[Inhoud]

ELFDE HOOFDSTUK.

IN DE MUIZENVAL.

Nauwelijks was Grigoriew in de enge ruimte beland of de kast ging dicht.

Hij kreeg een onbehagelijk gevoel, hoewel hij er nog geen oogenblik aan dacht, dat hier boos opzet in het spel was.

Daar werd echter plotseling een klep opengedaan, en voor de opening vertoonde zich het gelaat van den politiebeambte.

„Alle duivels, Doorluchtigheid”, sprak deze, „dat ziet er leelijk uit. Ik kan de deur niet meer open krijgen. Beproeft gij het eens aan den binnenkant. Misschien vindt gij den sleutel tot de vrijheid weer”.

Maar Alex vond dien sleutel niet. Hij zat hier in de kast gevangen en kon zich niet verroeren.

Zijn ondergeschikten waren al in de dienstbodenkamer opgesloten, en voor de kast stond de beambte die steeds vreemder ging doen!

Het koude zweet parelde op het voorhoofd van Zijne Doorluchtigheid.

Wat moest hij beginnen?

Het hart bonsde hem in de keel.

Hij zou niet lang meer in twijfel blijven, dat hij geheel ontmaskerd was.

De beambte begon:

„Gij zijt mijn gevangene, Willy Warren. Ik behoef u zeker uw misdaden niet op te sommen. Gij kent die alle! Zéker nog beter dan de politie”.

Hoe brutaal de oplichter anders ook was, thans verstomde hij.

Hij dacht een beroerte van kwaadheid te zullen krijgen en hijgde naar adem. Zijn hulpelooze positie snoerde hem letterlijk de keel toe.

„En geef u overigens geen moeite om uw onschuld te bewijzen. Uw papieren, die ge zoo zeker dacht te hebben bewaard zijn alle in handen van de politie. Zij zijn dezen nacht onder de pendule weggenomen”.

„Dat kan alleen die schurk, die Raffles gedaan hebben”, siste de man in de kast.

„Juist, Willy Warren, Raffles heeft het gedaan. Niemand anders zou die overmoedige daad hebben klaar gespeeld. Maar in een ding hebt ge toch ongelijk: een schurk is die Raffles niet”.

„Hij is een schurk”, brulde Warren. „Anders had hij de politie niet in kennis van de zaak gesteld.”

„Dat heeft hij niet gedaan, ik zelf ben Raffles!”

De groote onbekende deed den uniformhoed en zijn pruik af, maar zette beiden dadelijk weer op zijn hoofd.

Warren was paf van verbazing. [28]

Hij begreep, dat hij nu geheel was overgeleverd aan de willekeur van den grooten onbekende.

„Wat wilt ge van mij, Raffles?” siste hij eindelijk tusschen de tanden, terwijl Lord Lister het pistool ophief en hem vast in de oogen keek.

„We zullen eens kalm een paar woorden met elkander spreken. We zijn immers collega’s,—al heb ik ook geen moorden op mijn geweten, zooals jij. Maar dat moet je maar voor jezelf verantwoorden”.

„Dat zal ik ook, Raffles!”

„Luister nu eens, Warren. Ik ben hier gekomen om met je te onderhandelen. Ik wil je iets verkoopen.”

„Wat dan?”

„Je papieren”.

„Die je mij ontstolen hebt!” schreeuwde de inbreker.

„Noem het, zooals je wilt, Warren. Er zijn misdaden, die heel wat erger zijn”.

„En wat verlang je voor die papieren?”

„Tien millioen francs!”

„Tien millioen francs? Je bent gek!”

„Niet zoo gek als jij, als je weigert die som te betalen”.

„Hoe zoo?”

„Omdat je dan alles verliest! En ik denk, dat je nog heel wat meer bezit. Want je waart al een rijk man, voordat je den jongen lord Montefiore hebt uitgeplunderd”.

„Hoe weet je dat?”

„Hij heeft het me zelf verteld!”

„Ken je hem dan?”

„Zeker. Ik heb hem ontmoet, toen hij op het punt stond, zich op te hangen aan een der hooge palmen van het park, omdat jij hem geruïneerd hadt”.

De valsche speler zweeg een oogenblik. Toen sprak hij:

„Goed, Raffles. Ik ben in je macht, en ik ben dus bereid, je papieren te koopen. Maar dan moet je ook een menschelijken prijs vragen”.

„Ik vraag den prijs, dien je lord Montefiore hebt ontstolen met valsch spel.”

„Montefiore is een uil! Hij verdient niet anders.

„Dat kan wel zijn. Maar hij is een goede, eerlijke jongen. En jij houdt nog een aardig sommetje over, als je die tien millioen hebt terugbetaald. Sla je toe?”

Warren beet zich op de lippen.

„En als ik het niet doe?” siste hij.

„Wees niet gek,” vermaande hem Raffles, „en bedenk, dat het voor je eigen bestwil is. Als jij de tien millioen betaalt, krijg je de papieren terug, en anders stuur ik je bediende met al de paperassen naar de politie. Stel je eens voor, Willy, wat zouden die heeren ginds een pret hebben, als ze je hier in die kast zagen zitten.”

De gevangene rilde.

Inderdaad! De zaak stond zóó en niet anders. En Raffles gedroeg zich waarachtig nog fatsoenlijk. Want hij vroeg niets voor zichzelf, en alles voor den jongen lord.

„Waar zijn de papieren?” vroeg Warren op een heeschen toon. „Heb je ze bij je?”

„Wat denk je nu van mij? Neen, Warren, ik heb ze goed bewaard!”

„En wanneer krijg ik ze terug?”

„Zoo spoedig als de tien millioen in mijn bezit zijn.”

„’t Is goed!”

„Dus je neemt het aan?”

„Ja.”

„Schrijf dan dadelijk den wissel, want ik vertrouw je precies zoo ver als ik je zie. Ik zal nu de kast open [29]maken en je er uitlaten. Maar pas op, dat je geen rare dingen gaat doen, want dan ben je er geweest.”

„Ik weet, dat ik in je macht ben, Raffles. Als ik van mijn kant er maar zeker van ben, dat ik de papieren terug krijg.”

„Je kunt me volkomen vertrouwen, Warren.”

En Warren gaf het bewijs, dat hij den grooten onbekende volkomen vertrouwde, door een cheque uit te schrijven van tien millioen francs.

John Raffles nam glimlachend het papier in ontvangst, en stak het bij zich.

In hetzelfde oogenblik dreunden slagen tegen de buitendeur. „In naam der wet, doe open! Het huis is omsingeld. Wee dengene, die zich verzet!” [30]