[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Canny in een nieuwe rol.

Raffles zou niet lang behoeven te wachten, alvorens zijn nieuwsgierigheid voldaan zou worden.

De oude heer met het witte haar had een kelner gewenkt, en een oogenblik later stonden er een paar schotels en een bord voor het jonge meisje, dat haastig, maar blijkbaar zeer verlegen begon te eten, terwijl haar beschermer glimlachend toekeek.

Charly volgde aandachtig haar bewegingen, en zeide na eenigen tijd:

„Als zij het is, Edward, dan speelt zij haar rol in ieder geval voortreffelijk. Zij ziet er juist uit als zoo’n onschuldig, verlegen verschoppelingetje, dat thuis meer slaag dan eten krijgt, en dat nog nooit in zulk een deftig hotel als dit geweest is. Hoe het zij, zij is toch werkelijk bijzonder mooi.”

„Dat is een ratelslang in haar soort ook, Charly. En zie eens naar den tijger. Een en al sierlijkheid, kracht en gratie, er is bijna geen schooner dier ter wereld. Maar de slang zoowel als de tijger zijn gevaarlijk, en men doet het best, hen te bestrijden, waar men hen ontmoet.”

Het jonge meisje had nu en dan schichtig rondgekeken, en haar oogen waren ook een paar maal afgedwaald in de richting van Raffles en Charly, maar zij herkende hen niet, dat was duidelijk.

Na eenigen tijd had zij den maaltijd beëindigd, en zij scheen nu den ouden heer verlegen met een paar woorden te bedanken, die haar goedig toeknikte, op zijn horloge keek en opnieuw den kelner wenkte.

De man trad naderbij, de oude heer sprak eenige woorden tot hem, het meisje stond op, scheen de hand van den grijsaard te willen kussen, hetgeen deze haastig belette, en verliet daarop met den kelner de conversatiezaal en menige blik keek het fraaie, lenige figuurtje van het meisje na.

Dat deden ook Charly Brand en Raffles, maar zij waren met eenigszins andere gevoelens bezield als de heeren, die zoo vol bewondering hun oog op het fraaie figuurtje hadden laten rusten.

De grijsaard had een rumgrog besteld, en dronk er met langzame teugjes van, terwijl hij nu en dan in gedachten verzonken, meewarig het hoofd schudde.

Toen de kelner de schalen en het bord weder had weggenomen, de oude heer moest wel zeer rijk zijn, en goede fooien geven, want in de conversatiezaal werd nooit gegeten, gaf Raffles Charly Brand een wenk, en zeide zacht:

„Ga mee, wij zullen dien ouden man eens trachten uit te hooren.”

„Hij ziet er nog al goedig uit.”

„Om niet te zeggen een weinig onnoozel, Charly,” merkte Raffles op.

De beide vrienden waren opgestaan, en richtten langzaam hun schreden naar de sofa, waarop de grijsaard gezeten was, die hun nadering niet eens scheen op te merken.

Pas toen Raffles en Charly aan den anderen kant van het kleine tafeltje stonden, keek hij op, verschoof zenuwachtig zijn gouden bril, en Raffles keek in een paar klare, kinderlijke blauwe oogen, met den goedigen blik van een volkomen evenwichtig mensch.

De oude heer had een fijn, wat bleek gelaat met een hoog voorhoofd, het gelaat van den geleerde of van den kunstenaar.

„Een oudheidkenner, een Egyptoloog waarschijnlijk,” mompelde Raffles in zichzelf.

Toen boog hij hoffelijk voor den ouden heer, en [7]zeide op zachten toon, opdat men hem aan de naburige tafeltjes niet zou verstaan:

„Ik vraag u verschooning mijnheer, en om verlof mijzelf en dezen heer aan u voor te stellen. Ik ben graaf Crasham en dit is mijn secretaris, Oliver Brown.”

„Heel aangenaam, heel aangenaam, heeren,” hernam de oude heer, terwijl hij halverwege opstond, en Raffles een fijne, witte hand toestak, terwijl hij voor Charly Brandy een buiging maakte. „Mijn naam is Jerome Daring, uit Saint Louis. Mag ik weten …?”

„Dat zult gij aanstonds hooren, mijnheer Daring,” antwoordde Raffles glimlachend. „Wilt gij ons toestaan om even plaats te nemen? Wat wij u te zeggen of liever te vragen hebben is van tamelijk groot gewicht.”

„Maar dat spreekt toch vanzelf, mijne heeren,” riep de grijsaard haastig uit. „Neem plaats wat ik u verzoeken mag.”

Charly en Raffles gingen zitten.

Om hen heen begonnen de bezoekers van de conversatiezaal reeds in aantal te minderen.

Het was omstreeks half elf in den avond.

Raffles keek nog eenige oogenblikken zwijgend naar het gelaat van den ouden heer, dat eenige verbaasde afwachting vertoonde, en hernam toen:

„Ik zou voor alles ter wereld niet willen, mijnheer Daring, dat gij mij voor een onbescheiden man zoudt houden, die zich mengt in de aangelegenheden van personen, die hem nog weinige minuten geleden geheel vreemd waren.”

„Gij maakt mij werkelijk nieuwsgierig, mijnheer,” zeide Jerome Daring verwonderd. „Wat kunt gij mij toch wel te zeggen hebben?”

„Gij zult het aanstonds vernemen, laat mij beginnen met u een vraag te stellen.”

„Ik luister, mijnheer.”

„Wilt gij mij zeggen, wie het jonge meisje was, die zooeven hier in uw gezelschap een klein souper heeft gebruikt?”

„Als gij haar naam wilt weten, dan kan ik u dien mededeelen, mijnheer, maar voor het overige is mij nog slechts zeer weinig van het ongelukkige meisje bekend.”

„Ei zoo? En hoe luidt haar naam?”

„Zij heet Margret Jefferson,” antwoordde Daring. „Zoudt gij haar soms kennen?”

„Dat geloof ik haast wel, mijnheer Daring, al is het dan juist niet onder dien naam.”

„Niet onder dien naam!” herhaalde Daring, wiens verbazing toenam. „Wat wilt gij daar in ’s hemelsnaam mede zeggen?”

„Gij zult spoedig genoeg de bedoeling van mijn opmerking begrijpen, mijnheer Daring,” hernam Raffles. „Hebt gij er niets op tegen om ons mede te deelen, op welke wijze en sedert wanneer gij met.. Margret Jefferson in kennis zijt gekomen?”

„Ik moet bekennen, mijnheer, dat uw vragen mij wel eenigszins verrassen,” hernam de oude man, terwijl zijn fijn geteekende wenkbrauwen zich lichtelijk fronsten, „maar ik neem aan dat gij een bepaalde reden hebt om ze mij te stellen, en ik behoef er ook volstrekt geen geheim van te maken. Ik ken het jonge meisje pas sedert eenige uren, en ik maakte kennis met haar vlak voor het Olympic Theater, waar ik de voorstelling had willen bijwonen. Maar ik wil het u gaarne vertellen, de ernst van uw gelaat, en de aard van uw vragen boezemen mij eenige ongerustheid in. Toch kan ik mij volstrekt niet voorstellen, wat ik mij wel te verwijten zou hebben.”

„Van u is in het geheel geen sprake, mijnheer Daring,” hernam Raffles glimlachend, en met een blik in de lichtblauwe, eerlijke oogen van den man die tegenover hem zat.

„Nu dan, ik ben hier met mijn eigen auto sedert een week, om deel te nemen aan het Internationale Congres van Asyrologen, dat nog tot morgen zal duren. Om u de waarheid te zeggen, ben ik geen oprecht congresganger, maar er werden eenige onderwerpen behandeld, waarin ik juist bijzonder veel belang stel.”

„Dan heb ik dus de eer en het voorrecht, te spreken met den befaamden oudheidkenner Daring?” riep Raffles uit. „Laat mij u dan zeggen, professor, dat uw roem tot—tot zeer ver is doorgedrongen.”

Daring keek zoo verlegen als een schooljongen, die ten aanhoore van de geheele klasse geprezen wordt, en mompelde:

„Ik ben blij het te vernemen, mijnheer, toch ben ik maar een bescheiden werker, half en half een amateur. Gelukkig ben ik zeer rijk, en het is misschien verkeerd, maar een zeer groot gedeelte van mijn fortuin heb ik besteed, en besteed ik nog altijd aan onderzoekingen van de Asyrische oudheid.” [8]

„Men kan zijn geld wel op slechtere wijze besteden, professor Daring,” gaf Raffles te kennen.

„Ik zelf leef tamelijk bescheiden, en ik gebruik slechts mijn auto, omdat het mij heel wat goedkooper uitkomt, bij het doel van mijn talrijke reizen, wanneer ik naar allerlei steden trek, om daar de gemeentelijke bibliotheken en particuliere verzamelingen te gaan bestudeeren. Maar laat ik thans mijn verhaal vervolgen.”

Daring trok weer eenige malen zenuwachtig aan zijn gouden bril, plukte aan zijn spitsen, witten baard, en hernam:

„Mijn chauffeur Buster, die allang in mijn dienst is, had mij dus met mijn eigen auto naar het Olympic Theater gebracht. Laat ik u zeggen, dat ik in dit hotel logeer. Ik was juist uitgestegen, en zeide iets tegen Buster, toen ik een kleine hand op mijn arm voelde. Ik keek verbaasd om, en zag een zeer bleek meisje, een kind nog bijna, dat blijkbaar op het punt stond in zwijm te vallen, en steun bij mij scheen te hebben gezocht. En voor ik haar kon grijpen, was zij langs mij neer gegleden, en viel languit op straat.

Ik bukte mij over haar heen, door medelijden aangegrepen, en dadelijk verzamelden zich eenige nieuwsgierigen om ons heen. En hier en daar hoorde ik de opmerking maken: „Van honger flauw gevallen.”

Het scheelde weinig, of de oude professor had tranen in de oogen gekregen bij de herdenking van het droevige geval.

Hij speelde met het lepeltje in zijn half geledigd glas grog, en hernam:

„Ik aarzelde geen oogenblik, maar besloot dadelijk, mij over het arme schepseltje te ontfermen, dat ellendig gekleed was, veel te dun voor den tijd van het jaar. Ik beval Buster haar voorzichtig in de auto te zetten, en gaf er de voorstelling aan, teneinde mij met mijn kleine beschermelinge te kunnen bemoeien. Tijdens den rit trachtte ik met alle middelen, het arme kind weder tot bewustzijn te brengen. Ik had gelukkig wat eau de cologne bij mij, waarvan ik wat op mijn zakdoek uitstortte, en hiermede bette ik haar slapen. Na ongeveer vijf minuten sloeg zij de oogen weder op, en keek verwilderd om zich heen. En weet gij wat het eerste woord was wat zij sprak, mijnheer?”

„Moeder, waar ben ik?” antwoordde Raffles, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken.

De oude professor gaf een woesten ruk aan zijn bril, zoodat hij hem bijna van zijn neus getrokken had, en kwam op boozen toon:

„Hoe komt gij daarbij, mijnheer? Gij houdt mij toch niet voor den gek? Waarom denkt gij dat zij zooiets geroepen zou hebben?”

„O, in alle comediestukken wordt dat steeds door de heldin onder dergelijke omstandigheden uitgeroepen, professor,” antwoordde Raffles kalm.

„Maar mijnheer, die vergelijking gaat toch mank,” riep Daring verontwaardigd uit. „Hoe kunt gij een tooneelspeelster op één lijn stellen met dat beklagenswaardige, verlaten schepseltje?”

„Misschien blijkt dat naderhand wel, professor. Laat ons ter zake komen. Wat riep zij dan wel?”

„Honger! Dat riep zij, mijnheer, is het niet vreeselijk?”

„Het zou inderdaad zeer erg geweest zijn, professor, als die uitroep oprecht gemeend was.”

„Twijfelt gij daar dan aan?” riep de oude professor kwaad uit. „Zijt gij een menschenhater? Wantrouwt gij iedereen? Kunt gij alleen het slechte en het verkeerde in de menschen zien?”

„Ik erken, professor, dat een langjarige ervaring mij niet bepaald tot een optimist heeft gemaakt,” antwoordde Raffles ernstig. „Maar ga eerst door wat ik u verzoeken mag, dadelijk zal u wel blijken waarom ik die opmerking maakte.”

„De uitroep van het arme kind trof mij diep, mijnheer, en ik stelde haar dadelijk eenige vragen. Ik kon mij volstrekt niet begrijpen, dat zulk een bevallig jong meisje door haar ouders zoo slecht werd behandeld. Maar toen ik naar hen vroeg, moest zij mij antwoorden, dat zij nog slechts een stiefvader had, die haar bitter slecht behandelde, haar liet bedelen, ja, haar daarvoor van de school had genomen, en haar erbarmelijk sloeg. Zij liet mij als bewijs daarvan blauwe plekken zien boven haar pols, het arme kind.”

„Aan den linkerpols?” vroeg Raffles op levendigen toon.

„Zoo is het, mijnheer,” antwoordde Daring verbaasd. „Waarom vraagt gij dat?”

„Omdat ik weet, professor, wie haar die blauwe plekken heeft bezorgd, maar ik verzeker u op mijn woord als gentleman, dat het niet haar stiefvader [9]was. Gij ziet mij verbaasd en verschrikt aan, en dat kan ik mij zeer goed begrijpen. Maar beëindig eerst uw verhaal, wat ik u verzoeken mag.”

„Wel, mijnheer, er valt weinig meer aan toe te voegen,” hernam de oude geleerde. „Zij hing mij een droevig verhaal op van haar bestaan, zij snikte en zij zwoer, dat zij tot geen enkelen prijs weder naar den ellendeling wilde terug keeren, die haar iederen dag sloeg, bij wien zij honger leed, en die zelfs eenmaal getracht had, de nietswaardige schurk, zijn stiefdochter, een kind van nog geen vijftien jaren, geweld aan te doen. Haar verhaal maakte diepen indruk op mij, en ik vroeg mij af, wat nu mijn plicht was. Lang behoefde ik niet met mijzelf te rade te gaan, ik begreep, dat ik slechts een ding kon doen, dat meisje tot mij nemen, en te trachten, haar eenmaal begonnen opvoeding, die zij aan haar lieve moeder te danken had, te voltooien.”

„En zij nam het aanbod dankbaar aan?”

„Dat kunt gij u wel voorstellen,” riep Daring uit. „Zij barstte in snikken uit, en zeide, dat zij het mij later zou vergelden.”

„O, dat zal zij ook wel doen, maar op eenigszins andere wijze, professor, dan gij u voorstelt,” kwam Raffles sarcastisch. „En dus slaapt het lieve kind hedennacht in dit hotel, en morgen, na de beëindiging van het congres voert gij haar naar Saint Louis?”

„Ja, mijnheer, dat is mijn voornemen.”

„Mag ik vragen of gij getrouwd zijt?”

„Ja, mijnheer, met de beste vrouw ter wereld, die zonder eenigen twijfel aanstonds zal goedkeuren, wat ik deed.”

Raffles leunde eenigen tijd in zijn stoel achterover, en keek den ouden geleerde aandachtig aan.

Een warm gevoel van diep medelijden met dezen kinderlijken geleerde, dezen naïeven onbekende met het werkelijke leven, steeg in hem op.

En toch begreep hij, dat hij geen oogenblik mocht aarzelen, om Daring van zijn waan te genezen.

Deed hij het niet, dan viel er niet aan te twijfelen of er hing hem een groot ongeluk boven het hoofd.

En als dat ongeluk eenmaal geschied was, zou de oude man immers toch en dan zeer plotseling vernemen, naar wie hij de beschermende hand had uitgestoken.

En zoo begon hij op zachten toon:

„Mag ik u vragen, professor, of gij iets dergelijks wel eens meer gedaan hebt?”

„Eenige keeren, ja, inderdaad,” antwoordde de geleerde aarzelend.

„En zeg mij eens eerlijk, heeft u dat nimmer berouwd?”

„Een enkelen keer bleek ik met een ondankbare te doen te hebben gehad, mijnheer, maar alle uitzonderingen bevestigen immers den regel. De anderen hebben het voor hem dubbel en dwars goed gemaakt. En zeg mij nu toch eens eindelijk, waarom gij mij dit alles hebt gevraagd?”

„Dat zal ik u zeggen, professor,” antwoordde Raffles. „Gij leest natuurlijk de bladen?”

„Vluchtig, mijnheer, heel vluchtig. Bijna uitsluitend politieke en wetenschappelijke berichten.”

Raffles glimlachte.

Hoe had hij ook anders kunnen verwachten van dit groote kind, dat alleen maar belangstelling scheen te koesteren voor zijn geliefde wetenschap.

„Dan hebt gij zeker nooit gelezen van het „Meisje met de Madonna-Oogen?”

Daring schoof zijn gouden bril weder eenige malen met zijn fijne witte vingers heen en weer, en keek Raffles aan of hij te doen had met een wezen uit een andere wereld.

Toen stotterde hij:

„Wat is dat voor een zonderlinge naam? Neen, mijnheer, daar heb ik nooit van gehoord. Wie is dat?”

„Dat is het meisje, professor, dat gij van de straat hebt opgeraapt, en dat hier zooeven gesoupeerd heeft,” antwoordde Raffles kortaf.

Daring keek hem met open mond aan, en vroeg toen:

„Is dat een bijnaam van haar?”

„Zoo is het inderdaad, professor,” antwoordde Raffles. „Als gij de bladen eens goed hadt nagelezen in de laatste maand, dan zoudt gij haar haam herhaaldelijk hebben aangetroffen.”

„Zij is dus algemeen bekend?” hernam de oude geleerde.

„Dat is zij, professor, vooral bij de politie. Zij is een van de gevaarlijkste, en tevens sluwste misdadigsters van New-York, misschien wel van geheel Amerika.”

Daring staarde Raffles sprakeloos aan.

Toen fronste hij opnieuw zijn wenkbrauwen, en zeide op scherpen toon:

„Gij vergist u, mijnheer, als gij denkt dat ik uw [10]zottepraat nog langer zou aanhooren. Meent gij, dat ik die lasterlijke aantijgingen geloof schenk? Een kind van nog geen vijftien jaar, zooals zij mij zelf gezegd heeft!”

„Ik ontken niet dat zij het gezegd heeft, professor, maar ik ontken dat zij inderdaad vijftien jaar is. Zij moet thans haar achttiende jaar reeds bereikt hebben.”

„Maar zij is een kind, mijnheer, een lief onschuldig kind,” riep Daring wanhopig uit.

„Neen, professor, zij is de minnares van een bandiet, en zij is een gevaarlijke comediante. Zij heeft u eenvoudig iets op de mouw gespeld.”

„Dus, haar ineenzinken voor mijn voeten zou slechts comedie zijn geweest,” riep de oude professor uit, terwijl zijn lippen begonnen te beven.

„Daaraan twijfel ik geen seconde. En de lieden die riepen, dat zij van honger was ineengezakt, waren in het complot. Maar stil, hier heb ik een avondblad van de „New-York Globe” in mijn zak. Lees dit eens met groote aandacht, professor. Het is wel is waar geen wetenschappelijk bericht, en evenmin is het politiek, maar ik ben er zeker van dat het u zal interesseeren.”

Raffles had onder het spreken het blad uit zijn zak gehaald, en stak het toen opgevouwen aan Daring toe, die een oogenblik scheen te aarzelen, maar het toen Raffles bijna uit de handen trok, en haastig het bericht begon te lezen, dat Raffles hem had aangewezen.

Het verhaal betrof het laatste avontuur van Raffles, hetwelk onzen lezers reeds bekend is, en waarbij Canny, de minnares van Black Pete, zulk een groote rol had vervuld.

Toen professor Daring het bericht gelezen had, van de eerste tot de laatste letter, legde hij de krant neder, zette met bevende vingers zijn bril af, begon de glazen schoon te poetsen, ofschoon er geen smetje op te bespeuren viel, zette het instrument weder op, en barstte toen uit:

„Ik moet bewijs hebben, bewijzen, verstaat gij. Ik laat mij niet alles wijsmaken. Gij kunt gemakkelijk zeggen, dat mijn kleine beschermelinge en dat misdadige schepsel een en dezelfde persoon zijn, maar met die mededeeling alleen behoef ik geen genoegen te nemen. Ik zeg u nog eens, dat ik bewijzen moet hebben.”

„Die zijn niet zoo heel gemakkelijk te leveren, professor,” antwoordde Raffles op zachten toon. „Het creatuur heeft haar blonde haren opgeofferd, ze kort afgeknipt, en ze geverfd. Maar als gij nog slechts enkele dagen wacht, zal zij zelf u een bewijs leveren, zoo afdoende, dat gij het u jaren lang zult heugen. Want ik zeg u, dat zij zich slechts bij u heeft ingedrongen om u te bestelen. Haar medeplichtigen hebben natuurlijk van u gehoord, zij weten dat gij zeer rijk zijt, en zijn van oordeel, dat een geleerde als gij, van wiens weldadigheid zij natuurlijk wel vernomen hebben, een uitstekend sujet is, om grondig te worden geplunderd. Zij hebben zeker in lang niet zulk een gewillig slachtoffer gehad, en gij kunt er zeker van zijn, dat geen hunner twijfelt of de zaak zal op rolletjes loopen.”

„En wilt gij mij nu eens zeggen, mijnheer, hoe gij wel tot de ontdekking zijt gekomen, dat mijn beschermelinge dezelfde persoon is, als.… die afschuwelijke misdadigster?” vroeg Daring, en er lag nu een heesche klank in zijn stem.

„Het antwoord kan zeer eenvoudig luiden, ik heb haar herkend, professor, ondanks het kunstje met heur haar. En wat de blauwe plekken op haar linker pols betreft, een van mijn eigen vrienden heeft die plekken veroorzaakt, toen hij wel genoodzaakt was, haar uit zelfbehoud wat onzacht aan te grijpen.”

Professor Daring had zwijgend toegeluisterd.

Hij was zeer bleek geworden en de woorden van Raffles schenen een diepen indruk op hem te hebben gemaakt.

Eensklaps hief hij het hoofd weder op en zeide op vasten toon:

„Als gij de waarheid hebt gezegd, mijnheer, of liever, daar ik hieraan niet wil twijfelen, als het blijkt, dat gij u niet hebt vergist, dan zal ik u toonen, dat ik toch niet de onnoozele hals ben, waarvoor men mij wellicht wel eens aanziet. Ik huiver bij de gedachte, dat ik dat schepsel in mijn huis had willen brengen. En om aan alle onzekerheid een einde te maken, zal ik eenvoudig de politie laten roepen. Is het kind inderdaad onschuldig en heeft zij met deze zaak niets uit staande, dan zal ik die noodlottige vergissing later dubbel en dwars aan haar goed maken. Heeft zij dat echter wel, en is zij degene voor wie gij haar houdt, dan wil ik geen medelijden toonen voor die ontaarde bedriegster, dan is haar lot spoedig bezegeld.”

„Als gij mijn raad wilt aannemen, professor,” [11]hernam Raffles, „dan nemen wij niet aanstonds de politie in den arm. Ik twijfel geen oogenblik, of een schrander detective zou spoedig genoeg ontdekt hebben wat voor vleesch hij in de kuip had, ondanks de zwarte verf. Maar het „Meisje met de Madonna-Oogen” treedt zeker niet voor eigen rekening op, zij moet medeplichtigen hebben, en het zou mij heel wat waard zijn, als de politie tevens de andere bandieten kon vangen.”

„Maar als gij gelijk hebt, mijnheer, dan durf ik dat meisje niet meenemen,” riep de professor uit. „Bedenk toch eens, dat ik een oud man ben, dat ik terugschrik voor alles wat gewelddadig is, en dat ik mijn lieve vrouw in geen geval mag blootstellen aan gelijksoortige gevaren, als hier in dit bericht worden afgeschilderd. Ik wist werkelijk niet, dat zoo iets bestond.”

„Dan zijt gij een gelukkig man, professor,” hernam Raffles. „Gij leeft als het ware te midden der oude Assyriërs, en de hedendaagsche Amerikanen hebben uw belangstelling maar in zeer geringe mate. En toch is het van groot belang, dat de politie niet alleen deze misdadigster, maar ook haar medeplichtigen, zoo mogelijk op heeterdaad betrapt. Ik erken echter de onmogelijkheid om u in deze zaak een werkzaam aandeel te laten nemen, en daarom doe ik u het voorstel, slechts passief uw hulp te verleenen bij de ontmaskering en het onschadelijk-maken van dit zeer gevaarlijke schepsel.”

„Maar hoe zou ik dat kunnen, mijnheer?” kwam professor Daring op wanhopigen toon.

„Zeer eenvoudig, professor, door mij toe te staan, uw uiterlijk aan te nemen en uw rol te vervullen,” antwoordde Raffles, zoo bedaard alsof het de eenvoudigste zaak van de wereld was. [12]