[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

VORST OF OPLICHTER?

Dien avond brachten Raffles en Brand in hun hotel door; zij pakten hun effecten en koffers om den volgenden morgen naar Cannes te vertrekken, een havenplaatsje in de buurt van Nizza, dat zich in den loop der jaren heeft ontwikkeld tot een badplaats van den eersten rang aan de Riviera.

Rijkaards van alle nationaliteiten hebben hier hunne villa’s, die zijn ingericht met verfijnde weelde en wier tuinen, waarin een tropische plantengroei zich heeft ontwikkeld, het heerlijkste uitzicht bieden op de eeuwig blauwe, eeuwig schoone Middellandsche Zee.

Maar ook heel wat geruïneerde personen, die alles hebben geofferd aan den speelduivel te Monte Carlo, hebben zich hier gevestigd; lieden die thans leven van valsch spel en bedrog; heeren, die zich voordoen als edellieden, die den titel aannemen van vorst, markies, baron, of graaf, en die achter het masker van den aristocraat hun slag slaan en op hun beurt vele slachtoffers maken.

Na het diner zat Raffles met Brand op het terras van het hotel, terwijl hij blauwe rookwolkjes in de lucht blies.

„Heb je eenig vermoeden, Charly, wie die zoogenaamde vorst Alex Grigoriew is?”

„Hoe zou ik dat weten!” antwoordde de secretaris op verbaasden toon, „ik heb dien man nooit gezien en in mijn heele leven nog nooit een Russischen vorst ontmoet!”

Raffles lachte luidkeels.

Toen boog hij zich voorover en fluisterde:

„Die Alex Grigoriew is net zoo min een vorst als jij en ik!”

Brand keek verbaasd en lord Edward had schik over [10]de verwonderde gelaatsuitdrukking van zijn vriend.

Hij vervolgde:

„Alex Grigoriew heet net zoo min Alex Grigoriew als hij een Rus is.”

„Weet je dat zeker?”

„Ik wil om alles wedden.”

„Maar je kent hem niet, je hebt hem nooit gezien, je hebt zelfs geen nauwkeurige beschrijving van hem!”

„Dat heb ik ook allemaal niet noodig,” sprak de Groote Onbekende op koelbloedigen toon. „Wat de jonge lord ons van hem verteld heeft, is voldoende om hem te herkennen!”

„Maar hij heeft ons niets zekers van hem verteld, niets dan vage aanduidingen!”

„Die echter voldoende zijn om zijn persoonlijkheid vast te stellen!”

„En wie is dan die geheimzinnige vorst Alex Grigoriew?”

„Een landsman van ons.”

„Geen Rus?”

„Neen, een Engelschman, een echte Londenaar!”

„Wat je zegt! Maar dat is niet mogelijk!”

„Het is niet alleen mogelijk, maar het is een feit! De man staat ons heel na!”

„Hoezoo?”

„Omdat hij een collega van ons is!”

„Een collega? Zijn wij misschien valsche spelers en oplichters?”

„Valsche spelers zijn wij in geen geval. Maar de man is ook inbreker en dief.”

„Vorst Grigoriew?”

„Ik heb je toch gezegd dat hij geen vorst is en geen Grigoriew heet”.

„Maar alle duivels, wat is hij dan, vertel op als je zijn naam kent; ik brand van nieuwsgierigheid!”

„Dat moet je je afwennen, Charly! Je bent in de laatste tijden echt zenuwachtig geworden en dat is niet goed voor iemand, die mijn vriend en secretaris is. Kalmte en koelbloedigheid zijn eerste vereischten in ons vak en je komt niet heel ver met zoo’n kwikzilveren natuur als jij hebt!”

Brand, nog onrustiger geworden door deze woorden, wou opstuiven maar hij bedwong zich nog ter juister tijd.

Hij slikte een heele boel nieuwsgierige en opgewonden woorden naar binnen en trok zoo’n onnoozel gezicht, alsof de meest brandende vragen zijn gemoed niet beroerden.

Zou die zoogenaamde Alex Grigoriew zulk een geraffineerde schurk zijn als Raffles hem voorstelde?

Lord Lister zat nog steeds kringetjes in de lucht te blazen en deed, alsof hij niet de minste notitie nam van zijn vriend Brand.

Maar intusschen had hij dezen met scherpen blik gadegeslagen en hij was volkomen op de hoogte van diens gedachten en gevoelens.

„Nu ben ik tevreden, Charly”, sprak hij glimlachend. „Als het er werkelijk op aan komt dan kan je, zoo als ik zie, je nieuwsgierigheid goed bedwingen.

„Dat moet beloond worden en ik zal je vertellen wie die Grigoriew is.

„Deze zoogenaamde Russische vorst is inderdaad niemand anders dan de Londensche dief, wisselvervalscher, inbreker en moordenaar Willy Warren, die, om zijn bekende voorliefde voor diamanten gewoonweg „Diamanten-Bill wordt genoemd.”

„Diamanten-Bill?” stotterde Brand verbaasd.

„Niemand anders”, antwoordde Raffles, terwijl hij de asch van zijn sigaret klopte.

„Dat is onmogelijk!” stiet Brand uit.

„Waarom?”

„Omdat hij indertijd, toen hij door de Londensche politie op zijn vlucht van Dover naar Calais zou worden gearresteerd, in het Kanaal over boord sprong en verdronk.”

„En hebt gij dat kindersprookje geloofd?”

„Iedereen heeft het geloofd. Scotland Yard heeft het destijds overal genoeg rond gebazuind.”

Raffles glimlachte.

„Scotland Yard,” sprak hij op ironischen toon. „De [11]Engelsche politie had er wel redenen voor, om dat praatje de wereld in te strooien, toen de handige kerel haar onder de handen wegglipte.”

„Je gelooft dus niet, dat hij verdronken is?”

„Neen Charly. De slimme vos heeft de beambten van Scotland Yard allemaal om den tuin geleid en ze zijn er leelijk ingevlogen!”

„Ik begrijp je niet.”

„Wel, „Diamanten-Bill” heeft eenvoudig een aardappelzak in zee gegooid, dien men op het dek zwaar hoorde neerplompen. Hij zelf is, zonder dat hij een enkelen droppel water had binnengekregen, naar het ruim geklauterd en daar heeft hij zich in een oude kist zoolang verborgen, totdat de lucht zuiver was. In Calais is hij doodkalm aan land gegaan, stoomde naar Parijs en Monte-Carlo en nam hier zijn intrek als Russisch grootvorst. Hij zal uit Londen wel genoeg diamanten hebben meegebracht om hier den noodigen eerbied in te boezemen!”

„Als Bill Warren alles zoo heeft uitgevoerd, als jij beweert, Edward, dan moet hij wel een geniale kerel in zijn vak zijn,” antwoordde de secretaris vol bewondering.

„Hm! Ik heb zijn verdiensten nooit onderschat. „Diamanten-Bill” is altijd de eenige geweest, met wien ik mijn krachten gaarne eens zou hebben gemeten en ik verheug mij er over, dat die gelegenheid zich nu voordoet!”

„Je zult hem licht de baas worden, daar ben ik van overtuigd,” antwoordde Brand in oprechte bewondering voor zijn vriend. „Maar toch spijt het mij, dat je je met dezen inbreker op denzelfden voet plaatst!”

„Hoedat?”

„Wel, omdat „Diamanten-Bill” niets anders is dan een gemeene dief.”

„En wat ben ik dan?”

„Jij bent een misdadiger uit eerzucht, om je kracht, je behendigheid en je moed te toonen. Jij pleegt diefstallen en inbraken, zooals je de een of andere sport zoudt beoefenen. Tot een schurkenstreek ben je niet in staat. Integendeel. Je straft de schurken en beloont hen, die onschuldig lijden. Je hebt al heel wat ongelukkigen voor den hongerdood bewaard!”

„Toegegeven, Charly, al overdrijf je ook een klein beetje. Maar de wet maakt niet het onderscheid dat jij maakt. Voor de politie is een dief een dief, een inbreker een inbreker! Wat denk je wel, dat de justitie met mij zou doen, als het den mannen van Scotland Yard gelukte mij te pakken?”

„Dat zal hen niet gelukken!”

„We zullen het afwachten. Maar laat ons nu gaan, want ik heb morgen een vermoeienden dag!”

„Ik weet het, je moet morgen de schuldbekentenis uit de handen van „Diamanten-Bill” zien te krijgen!”

„Dat komt vandaag nog in orde, dat zaakje maak ik schriftelijk af.

„Kom, laat ons naar de leeszaal gaan. Binnen vijf minuten is de heele boel voor elkaar!”

Brand schudde ongeloofelijk het hoofd en volgde zijn vriend naar de prachtig ingerichte leeszaal op de eerste verdieping van het hotel.

De lord ging aan een groen bekleede tafel zitten, nam een velletje papier met het hoofd van de firma, die het hotel exploiteerde en schreef de volgende regels:

Beste mr. Warren!

Je hebt een groote domheid begaan, door je een schuldbekentenis te laten teekenen door den jongen lord Montefiore. Het bezit van zoo’n papier is gevaarlijk.

Daar je den nuchteren jongen tot op z’n hemd geplunderd hebt, kan die bekentenis voor jou geen waarde hebben, want de lord bezit geen centime meer, terwijl zijn eergevoel hem zoover heeft gebracht, dat hij zich van het leven heeft willen berooven.

Zijn dood zou echter ongewenscht opzien baren en „Diamanten-Bill” geheel onnoodig de politie op het dak sturen. Dan is het natuurlijk uit met je „vorst”-schap en je mooie villa te Cannes zou, evenals al je diamanten, in beslag worden genomen.

Als oprecht vriend en collega geef ik je daarom den goeden raad, het voor jou waardelooze papier door te scheuren en het zoodra mogelijk met een paar beleefde woorden aan den lord te [12]zenden. Hij heeft er geen flauw vermoeden van, dat de voorname Russische vorst Alex Grigoriew niemand anders is dan „Diamanten-Bill”, die voor de heele wereld is verdronken in het Engelsche kanaal, toen de beambten van Scotland Yard hem op de stoomboot tusschen Dover en Calais wilden arresteeren.

Je blijft dan voor hem en de heele wereld de edelmoedige vorst, zooals je je noemt, tot groot vermaak van je vriend en collega

JOHN C. RAFFLES”.

Met klimmende verbazing had Brand deze regels op het papier zien zetten.

„Denk je, dat dit briefje de gewenschte uitwerking zal hebben?” vroeg Raffles den secretaris.

„Natuurlijk! „Diamanten-Bill” is veel te verstandig om een goeden raad in den wind te slaan.”

„Dat denk ik ook,” sprak Raffles.

Hij sloot den brief en adresseerde hem:

Aan Zijne Doorluchtigheid
Vorst ALEX. GRIGORIEW
Cannes (Zee-Alpen.)

„Kellner, plak een postzegel op dezen brief en laat hem dan dadelijk op de bus gooien.”

„Uitstekend, lord!”

De kellner stoof weg met het schrijven.

Hij had niet het flauwste vermoeden welke wonderlijke correspondentie hij in de hand had.

Raffles en Brand gingen naar hun kamers om den volgenden morgen vroeg naar Cannes te reizen.