verschrikt keek hij haar eenige oogenblikken met zijn verstandige, wonderschoone oogen aan.

Daarop ging hij naar zijn schrijfbureau, opende een der vakjes en nam daaruit het diamanten collier.

Een blos van vreugde kleurde haar wangen, daarop echter drong zij er weer op aan, dat hij zich zou haasten.

Hij schudde glimlachend het hoofd.

„Ik blijf!” antwoordde hij. „Ik weet niet eens, of die onnoozele kerels zooveel verstand bezitten om het lid der club, dat zij zoeken, uit te vinden … Ik ben niet gewend heen te gaan, voordat ik er de hooge noodzakelijkheid van inzie.…. Maar gij, arm vrouwtje, gij moet hier vandaan! Ik hoop, dat wij elkaar nog eenmaal zullen weerzien!”

De jonge vrouw bracht haar zakdoekje naar de oogen toen zij heenging en een vastberaden trek lag om haar mond.

Zij liet het collier in haar zak glijden en sloop als een schaduw de stille straten van dat stadsgedeelte door.

Zoo kwam zij in den Dierentuin en bij het donkere, troebele water gekomen gleed haar hand in den zak van haar japon. Niemand was rondom haar te zien.

Bij het scheidende licht van den dag glinsterde en fonkelde iets,—dat was het diamanten collier—dat zij neerwierp in het diepe donkere meer.….. [27]