[Inhoud]

Uit Peter Kolbe se „Beschryving van De Kaap de Goede Hoop.

[173]

[Inhoud]

INLEIDING.

Soos ons aangemerk het by die Dagverhaal van Van Riebeeck, het die eintlike invoer van slawe in die Kaap begin in 1658; en sedertdien is daar gereeld meer van daardie koopwaar in die land gebring. Die Kompanjie het daar o.a. spesiaal ’n skip aan die Kaap op na gehou om hulle te gaan inruil op Madagaskar, Mosambiek, die kus van Angola of Guinea; terwyl ander, maar minder in getal, ook verkry is uit Voor-Indië en die Oos-Indiese eilande. Waar die Hottentotte te lui of te onafhanklik was om vir die Kompanjie of vir die koloniste te werk, en waar blanke knegs te moeilik verkrygbaar was en te duur om aan te hou, was dit slegs natuurlik dat in ’n tyd toe slawerny ’n algemeen erkende instelling was, die Kaapse regering die toevlug tot slawearbeid sou neem. Daar is ook geen twyfel aan nie dat die gebruik van slawe heelwat bygedra het tot die ekonomiese ontwikkeling van die land, vernaamlik van die meer intensiewe graan- en wynboerdery van die westelike distrikte. Die aanwesigheid van die slawebevolking, wat spoedig die blanke bevolking oorvleuel het1, het egter nie alleen goeie gevolge aan te wys nie. Onder die „lijfeigenen” was daar egte booswigte wat hulle aan die ergste misdade skuldig gemaak het: moordpartye op die persoon van hulle meesters, aanslae op vroue en kinders, [174]brandstigtings, ens. Andere, weer, het hulself nooit kan versoen met hul nuwe toestand nie en het gedurig probeer om te ontsnap die land in. Dit is ’n paar van dergelike episodes wat ons hieronder plaas uit die pen van Peter Kolbe, die bekende skrywer van wat lank die standaardwerk oor die Kaap gewees het, nl. die Naaukeurige en Uitvoerige Beschryving van de Kaap de Goede Hoop2. Peter Kolbe word nou deur heelwat mense as ’n bedrieër en kwaksalwer beskou; en ná ’n periode van roem het sy reputasie gedurig verbleek sedert die aanvalle wat De la Caille, Le Vaillant en later skrywers op hom gemaak het. Ons is egter van oordeel dat Kolbe nie so fantasties en onbetroubaar is as wat hy soms voor uitgemaak word nie. Op sy uiteensetting van die samestelling en werking van die verskillende regeringsliggame, b.v., is maar bitter min aan te merk. Ook wat hy meedeel oor die lewe en gewoontes van die Hottentotte, waarvoor hy die aantekeninge van die uitstekende inboorlingkenner J. W. de Grevenbroeck tot sy beskikking gehad het, is oor die algemeen geloofwaardig en korrek. Ons kan nie die versoeking weerstaan nie om ook uit daardie gedeelte van sy boek ’n paar uittreksels te plaas.

Ongelukkig is dit waar dat vir anekdotiese verhale hy maar alte dikwels afgegaan het op sterk-gekleurde [175]mededelinge van persone wat hul gegewens ook al nie uit die eerste hand gekry het nie—mededelinge wat hy somar sonder die minste poging tot kontrolering in sy werk opgeneem het. En selfs daar waar hy self ooggetuie was van die feite wat hy aangee, laat sy geheue vir hom meermale in die steek. Kolbe was heel seker liggelowig en onkrieties van aanleg. Ons is egter geneig om vir hom hierdie swakhede te vergewe, al was dit maar om die eg Afrikaanse atmosfeer wat sy beskrywinge kenmerk, en die aansteeklike geesdrif waarmee hy sy onderwerp behandel. [176]

[Inhoud]

UIT PETER KOLBE SE „BESCHRYVING VAN DE KAAP DE GOEDE HOOP.”

Misdade van die Slawe.

Eenigen tyd daar na3 is ’er een zeer droevig en beklagelyk geval door een party weggelope slaven en slavinnen gebeurt, ’t welk ik der moeite wel waardig acht dat ik den lezer de gantsche geschiedenis omstandiger verhaal dan ik reeds in een van myne vorige hoofdstukken gedaan heb.

Eenige slaven en slavinnen van verscheide burgers maakten eenen aanslag om geweer van hunne meesters te stelen en de vlugt te nemen, om daar door hare verlore vryheid weerom te bekomen4; zy waren onder malkanderen ook overeengekomen dat ’er een van hen koning en eene koninginne zoude zijn5, met magt om allerhande bedieningen onder hen als vrye luiden te begeven. Aldus ’t hazenpad gekozen en achter den Duivelsberg [177]gekomen, zagen zy eenen schaaphoeder van den burgermeester Cornelis Botma6 den welken zy wilden dwingen eenige hamels zonder geld te laten volgen. Door dien hy zich echter daartegen kante, en ’t belang van zyn meester na behoren behertigde, sneden zy hem den hals af en lieten hem in zyn bloed leggen. Vervolgens dodeden zy ook eenige hamels en namen in een dal achter den Tafelberg, welk dal met bomen bedekt was, de vlugt, alwaar zy hunne hamels kookten en zich vrolyk maakten.

Den anderen morgen, met het krieken van den dag, sloegen zy hunne tenten op en trokken dieper landwaarts in, terwijl hunne meesters niet wisten waar deze baldadige landlopers gebleven waren en twyffelden of zy misschien de 5 slaven van den heer keldermeester Jacob de Wets7 verlede jaar weggelopen, waren gevolgt. Deze vlugt wierd aan den fiskaal independent ook bekent gemaakt, dog deze wist ook niet waar hy ze zoude laten zoeken. Ondertusschen deeden deze vermetele vlugtelingen niet dan stelen en moorden tot dat zy eindelyk in den Groenen Kloof nog een groter schelmstuk uitvoerden. Wanneer zy, zoo als gemeld is, in den Groenen Kloof quamen, ontmoeten zy eenen Duitscher van Hamburg van geboorte die ’t vermaak van de jagt nam en wyl zy hem van verre zagen aankomen, verborgen zy zich [178]achter struwellen tot dat hy dicht by hen was, wanneer zy hem allen teffens op ’t lyf vielen en ’t geweer afnamen met deze woorden: „Wat wilt gy doen? Gy moet sterven; wilt gy bidden, zoo maakt het kort, wy hebben niet lang tyd.” Daar op verzocht deze Duitscher dat zy hem maar een weinig tyd mogten vergunnen, om zyn ziel in Gods bescherming te bevelen zoo als zy ook deden. Dog wyl hy in zyn gebed aanhield en hen de tyd te lang viel, zeiden zy tegen hem: „Maakt dat gy ons niet ophoud, wy konnen zoo lang niet wachten. Ondertusschen lieten zy hem op zyn lang smeken nog een Vader Onze bidden waar na zy hem ’t hoofd insloegen8, en als zy zagen dat hy dood was, sneden zy hem den buik op, namen ’t ingewand daar uit en hingen de darmen over de struiken en lieten hem aldus leggen9.

Op wat wyze de Hottentotte de Schape en het Rundvee beware

Op wat wyze de Hottentotte de Schape en het Rundvee beware

Uit Peter Kolbe se Beschryvinge van de Kaap.

Wie heeft ooit van een yzelyker gruwelstuk gehoort? Wie heeft ooit gelezen dat een moordenaar eenen rampzaligen aldus heeft gehandelt? Geen beest pleegt tegens zyns gelyke eene zodanige gruwzaamheid, veel min kan zulks met een mensch bestaan. Dog de maat van hare zonden zal nu ras vol worden, vermids zy zich van [179]hier begeven en eenen diergelyken of nog wel afgryzelyker moord in den zin hadden, dien God echter belet heeft.


Haar aanslag was zich na de Saldanha-Baay te begeven, om dat zy hadden gehoort dat ’er maar een man dien post der Voortreffelyke Maatschappy bewaarde en op de aankomende schepen achting gaf en dat de anderen elders gebruikt wierden. Tegen den avond quamen zy aan dat huis onder voorwentzel dat zy van hunne principalen uitgezonden waren om geweer na hunne veeplaatzen te brengen. Deze eenvoudige geloofde zulks, te meer om dat hy kleine kinderen by hen zag. Ondertusschen vernam hy van eene slavinne, die hy ter zyde in een ander vertrek had gebragt, hunnen goddelozen aanslag, te weten, om hem dezen nagt te vermoorden, als mede dat zy reeds de twee verhaalde moorden hadden gepleegt en bad hem dat hy tog ter dege op zyne hoede zoude zyn, en, na dat hy haar had verboden om aan iemand iets daar van te zeggen, liet hy ze gaan en riep den eenen na den anderen in zyne kamer, alwaar hy hen zoo voort de handen op den rug bond met bedreiginge, dat hy de geene die den mond opende om te schreeuwen zoo voort door den kop zoude schieten en hy bleef den gantschen nacht by hen, om te beletten dat de een den anderen los maakte. Zoo dra de dag begon aan te breken, bond hy ze allen met een touw aan malkanderen en dreef ze aldus voor zich, de slavin [180]alleen liet hy vry gaan tot dat hy ze aan de Kaap zelf bragt10.

Zoo dra zy daar quamen, wierden zy in een donker gat geworpen; kort daar na naauwkeurig ondervraagt en, alles beleden hebbende, op de volgende wys gevonnist: dat vyf11 van hen levend zouden worden gerabraakt, daar onder hare koning en hoofdmoordenaar die alvorens met gloejende tangen zoude genepen worden; wyders dat zy allen levend van ’t kruis genomen, op een rad gezet en aldaar zoo lang met spys en drank verzien zouden worden tot dat zy van zelf den geest gaven, voorts dat de koninginne aan een paal gewurgt zouden worden en dat alle de anderen met stroppen om den hals de executie onder de galg zouden aanzien, en vervolgens strengelyk gegeesselt en op ’t voorhoofd gebrandmerkt worden.

Eer en alvorens dit vonnis wierd voltrokken verzocht de geen die deze midsdadigers herwaards gebragt had, nogmaals zeer instandig dat de behoudster van zyn leven, menende de slavinne, die hem dezen aanslag had geopenbaart van de straffe mogt worden verschoont; dog wat redenen men heeft gehad om zulks niet te doen hebbe ik [181]nooit konnen ontdekken; zy moest nevens de anderen gelyke straffe uitstaan en quam niemand vry als een kind van 8 jaren12 dat de vader gedwongen had mede te gaan en een dochtertje van een half jaar dat de zoo genaamde koninginne met zich op haar rug genomen had.

Wanneer ik de executie zag, stont ik verstelt over de hardnekkigheid van deze booswigten, want daar anders iemand de felle pyn van ’t breken van zyne leden voelt, zoo als by ’t rabraken geschied, zoo heb ik overal waargenomen dat zodanige rampzaligen erbarmelyk schreeuwen; dog hier hoorde ik by geen eenen slag een enkelt woord zelfs niet „O wee!” en wanneer men ze van ’t kruis nam en levend langs eene ladder ophaalde en twee aan twee met den rug tegen elkander op een rad zette en ze met een touw om haar lyf daar op vast bond, maakten zy wederom geen gerucht ter waereld en verzochten enkelyk water om te drinken, roepende in de Portugeesche tale: „Ago, por bebe” ’t welk hen niet alleen gegeven wierd maar men bood hen ook wyn en allerhande spys aan, waartoe zy echter geen trek hadden.

Dien namiddag ten 3 uuren gaven zy den geest en wierden door de beulsknechts van de raden afgestoten, naderhand twee aan twee aan malkanderen gebonden en door drie beulsknechts door alle straten buiten na ’t gerecht gesleept en aldaar weder op raden gezet. De koningin stont toen [182]ze gewurgt zoude worden op een stoeltje en wanneer men het weg trok viel zy voor over om dat de strop aan stukken brak; dog door dien zy zoo voort weder de oogen opende en na de lucht snakte, wierd zy op bevel van den rechter andermaal gewurgt en vervolgens met haar gemaal den gemelden koning gesleept en tegen hem over aan de galg gehangen.

Is dat niet een treurig en droevig voorbeeld, dat een menschelyk hert, ’t welks slechts een weinig nadenken heeft, zodanig kan doen ijzen dat het met diergelyke booswigten onmogelyk medelyden hebben kan? Ik verzeker u, Lezer, dat ik eene grilling over myn gantsch lichaam voel, zoo dikwyls als ik daar om denk, om dat ik vele zelfs zwaarder executien heb gezien, dog gene daar de misdadigers zoo verstokt geweest zyn. Wie nu een weinig gevoelig is, zal zekerlyk deze vermetelheid niet alleen vervloeken, maar ook eene zodanige hardnekkigheid doemen.

[22 Oktober word Kolbe aangestel as sekretaris ad interim van Landdros en Heemrade op Stellenbosch.]

Terwyl ik echter dit ambt bekleedde, vielen ’er zeer zeldzame zaken voor, waar van ik ’er maar eenige mededelen zal, want dezelve alle te verhalen zoude te wydlopig en te verdrietig vallen. Van moordaardige slaven heb ik reeds een gruwzaam exempel verhaalt. [183]

Een ander (slaaf13), dien de Heer Elzevier heeft laten verkopen, verstoute zich uit wraakzucht, ’t huis van zynen gewesenen heer op Elzenburg in den brand te steken14. Door dien hy echter door de slaven, die ’t huis bewaarden verscheidemalen in zyn voornemen belet, en eindelyk door dezelven gevat en herwaards na Stellenbosch gebragt wierd, zoo liet Landdrost Mulder hem na de Kaap brengen, en maakte hem na vrywillige bekentenis zyn proces welkers slot was dat hy met een keten om ’t lichaam aan een paal zoude vastgemaakt en hout rontom hem gelegt, en aldus levend verbrand of gebraden werden15.

Nooit had ik konnen denken dat een mensch dien de vlam gestadig in de oogen en in ’t aangezicht [184]speelt, zoo lang konde leven, als deze deed; want hy liep niet alleen lang rontom den paal en weerde de vlam van zich af, maar hy beweegde heel lang armen en beenen, en riep overluid: „O Deos mio pay!” O God, myn Vader! en leefde aldus ruim een quartier uurs in ’t vuur. Waar uit dan licht is af te nemen, dat, wyl zyn lichaam niet verbrand maar gebraden is, zulks een zeer pynelyke en erbarmelyke dood moet zyn, waar mede schier geene zoort van dood kan vergeleken worden.

1. Een Looper der Hottentotten. 2. Hoe zy met haar Hassagajen werpen. Pag. 104. 3. Hoe zy gewoon zyn te vegten. Pag. 105.

1. Een Looper der Hottentotten. 2. Hoe zy met haar Hassagajen werpen. Pag. 104. 3. Hoe zy gewoon zyn te vegten. Pag. 105.

Uit Peter Kolbe se Beschryving van de Kaap.

Oor die Gooi- en Skermkuns van die Hottentotte.

Behalven dit snel lopen, konnen zy ook zeer net met stenen en korte stokken, zoo als ook met Hassagajen en alle andere harde en bequame dingen werpen; zo dat de Heer Vogel in zyne tienjarige Oost-Indische Reisbeschryving pag. 7616 hen reeds den lof heeft gegeven, dat het by hen niets nieuws was, dat een Hottentot met een steen 100 schreden ver een perk van een gulden in den omtrek konde raken; dit doen zij niet eens of tweemaal, als of zy het maar by geval raakten, maar tien malen en meer achter malkanderen, zonder eene reis te missen. Het aanmerkelykste by dit werpen voor een toekyker is, dat hy onmogelyk kan begrypen, hoe zodanig Hottentot doelen of [185]raken kan, omdat hy geen ogenblik stil blijft staan, maar in een gestadige beweging is, lopende dan voorwaard, dan achterwaards, dan ter zyde, en dravende dan gebukt en dan weder overend, heen en weder terwijl hij den steen zoo gezwind werpt, eer men zulks voorziet en raakt echter met alle zijne grimassen het voorgestelde perk zoo net, dat men moet zeggen dat de beste schutter niet beter het wit zoude hebben konnen raken.

Zij konnen niet alleen zoo net werpen met stenen, maar ook met hunne Kirri en Rakkum-stok17, zoo als ook met hunne Hassagayen, zoo dat hen niets kan voorkomen, waarmede zij deze kunst niet konnen verrichten. Ik heb dikwijls met verwondering gezien, als zy uit ernst of jok na elkander wierpen, om dat zy altoos de plaats waar de party gestaan had, of hem zelven zekerlijk raakten, wanneer hij zich niet door draajen en buigen of lopen daar van bevrijde. Ook heb ik dikwijls gezien, dat zy met hunnen Rakum-stok een haas, ree of steenbok in eene reis dood wierpen, zoo dat de stok of in ’t lichaam bleef steken, of dat het wild op een andere wijs daar door gedood werd. Dit net werpen heeft hen misschien gelegentheid gegeven, om op een verdediging bedacht te zijn en zich in ’t vechten en afweren te oeffenen welk beide zy ook meesterlyk verstaan.…..

Dikwils ben ik aanschouwer geweest, wanneer zy zich of uit ernst of uit jok daar in oeffenden, en derf ik met waarheid zeggen, dat het al zeer [186]aangenaam om te zien is. Want zy lopen van elkanderen en werpen malkanderen met stenen, Rackum-stok of ook met hunne lange Hassagayen. Wanneer de party het geworpene ziet aankomen, gaat hij zelden van zijn plaats af, ja zelfs bukt hij zich niet als hij maar zijn kirrie in de hand heeft, dat hy het zelve daar mede kan afpareren. Vervolgens lopen zy weder dicht by elkanderen, en houden de gemelde kirris in de handen voor zich of boven het hoofd en doen daar mede zulke aardige stoten, dat men niet weet, wat men van die aardige kunst zal denken en twijffelt of een Europeaansche schermmeester dit wel beter zouw klaaren als een Hottentot, te meer als men ziet hoe konstig zij deze laatste houw en steek weten af te keren.

Ik hou my t’ eenemaal verzekert, dat wanneer een bequaam en wel geoeffende schermmeester met een Hottentot zoude vechten, en dat zy beide eenerlei geweer18 hadden, de schermmeester of beschaamt hene zoude moeten gaan, of ten minsten dat hy niet veel op zyne bequaamheid zoude hebben te roemen; om dat zy zoo wel valsche quinten19 en zij-sprongen weten te maken als een schermmeester, en vrij wat beter en vaardiger20. [187]

Die Musiekkuns van die Hottentotte.

Wat haar musiek aanbelangt, dezelve is niet wel in de figuraal en vocaal musiek te verdelen, om dat de eene buiten de andere zelden of nooit word gehoort. Ondertusschen zal het nodig zijn de nodige speeltuigen van de Figuraal-Musiek eerst te beschrijven, welke met die van de Europeaansche zeer weinig overeenkomen. Een van dezelve is ook by de slaven gemeen, en kan ik derhalven niet wel zeggen, of dezen het van de Hottentotten of de Hottentotten het van de slaven uit andere landen ontleent hebben; by beiden van dezelven is het bekent met den naam van Gom-Gom. [188]

Deze Gom-Gom is een ronde boog van vast taai houd als olijf of yzer-hout. Dezelve word met een middelmatige snaar, byna als de second of A op de viool, bespannen, welke snaar zij zelven van schaapdarmen, of zenuwen maken. Aan het eene end, daar ze aan den boog word vastgebonden, maken zy een afgesneden en gesplete penneschacht vast, welken zy nevens de doorlopende snaar in den mond houden op dat het dreunen van de snaar haar niet zeer zou doen en aan de snaar ook den ordentlyken klank niet benomen worde, welke zy door het inhalen en laten gaan van den adem formeren.

der Hottentotten Musicaale Instrumenten

der Hottentotten Musicaale Instrumenten

1 Gom-gom 2 Rommelpot etc.

Uit Peter Kolbe se Beschrijving van de Kaap.

Wanneer zy een volstemmige Gom-Gom willen maken, zoo als men ze ook eenvoudig, slecht en op de jegenswoordig beschreve wijs heeft, zoo steken zy aan het ander einde, eer de snaar aan den boog gespannen en gebonden word, een cocos of klapper-note schaal, die daar gezaagt en van binnen ter dege uitgeholt en van alle aanklevende huidjes gezuivert is, welke als de resonans geven moet.

Van deze cocos-noot word van boven maar een derde deel afgezaagt, het welk men hier wegwerpt, of anders aan een slaaf geeft, om daar uit te drinken. Het overige en grootste deel maakt men op de gemelde wys aan de snaar vast, zodanig dat de gaten niet te diep benedewaarts moeten worden geboort, welke daarenboven ook recht tegen elkander over moeten staan op dat de overige schaal te beter aan den boog kan sluiten. Om dat nu de schaal of klank van de snaar daar in als in een ronde holte weerstuit en zich vermeerdert, zoo [189]klinkt het instrument niet alleen veel beter, maar zy konnen ook door de beweging van de gemelde cocos-schelp allerhande tonen maken, welke men op een ander instrument, zoo eenvoudig als dit, zoude konnen practiseren.

Wanneer drie of vier gom-gommen van verscheide snaren by elkanderen zyn, en de genen die daarop spelen wel met elkanderen overeenstemmen, zoo maakt het een zachte en aangename muziek, waar van niemand door het te hard geluid het hoofd zeer doet, maar het gehoor lieflyk gestreelt word; en weet ik my te erinneren dat ik eens na het spelen van twee Hottentotten heb geluistert, die in een stille nacht een zeer aangenaam nachtmuziek op hare wys te zamen maakten. Wanneer echter bequamer als Hottentots vingere daar aan quamen en eens de handeling ter dege daar van hadden, zoude de lieflykheid ver groter wezen, en dit speeltuig zoude na verloop van tyd tot meerder volkomenheid konnen worden gebragt.

Behalven de gom-gom hebben zy een ander muzikaal-instrument het welk een aarde pot is, van zodanigen vorm, als zy zelven maken en elders beschreven is, en nemen zy daar toe een groten of kleinen pot, zoo als zy willen. Zy overtrekken denzelven met een schaapvel ’t welk bereid is. Zy binden het zelve met hunne riemen of zenuwen zeer vast en styf gespannen daar over; daar na spelen alleenlyk de wyven (en nooit de mans) daar op met hunne vingers, en slaan daar op zoo als in Braband en te Duringen in Saxon op den rommelpot gespeelt word, behalven dat dezelve hen ook [190]by hunne vrolykheden en danzen voor een trom of keteltrom verstrekken moet, konnende op dezelve ook gene andere tonen worden gemaakt, als op een keteltrom, zoo als men uit de volgende muzieknoten zien kan.

Musieknotasie.

Wanneer zy dezen rommelpot gebruiken en daar op spelen, bedienen zy zich daar onder van vocaalmuziek en schreewen allen te gelyk: Ho, Ho, Ho, Ho, op de volgende wyze op noten gestelt:

Ho, Ho, Ho, Ho, - - - -

Ho, Ho, Ho, Ho, - - - -

Dit geschreeuw duurt dikwyls een vierde deel uurs na malkanderen, of zomtijds langer, na dat ’er liefhebbers zyn, die ’er onder danzen. Dit geschreeuw is voor zich zelven zeer onaangenaam, ten zy de rommelpot in behorige harmonie daar onder word geslagen en het geschreeuw in diervoegen word geschikt, dat de tweede eerst begint, wanneer de eerste reeds eens Ho heeft gezongen, en de derde, als de twede het eerste Ho heeft geeindigt, en de vierde den derden in een behoorlyke order volgt, wanneer het nog eenigzins na een overeenstemmende muziek gelykt. Ondertusschen valt ze den toehoorder ten laatsten verdrietig, wegens den langen teem en het hard geschreeuw, om dat zy gene andere wyze van zingen kennen. [191]


1 Afgesien van die Kompanjie-slawe was daar in 1708 reeds 1,147 manlike en vroulike meerderjarige slawe in die besit van die burgers, teenoor 798 manlike en vroulike meerderjarige koloniste. 

2 Ons reproduceer die teks van die eerste Hollandse uitgawe van 1727, gedruk in Amsterdam in twee groot foliante, ’n vertaling van die oorspronklike Duitse werk wat onder die tietel van Caput Bonae Spei Hodiernum in Neurenberg verskyn het in die jaar 1719. 

3 End September of begin Oktober 1707 volgens Dagregister, Ao. 1707–1708 (verbatim afskrif, Kaapse argief, No. 293), bls. 391. 

4 Hulle voorneme was „om na Madagascar te reijsen” (Dagregister, Ao. 1707–1708, t.a.p.). 

5 Die drosters was: Augustijn van Batavia, oud 21 of 22; Titus en Aron van Coutchin, oud 35 of 36 en 10 of 11 („Klein Aron”); Marie van Bengalen („Klein Marie”), 20 of 21, slavin van burger Hendrik Meyboom; Anthony van Bengalen, 30 jaar, slaaf van burger Frederick van der Lind; Aron van Coutchin, („Groot Aron”), slaaf van Matthijs Wigmann; Jannetje van de Caab, oud 16 of 17, slavin van Elias Kina, assistent in die Soldykantoor van die Kompanjie. Die „koning” was Augustijn, die „koningin” was Groot Marie (Dagregister, Ao. 1707–8, blss. 388 en 399). 

6 Dit is onjuis: die skaapwagter was ’n slaaf van ’n sekere Johannes Heuffke. (Sien Dagregister, Ao. 1707–8, bls. 391). 

7 Valentijn, op. cit., bls. 42, spreek van keldermeester Jacobus de Wit

8 Net soos die slaaf van Heuffke is hom ’n prop in die mond gesteek en daarna die keel afgesny. (Dagverhaal, Ao. 1707–8, bls. 394). 

9 Hulle het hom ook die linkerhand en die vlees rondom die heup afgesny; toe het hulle hom met die kolf van sy geweer pap en stukkend geslaan en die parte uit mekaar in die veld gegooi, met die doel om die identiteit van die slagoffer te verberg en dit te doen voorkom asof hy deur ’n wilde dier versleur geword is. (Sien Dagregister, Ao. 1707–8, bls. 395.

10 Die verhaal van hierdie kordaatstuk is ’n tiepiese voorbeeld van Kolbe se liggelowigheid. Dit is waarskynlik somar ’n opgesmukte storie wat in daardie tyd die rondte gedoen het en wat die skrywer sonder enige verder ondersoek aangeneem het. Dit was nie een man allenig wat die klomp gearresteer het nie, maar „’s Compagnies posthouders en eenige Hottentots,” soos die Dagregister vir ons meedeel. (Sien Ao. 1707–8, bls. 396.) 

11 Dit moet vier wees (sien Dagregister, Ao. 1707–8, bls. 399.) 

12 Bedoel word „Klein Aron,” toe 10 of 11 jaar oud. 

13 Dit was Moses van Bengalen, ’n slaaf wat vroeër aan die sekunde Samuel Elsevier behoor het, maar toe in diens was van vryburger Hendrik Eksteen. Sien originele Dagregister, Ao. 1712 (Kaapse argief, No. 296), bls. 90. 

14 Hy wou wraak geneem het op twee slawe, Pieter en Rantong, wat vroeër saam met hom op Elsenburg gewerk het en aan wie hy die skuld gegee het dat hy verkoop geword is aan Hendrik Eksteen—’n verkoop waarby hy sy klein besittings moes agterlaat. Hy het dan ook nie die woonhuis aan brand gesteek nie, maar die wynkelder en die wamakershuis, waar hy vermoed het dat Pieter en Rantong respektieflik geslaap het. (Dagregister, Ao. 1712, blss. 90 en volg.) 

15 Die Ed. Agtb. Raad van Justiesie het vir hom op 2 Junie 1712 veroordeel om „gebragt te werden ter plaatse daar men alhier gewoon is crimineele sententien te executeeren, aldaar de scherpregter overgelevert zijnde, over eind staande met een ketting aan een paal gebonden, alsoo levendig verbrand te worden, zullende het restant van ’t doode gebrande lighaam, naar ’t buiten geregt werden gebragt, aldaar met een ijsere pot boven ’t hooft denoteerende de brandstigter, op een rat gestelt, en zoo lange te blijven sitten, totdat door de lugt en vogelen des hemels zal zyn verteert cum expensis.” Sien Dagregister, Ao. 1711–14 (Kaapse argief, No. 297), bls. 97. 

16 Johann Wilhelm Vogel, Zehen Jährige Ost-Indianische Reise Beschreibung, waarvan die eerste uitgawe verskyn is in Frankfort in 1690, die twede in Altenburg in 1716. 

17 Raak-hom-stok? 

18 Hier in die algemene betekenis van verdedigingswapen. 

19 Liste, streke. 

20 Interessant is dit om met hierdie beskrywing dié te vergelyk van kommissaris-generaal H. A. van Rheede, wat voorkom in sy joernaal opgestel gedurend sy verblyf aan die Kaap in 1685, onder datum 24 April: „Nae den middagh quamen de Capitijnen oft overstens der inlanders in het Casteel met veel volck, oud, jongh, vrouwen en [187]kinderen; uyt dien hoop wierden ontrent dartigh jongelingen uytgesogt die haer in tween verdelende ontrent 50 roeden van en tegen malkanderen aanstelden, hebbende ider een stuck van een brandhout of tack van een boom sonder onderscheyt regt, krom of met tacken, met de welcke ter weder zijden, soo fel en gewis op malkanderen wierpen, men sich over de vaerdigheyt, grote force en sekerheyt als over de behendigheyt en raddigheyt om die te ontwijken en af te keeren most verwonderen, doende blijken alsoo grooten konst in wel te offenceren als defenderen, makende soo evenmatige bewegingh met alle de ledematen van het lighaem, zulcx niet en geschiede in het wilde en na iders sinnelijckheyt, maer nae een vasten regul, nae welck zij dese oefeningh als op een schermschool in orde hebben geleert; en dewijle dese soo fel vliegende houten, soo niet en konden werden gemyd en daar een stock, die een ider van haer in de linckerhandt hadt, afgekeert, of daer wiert te met imandt van d’ een of andere parthye geraeckt, en dat zij te saemen bevorens een weynigh brandewijn hadden gedroncken, soo wierden dese strijdende partijen soo tegen den anderen verhit, het yok ernst wordende, niet meer malkanderen mijdende, soo vinnigh wierpen om te raeken, dat haere overstens en oudste, die tot daer en toe stil hadden sitten toesien, dien strydenden hoop met gewelt en authoriteyt van een mosten scheyden. (Joernaal van Van Rheede, Kaapse argief, No. 703, blss. 49 en 50.)