[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

De mijnen gelegd.

Deze mededeeling scheen professor Daring ten zeerste te verrassen, hetgeen hij uitte door opnieuw zijn bril een geheel onnoodige reinigingskuur te laten ondergaan.

De beteekenis van Raffles’ woorden scheen ook slechts geleidelijk tot hem door te dringen.

Maar toen dit eindelijk het geval was, riep hij uit:

„Dat kunt gij toch niet meenen? Gij neemt een loopje met mij! Gij zoudt in mijn plaats.…?”

„Stil, niet zoo luid! Het is volstrekt niet noodig, dat een van de kelners u hoort, professor! Men kan tegenwoordig niet te voorzichtig zijn, onder het bedienend personeel bevinden zich helaas meer medeplichtigen van een of andere bandietenbende, dan gij in uw naiveteit wel vermoedt.”

„Wat wilt gij doen?” hernam Daring op zachten toon. „Maar voor gij mij die vraag beantwoordt, zeg mij eerst wie gij zijt! Spreek ik soms met een particulieren detective?”

„Laten wij het daar voorloopig maar op houden, professor,” antwoordde Raffles glimlachend.

„En wat is uw voorstel?”

„Ik stel u voor in uw plaats met het jonge meisje naar Saint Louis te gaan!”

„Maar dat is immers onmogelijk, mijnheer,” zeide de oude geleerde verbluft. „Iedereen kent mij daar!”

„Ik zal zoo zeer op u gelijken, professor, dat iedereen mij voor u zal aanzien.”

„Maar mijn vrouw, denkt gij, dat zij u ook niet zou herkennen?”

„Gij moet uw vrouw telegrafisch waarschuwen, en haar zeggen, dat zij zich hier bij u komt voegen, of in welke stad gij maar wilt, als het maar niet in Saint Louis is.”

„En gij wilt in mijn huis trekken, mijn bedienden bevelen, kortom, alles doen wat ik placht te verrichten?”

„Ik erken, professor, dat daartoe heel wat vertrouwen in mijn persoon noodig is, veel meer dan een u geheel onbekend man van u mag verlangen,” hernam Raffles glimlachend.

„De zaak is.…” stotterde Daring.

„De zaak is, professor, dat gij in staat zoudt zijn, mij zonder meer alles te laten doen, wat ik u daar vraag, zonder eenigen waarborg,” kwam Raffles, terwijl hij even de schouders optrok, „want uw vertrouwen in de menschen is inderdaad grenzenloos.”

Hij had Charly, die nog geen woord had gesproken, een snellen blik toegeworpen, en vervolgde nu:

„Maar ik zal zelf voor de noodige waarborgen zorgen, professor. Gij seint aan uw vrouw, dat zij alles wat eenige waarde heeft in uw huis, geld, effecten, goud en zilver, uw eetservies, als het van edel metaal gemaakt is, het huis moet uitzenden, ik zal wel zorgen voor een surrogaat, zoo bedriegelijk nagemaakt, dat alleen een vakman het verschil zou kunnen bespeuren.”

Daring gaf niet aanstonds antwoord, de goede oude geleerde scheen geheel ontsteld te zijn door wat Raffles hem zooeven had medegedeeld en door zijn voorstel.

Klaarblijkelijk had er een groote strijd in zijn binnenste plaats en hij rukte zoo woest aan zijn gouden bril, dat Charly ieder oogenblik vreesde het onmisbare voorwerp te zien stuktrekken.

Toen keek professor Daring Raffles strak aan en zeide kortaf:

„Ik moet erkennen, mijnheer, dat ik iets dergelijks [13]in mijn geheele leven nog nimmer heb medegemaakt. Ik heb steeds gemeend een droge geleerde te zijn.”

„Een geleerde met een gouden hart, professor,” viel Raffles hem in de rede.

„Dat wilde ik niet zeggen, mijnheer,” hernam de geleerde. „Ik wilde slechts te kennen geven, dat de romantiek van mijn bestaan steeds verre is gebleven, en ik had nooit gedacht, dat ik haar nog ooit zou leeren kennen. Welnu, het zij dan zoo: Ik aanvaard uw voorstel. Maar ik stel een voorwaarde.”

„Zij is van te voren ingewilligd, professor.”

„Zeg dat niet te spoedig, gij zoudt er wel berouw van kunnen hebben,” vermaande Daring hem, terwijl hij dreigend den vinger ophief. „Gij verbindt u, als het ter elfder ure mocht blijken, dat gij u vergist had, 2000 dollar te storten in de kas van een of ander genootschap van liefdadigheid, dat ik u in mijn geboortestad wel zal aanwijzen, zoodra gij mij verlof zult hebben gegeven, mij weder naar mijn eigen huis te begeven.”

„Toegestaan, professor,” zeide Raffles. „Ik weet zeker, dat ik, althans om die reden, mijn 2000 dollar in mijn zak zal kunnen houden. Ik ben al te zeker van mijn zaak.”

De heldere blauwe oogen van den professor werden weder omfloerst, toen hij met doffe stem zeide:

„Dat zou mij leed doen, groot leed. En het zou niet mijn gekwetste ijdelheid zijn, omdat ik mij zoo schromelijk bedrogen heb in iemands uiterlijk, noch het gevoel, dat men mij bedrogen heeft, dat mij zoo smartelijk zou aandoen. Dat is alleen de wetenschap, dat er onder zulk een aanvallig uiterlijk zulk een duivelsche ziel kan huizen.”

„Ik kan daar slechts dit op zeggen, professor, dat gij klaarblijkelijk zeer weinig in de maatschappij hebt verkeerd,” hernam Raffles op bitteren toon. „Ware dit het geval, dan zoudt gij wel anders praten.”

Een oogenblik heerschte er stilzwijgen en toen hernam Daring, na eenige malen met de hand over zijn voorhoofd te hebben gestreken:

„Zeg mij eens, hoe ik het met de bedienden moet stellen. Moeten zij niet in het geheim worden genomen?”

Raffles dacht even na, voor hij ten antwoord gaf:

„Dat zou misschien wel het beste zijn, tenminste, wanneer gij niet te veel bedienden hebt, en wanneer zij allen volkomen te vertrouwen zijn.”

„Wat dat betreft, daaromtrent kunt gij gerust zijn,” riep Daring uit. „Neen gij behoeft mij niet zoo onderzoekend aan te zien, in dit opzicht althans is mijn vertrouwen gerechtvaardigd. Ik heb slechts drie bedienden, want wij leven betrekkelijk eenvoudig en daarvan zijn er twee ongeveer vijf en dertig jaar geleden tegelijkertijd bij mij in dienst gekomen, en onze trouwe Sally, de keukenmeid, was er toen al vijf jaar.”

„Dan zou ik in ieder geval de beide mannelijke bedienden maar door mevrouw uw echtgenoote laten waarschuwen. Gij hebt nog allen tijd om haar zeer uitvoerig in te lichten en gij kunt het zelfs per brief doen, als gij u nu aanstonds aan het schrijven zet.”

„Ik volg uw raad op, mijnheer.”

„Zeg mij eens, professor,” kwam Raffles, „hebt gij veel geld mede naar New-York genomen?”

„Heel weinig, mijnheer. Waartoe zou ik het noodig hebben? Wij waren hier allen de gasten van het New-Yorksche Genootschap voor Asyrologie en als wij niet wilden, behoefden wij zelf geen dollarcent uit te geven.”

„Nu, dat zullen de bandieten in ieder geval wel geweten hebben. Zijt gij gewoon in St. Louis veel geld in huis te hebben?”

„Neen, dat geloof ik haast niet,” antwoordde de geleerde met een vaag glimlachje. „Eerlijk gezegd, weet ik het niet heel precies, ik ben wel eens een weinig verstrooid, maar mijn vrouw, mijn lieve Susanna, is van alle geldelijke omstandigheden beter op de hoogte, zij is eigenlijk mijn secretaresse, als ik geld noodig heb, schrijf ik eenvoudig een cheque, want het grootste gedeelte van mijn vermogen, dat weet ik heel goed, is op de bank van St. Louis belegd.”

„Nu nog een vraag: Bevinden zich in uw huis veel voorwerpen van waarde?”

„Van onvergelijkelijke waarde, mijnheer,” riep Daring met trots uit. „Ik heb een verzameling Egyptische, maar vooral Asyrische oudheden, die vruchteloos haars gelijken zoekt in heel Amerika en waarnaar men van heinde en ver komt kijken. De waarde is onschatbaar.”

„Zeer waarschijnlijk hebben de bandieten ook dat geweten,” hernam Raffles. „Toch blijft het voor hen gevaarlijk, dergelijke zaken aan een ander museum, desnoods in Europa, te verkoopen. Aan den anderen kant is het herhaaldelijk voorgekomen, [14]dat Amerikaansche verzamelaars, ik moet het tot mijn spijt zeggen, geen seconde geaarzeld hebben, om voor hooge prijzen prachtige en zeldzame stukken te koopen, waarvan zij zeer goed wisten, dat zij uit Europeesche musea of particuliere verzamelingen gestolen waren. Hoe staat het met gouden en zilveren voorwerpen?”

„Ja, daar is geloof ik heel wat van aanwezig,” antwoordde de oude geleerde met een verlegen lachje. „Ik geloof, dat het tafelservies van zwaar zilver is, en dan heeft mijn vrouw veel gouden sieraden en andere dingen, juweelen en diamanten geloof ik, ik weet dat zoo niet, ik houd mij meestal uitsluitend met mijn studie bezig, en mijn Susanna vindt dat allemaal heel goed.”

„Dat kan ik mij voorstellen, professor,” hernam Raffles op zachten toon, wonderlijk bewogen door de kinderlijke naiveteit van dezen waarachtig goeden man, die nog tot op het allerlaatste oogenblik bleef twijfelen aan de mogelijkheid, dat hij zich zou hebben kunnen vergissen in de persoon van het meisje, wier toekomst hij voorgoed had willen verzekeren.

De drie mannen waren nu opgestaan en Raffles nam den geleerde een weinig terzijde en fluisterde hem toe:

„Het is natuurlijk noodzakelijk, dat gij door niets verraadt, wat er in u omgaat, of dat gij weet, of althans vermoedt, dat er met de zoogenaamde Margret Jefferson iets niet heelemaal in orde is. Gij zult moeten laten voorkomen, alsof gij nog altijd in haar onschuld gelooft.”

„Maar dat doe ik, mijnheer, dat doe ik!” kwam de oude heer driftig. „Gij zult bedrogen uitkomen, ik waarschuw u. Gij zijt uw tweeduizend dollar kwijt, daarvan ben ik zeker. Ik kan en ik wil het niet gelooven, dat dat meisje slecht is, dat kind met haar onschuldige vergeet-mij-niet-oogen.”

„De toekomst zal het wel uitwijzen, professor,” hernam Raffles kalm. „Blijf zoo lang mogelijk in uw geloof volharden, maar dan zal de ontnuchtering des te pijnlijker zijn. Maar verspreek u in ieder geval vooral niet, en laat uw verstrooidheid u geen parten spelen, alles zou natuurlijk voor goed bedorven worden, als gij ook maar met een enkel woord met uw beschermelinge zoudt spreken over wat ik u heb voorgesteld.”

„Gij kunt er op rekenen, dat ik mijzelf in bedwang zal weten te houden, mijnheer.”

„Dat hoop ik, professor. Gij blijft ook morgen nog hier en ik vermoed, dat gij overmorgen zoo spoedig mogelijk weder naar St. Louis vertrekt?”

„Met den middagtrein, mijnheer.”

„Goed zoo, dan hebben wij tijd in overvloed. Mijn vriend hier,” Raffles keek nogmaals snel naar Charly, die er tamelijk bedrukt bijstond, „zal op voortreffelijke wijze de rol vervullen van mevrouw uw echtgenoote, want hij is een acteur van het eerste water en munt vooral uit in vrouwenrollen, die hij met een ware voorliefde vervult.”

De stem van Raffles had bij deze laatste woorden spottend geklonken en Charly wierp hem een half woedenden, half smeekenden blik toe, ofschoon hij wel wist, dat Raffles onverbiddelijk zou zijn.

Raffles had zich reeds weder tot den geleerde gewend en vervolgde nu:

„Mijn vriend zal dus reeds morgen naar St. Louis vertrekken en zorg dragen dat hij een paar uren na uw brief voor mevrouw Daring aankomt. Het is namelijk noodzakelijk, dat hij haar uiterlijk een weinig bestudeert, want hij zal zooveel mogelijk op haar moeten lijken.”

„Maar dat jonge meisje heeft toch mijn vrouw nog nooit gezien,” riep de geleerde uit.

„Dat is zoo, en dat is ook een gelukkige omstandigheid, professor, maar er zijn te St. Louis waarschijnlijk zeer veel personen, die uw vrouw wel kennen en wij moeten rekening houden met de mogelijkheid, dat die haar, terwijl onze kleine comedie nog in vollen gang is, een bezoek zullen komen brengen.”

„Denkt gij dan, dat het zoo lang zal duren?” vroeg de geleerde eenigszins onrustig.

„Integendeel, ik vermoed, dat de bandieten, die u natuurlijk zullen nareizen, zoo snel mogelijk hun slag zullen willen slaan. Maar een paar dagen zullen er toch wel mee gemoeid zijn, want het meisje moet eerst haar omgeving goed opnemen, zij is niet van degenen die over een nacht ijs gaan.”

„En gij, mijnheer?”

„Ik zal u verlof vragen, morgen in den loop van den avond wanneer het congres beëindigd is, u te bezoeken, teneinde uw uiterlijk zooveel mogelijk natuurgetrouw te copiëren. Het is waar dat gij licht blauwe oogen hebt en ik donkergrijze, maar dat is bij wit haar zeer moeilijk te onderscheiden, en het geluk is ons in zoo verre dienstig dat Canny u nog slechts bij kunstlicht gezien heeft. Het zal dus zaak [15]zijn, er voor te zorgen, dat gij morgenochtend reeds het hotel verlaten hebt, voor zij u weder kan zien, laat bijvoorbeeld door een der kelners zeggen, dat gij zeer vroeg een afspraak hadt met een collega en u dus bij haar laat verontschuldigen. Gij behoeft niet te vreezen, dat zij het op een loopen zal zetten, wat dat jonge meisje eenmaal in haar kleine sterke handen heeft, dat laat zij zoo spoedig niet weder los. Kom dan zoo laat mogelijk terug, wanneer het licht reeds weder is opgestoken.”

„Ik zal doen wat gij zegt, mijnheer, maar ik doe u opmerken, dat gij nu zelf over „een jong meisje” spreekt.”

„Dat zeg ik slechts om u een genoegen te doen, professor,” hernam Raffles glimlachend. „Maar ik verzeker u, dat zij het reeds lang niet meer is. En nu zou ik u den raad willen geven, spoedig den brief aan uw vrouw te schrijven en aan Margret Jefferson, zoolang gij met haar samen zijt, zoo weinig mogelijk mededeelt over uw huiselijke omstandigheden, des te minder vergissingen kunnen mijn vriend en ik maken, wanneer wij daar ginds in uw plaats optreden.”

Professor Daring had Raffles de hand toegestoken en zeide nu, aan zijn witten baard plukkend:

„Het was een zeer merkwaardige ontmoeting, mijnheer. Ik had nooit gedacht dat het avontuurlijke nog ooit in mijn leven zou komen. Ik geef u ten volle verlof om de proef te wagen, maar ik zeg u nogmaals, dat gij bedrogen zult uitkomen.”

„Ik wilde dat het waar was, professor,” hernam Raffles ernstig. „Zorg dat gij in ieder geval morgen om negen uur weder hier in het hotel zijt, dan zal ik wel een middel vinden om mij met u in verbinding te stellen, zonder dat Canny, ik wil zeggen Margret, het merkt. En nu wensch ik u een goede nachtrust toe, professor.”

— — — — — — — — — — — — — —

Den volgenden dag was Raffles weder zeer vroeg bij de hand, teneinde een oogje in het zeil te houden.

Een oogenblik had hij de vrees gekoesterd, dat de vergeetachtige geleerde de zaak bedorven zou hebben door zich te verspreken tegenover het „Meisje met de Madonna-Oogen”, of dat hij de afspraak zou hebben vergeten, zoo vroeg mogelijk het hotel te verlaten, voor hij met Canny gesproken had.

Maar noch het een noch het ander bleek het geval te zijn geweest, want de professor had reeds om acht uur het hotel verlaten, toen zijn beschermelinge waarschijnlijk vanwege de ontroering, de uitputting en andere naargeestige zaken, rustig sliep.

Om half elf begon de slotzitting van het congres en Raffles overtuigde zich, dat die minstens tot vijf uur zou duren.

Dan had er een gemeenschappelijke maaltijd plaats in een der andere groote hotels en het zou dus zeker volslagen donker zijn, voor Daring terugkeerde.

Wat zijn beschermelinge betreft, Charly hield haar in het oog en hij bemerkte dat zij, zeker om goed in haar rol te blijven, het hotel in het geheel niet verliet, maar rustig in de conversatiezaal zat, gewapend met een stapel tijdschriften.

Zoo werd het avond en omstreeks half tien keerde professor Daring van het feestdiner terug.

Raffles was op zijn post en hij zag, half verborgen, achter een zware pilaar, hoe de oude geleerde aanstonds iets aan een kelner vroeg, de conversatiezaal binnenging en toen haastig toetrad op de zoogenaamde Margret Jefferson.

Hij greep de beide handen van de jonge vrouw, die was opgestaan om hem verlegen te begroeten en sprak eenige woorden met haar, waarop hij de conversatiezaal weder verliet, waarschijnlijk om zich naar zijn kamer te begeven. [16]