[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

IN HET VIJANDELIJKE KAMP.

John Raffles zat allang in de kast, toen Brand met de werklui kwam.

De mannen verbaasden zich over de geweldige zwaarte van het meubel. Maar Charly beloofde een extra-fooi en toen hield het gemopper al heel gauw op.

Maar Charly zelf liep op vuur.

Hij zat in duizend vreezen, dat Raffles zich op de een of andere onverwachte manier zou verraden.

Maar alles ging uitstekend en de kast werd met vereende krachten op de plaats neergezet, waar vorst Grigoriew haar verlangde.

Deze, die niets om handen had, begon nu al heel gauw zijn papieren in orde te maken en te rangschikken in het nieuwe meubel.

Hij had er natuurlijk niet het flauwste vermoeden van, dat een vijand in zoo onmiddellijke nabijheid vertoefde.

Voor Raffles was de positie inderdaad hachelijk.

Een hoest- of niesbui zou hem hebben verraden.

De tijd verstreek voor hem in de grootste verveling.

Grigoriew had langen tijd werk met zijn papieren.

Daarna ging hij een wandeling maken en tegen middernacht kwam hij terug.

Al dien tijd bleef Raffles in zijn schuilhoek.

Eerst toen de vorst naar bed was gegaan, kwam hij te voorschijn.

Hij had intusschen rondgespied.

Bill Warren’s slaapkamer was vlak bij de zitkamer. Maar de slaapkamer werd des nachts zorgvuldig gesloten en daarin juist bevond zich de groote ijzeren brandkast van den vorst.

Daarin zou zeer zeker de geheele bezitting van den oplichter verborgen zijn.

Maar de compromitteerende papieren zou de schurk zeker niet in die brandkast verbergen.

Dat was lang niet veilig genoeg.

Hier, in de zit- en studeerkamer was zeker wel zoo’n geheime schuilplaats te vinden en de onschuldige schrijftafel zou veel eerder zoo’n geheime bergplaats in zich sluiten.

Raffles snuffelde rond, langen tijd.

Maar hij vond niets.

Nadat hij de schrijftafel zorgvuldig doorzocht had, zocht hij onder het tapijt, achter de schilderijen, in den haard, achter den spiegel, onder de zittingen der stoelen.

Nog niets.

Maar hij gaf het zoeken niet op.

Toen, plotseling, viel zijn blik op de groote pendule.

Dit prachtige bronzen uurwerk was juist het ding, dat Raffles zocht.

Hij ging er heen en belichtte haar eerst zorgvuldig aan alle kanten met zijn electrische zaklantaarn.

Juist!

Daar zag hij een heel klein schelletje, bijna onzichtbaar aangebracht, maar toch ontdekt door de Argusoogen van den meester-dief.

Als de klok werd weggenomen, ging het schelletje luiden, dat zeker in de slaapkamer van den oplichter alarm zou slaan.

Raffles glimlachte zegevierend.

Hij sneed den electrischen draad van het schelletje met zijn werktuigen door.

Ziezoo!

Nu kon hij de pendule zonder gevaar verzetten.

Hoera!!

Hij had gevonden wat hij zocht, daar waren de papieren. Een bevel tot inhechtenisneming, een pas, een photographie, door de politie afgestempeld, en andere dingen, die de identiteit van den inbreker Willy Warren volkomen aanduidden.

Er waren ook een paar minnebrieven uit vroeger tijd en het portret van een beruchte vrouw uit Londen.

Dat was een goede vondst voor Raffles.

Vlug borg hij alles bij zich. [23]

Toen zette hij de pendule weer op haar plaats.

Raffles had nu, wat hij noodig had.

Maar nu deed zich een omstandigheid voor, waarop hij niet had gerekend.

Hij kon de kamer niet uit.

De jaloezieën voor de vensters waren stevig gesloten, evenals de deuren.

Raffles zou natuurlijk wel kans hebben gezien om naar buiten te komen, maar het was hem er om te doen om geen enkel spoor na te laten.

Zoo bleef hem niets anders over dan weer in de kast te gaan.

Het begon al te schemeren, want er was heel wat tijd heengegaan met het zoeken naar de papieren.

De groote onbekende bracht een tijd door, die tot de onaangenaamste herinneringen van zijn leven bleef behooren en waaraan hij later steeds met rilling terugdacht.

Alex Grigoriew kwam in den morgen in het kleine salon, waar hij zijn thee dronk en een uitgebreide correspondentie beantwoordde.

Het was afschuwelijk weer.

De valsche speler ging dus niet uit en bleef urenlang in de zitkamer.

Als hij haar eens verliet, was het slechts voor een enkel oogenblik.

Al dien tijd zat Raffles in de kast.

Het was donker om hem heen.

Hij had eten noch drinken tot zich kunnen nemen en zijn geliefkoosde sigaret miste hij nog het ergst.

Hij moest zich echter doodstil houden en nauwelijks durfde hij ademhalen in een atmosfeer, die bezwangerd was met hout- en terpentijnlucht.

De vorst morrelde intusschen voortdurend in de vakjes en laden der kast.

Elk oogenblik kon een ontdekking volgen en dan was Raffles aan zijn vijand overgeleverd, want hij had bemerkt, dat „Diamanten-Bill” juist een stoel had geschoven voor dien kant van de kast, waarlangs Raffles zou kunnen vluchten.

En op den stoel stond een heele stapel boeken.

Raffles zat dus in de knip en durfde zich derhalve niet verroeren.

De dag viel hem eindeloos lang, het was voor hem een hel op aarde.

En Charly, dacht Raffles.

Als Charly in zijn overgroote ijver en uit bezorgdheid voor zijn vriend maar geen dwaze dingen ging doen.

Als Charly maar niet alles bedierf.

Raffles leed geweldig.

Eindelijk—eindelijk viel de avond.

Uit het gesprek van den vorst met zijn bediende had Raffles gehoord, dat het weer beter was en dat de vorst wilde uitgaan.

Grigoriew maakte groot toilet, waarschijnlijk had hij aangename afspraken.

Raffles haalde verruimd adem.

Toen alles stil was geworden, opende de meesterdief de deur van zijn gevangenis; de stoel was door een bediende ter zijde gezet.

Door het venster sprong hij nu in den tuin, wat hem zonder eenige moeite gelukte.

Toen klom hij, handig, als een kat, over het hooge hek en ijlde naar zijn hotel.

Brand was er niet!

Waar ter wereld zou die nu weer zitten? Het hotelpersoneel wist te vertellen, dat hij door een heer was afgehaald.

Door een heer?

Wie kon dat zijn?

Brand had hier geen kennissen.

Was het misschien de jonge lord Montefiore? Maar de beschrijving, door den ober gegeven, kwam met diens persoonlijkheid allerminst overeen.

Raffles at stevig en dronk een verkwikkend glas wijn.

Toen wachtte hij op de terugkomst van zijn vriend.

Charly kwam echter niet zoo gauw terug en Raffles, door vermoeienis overmand, ging naar bed.

Maar toen hij den volgenden morgen opstond, was Brand nog altijd niet op het appèl verschenen. [24]