Maar op de eerste verdieping greep Raffles hem als het ware in de vlucht en hield hem staande.
„Mag ik weten wat uw plannen zijn, professor?” vroeg hij glimlachend.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, ik had u niet aanstonds herkend,” kwam Daring op zijn gewone, verlegen en een weinig verschrikte manier.
„Ik hoop toch niet, dat gij alles weer vergeten zijt?” riep Raffles uit. „Houd mij de opmerking ten goede, professor, maar dat zou zelfs voor een verstrooiden geleerde wat kras zijn.”
„Neen, neen, ik weet alles nog heel goed.”
„Gij hebt dus aan uw vrouw geschreven?”
„Ja, en de brief werd nog gisterennacht gepost.”
„Uitstekend! En nu herhaal ik mijn vraag van zooeven, wat zijt gij voornemens te doen?”
„Ik heb tegen het meisje gezegd dat wij nog iets zouden gebruiken in de kleine eetzaal, en dan begeeft zij zich ter ruste.”
„Voortreffelijk. Dan zal ik zoo vrij zijn, professor, mij bij u aan te melden, zoodra het caronje, u neemt mij niet kwalijk, ik wilde zeggen, het lieve kind, van den vloer is. Want nu breekt het oogenblik aan, professor, waarop wij van identiteit moeten veranderen, tenminste wat mij betreft. En daar het zeer dwaas zou staan, als zich hier twee volkomen op elkaar gelijkende professors Daring ophielden, zal ik onmiddellijk daarna het hotel verlaten. Zooals gij weet, is mijn vriend reeds naar St. Louis vertrokken. Morgenochtend om acht uur, of zoo mogelijk nog vroeger, verlaat gij even het hotel, zoogenaamd om een boodschap te doen en ik zal mij in de buurt verdekt opstellen, om even later uw plaats in te nemen. Gij echter neemt aanstonds een auto, om u naar het station te laten brengen en neemt den trein naar de stad, waar gij uw vrouw zult treffen.”
„Dat hebt gij goed bedacht, mijnheer,” riep de professor bewonderend uit. „Ik heb wel eens gehoord dat men somtijds een weinig laag neerziet op de politiebeambten, vooral op de rechercheurs, maar daarin heeft men groot ongelijk. Zij geven soms blijken van groote schranderheid en doorzicht.”
„Ik dank u voor dit compliment, professor, en ik zal u thans niet langer ophouden. Over anderhalf uur zal ik mij in uw kamer bevinden.”
En met deze woorden verdween Raffles en wachtte rustig het uur om te handelen af, in de conversatiezaal gezeten, waar hij zich den tijd aan de leestafel zoo goed mogelijk kortte.
Anderhalf uur later, het was toen bij half twaalf, betrad Raffles de gang, waaraan de kamer van den ouden geleerde gelegen was.
Hij overtuigde zich, dat er niemand in de nabijheid was, trad haastig op de deur toe en ging er binnen zonder aan te kloppen, want hij wist, dat Canny slechts een paar kamers verder sliep, en buitengewoon goede ooren had.
De professor was reeds bezig zijn valies te pakken.
Hij keek van zijn werk op en vroeg op zijn gewone schutterige wijze:
„Wat is er, mijnheer? Wat wilt gij? Kunt gij niet behoorlijk aankloppen?”
„Neem mij niet kwalijk, professor, ik wilde liever zoo weinig mogelijk leven maken,” antwoordde Raffles glimlachend. „Herkent gij mij?”
„Ah zoo, zijt gij het, mijnheer? Verschoon mij, mijn oogen worden een weinig zwak. Gij komt om, ja juist, ik weet het alweder. Neem daar plaats, als [17]ik u verzoeken mag, gij zult zeker wel een spiegel noodig hebben?”
En hij wees Raffles op de marmeren waschtafel, waarboven een groote, fijn geslepen spiegel van Venetiaansch glas was aangebracht.
Raffles ontdeed zich van zijn rok, boord en das, knoopte een schoonen handdoek om en begon zich te grimeeren met behulp van de kleurmiddeltjes, welke hij daartoe in een klein lederen étui had medegebracht.
„Gij neemt mij niet kwalijk, mijnheer, dat ik intusschen verder ga met het pakken van mijn koffer?” vroeg de geleerde.
„Volstrekt niet, professor,” antwoordde Raffles glimlachend. „Doe alsof ik er niet was, wat ik u verzoeken mag.”
Nu en dan een blik werpend op het eerwaardige, bleeke gelaat van den geleerde, begon Raffles zijn gezicht een grondige verandering te doen ondergaan.
De zwarte wenkbrauwen verdwenen en maakte plaats voor witte, de eenigszins gebruinde gelaatskleur werd veranderd in een ivoormatte, naast de oogen werden met een fijne doezelaar, die in een lichtrood getinte vloeistof werd gedompeld, zeer fijne lijntjes getrokken, „kraaienpootjes” noemt men ze gemeenlijk. Naast den neus, die volstrekt niet veranderd behoefde te worden, werden een paar fijne rimpels aangebracht en daarop haalde Raffles een van die uitmuntend vervaardigde pruiken te voorschijn, die zelfs het scherpste oog niet vermocht te onderscheiden van echt haar.
Hij veranderde er een weinig aan met behulp van een schaar, frizeertang en kam, zette haar op en ging nu over tot het aanplakken van den baard, dien hij reeds in den loop van den dag had gefatsoeneerd naar dien van den ouden professor.
Na ongeveer een half uur was hij gereed, en tevreden over zijn werk, dat hij voltooid had, door een gouden bril, met groote, ongeslepen glazen op zijn neus te plaatsen.
Hij stond op en bootste op voortreffelijke wijze de eenigszins omfloerste stem van Daring na, toen hij zeide:
„Mag ik mij even aan u voorstellen, Jerome Daring, professor in de Aziatische talen, Asyroloog te Saint Louis.”
De oude geleerde had zijn valies juist van de tafel genomen, maar bij de aanschouwing van zijn dubbelganger liet hij het zware voorwerp uit zijn handen vallen en keek Raffles geruimen tijd met open mond en wijd opengesperde oogen aan.
Toen begon hij heftig aan zijn bril te rukken en sputterde:
„Dat is niet te gelooven, dat grenst aan het wonderbaarlijke. Het is of ik mijzelf in een spiegel zie, mijnheer, gij zijt bepaald geen gewone detective, gij hebt het zeer ver gebracht in uw vak. Ik ben overtuigd, dat gij als acteur grooten naam zoudt kunnen verwerven.”
„Dank u, professor,” hernam Raffles glimlachend. „Gij zijt dus tevreden? Gelijk ik op u?”
„Maar mijn goede hemel, gij zoudt mijn tweelingbroeder kunnen zijn, mijnheer,” riep de oude geleerde uit. „Eigenlijk gezegd, is het een weinig huiveringwekkend. Ik had nooit gedacht dat zooiets bestaan kon.”
„Dan is het goed zoo, professor. Er blijft mij dan niets anders meer te doen, dan spoedig dit vertrek en vervolgens het hotel te verlaten. Ik zal natuurlijk mijn best doen, dat niemand mij ziet, maar daar de mogelijkheid niet is buitengesloten, dat toch iemand van het personeel mij ziet heengaan, zou ik u op het hart willen drukken, onder geen beding uw kamer meer te verlaten en u zoo spoedig mogelijk ter ruste te begeven. Neem alles mede van waarde en laat uw valiezen en koffers hier, ik zal wel zorgen, dat zij veilig in uw huis te St. Louis aankomen. Ik hoop, dat ik u niet grief door u voor te stellen u duizend dollar ter hand te stellen als zekerheid voor de goede overkomst?”
„Ja, zeker, mijnheer, daar grieft gij mij wel degelijk mee,” hernam Daring. „Ik wil u toonen, dat ik u volkomen vertrouw, ik neem geen cent van u aan.”
„Dat pleit alweder voor u, professor,” hernam Raffles.
Hij stak den geleerde de hand toe, trok zijn overjas aan, zette zijn hoed op en zeide, met de kruk van de deur reeds in zijn hand:
„Ik bedenk daar, professor, dat ik ook noodzakelijk de kleeren van u moet hebben, die gij hier gedragen hebt, trek die dus morgenochtend aan als gij het hotel verlaat, dan zullen wij van overgoed verwisselen, wij zijn gelukkig van dezelfde grootte.” [18]
En met deze woorden vertrok Raffles, sloot de deur zachtjes achter zich, sloop de gang ten einde, daalde de trap af, bereikte ongezien de vestibule en sloeg, daargekomen, zijn kraag op, om zich zooveel mogelijk onkenbaar te maken.
Er waren slechts weinige personen, die hem gezien hadden.
Buitengekomen riep hij een huurauto aan en liet zich naar het Manhattan-Hotel brengen, waar hij reeds denzelfden morgen een kamer had besteld.
Hij ontdeed er zich van pruik en baard, sliep voortreffelijk in het zachte ruime bed, en was den volgenden morgen om zeven uur reeds op de been.
Hij gebruikte haastig het ontbijt in de groote eetzaal, betaalde wat hij schuldig was, liet weder een huurauto voorkomen en gaf den chauffeur bevel, hem tot op eenigen afstand van het Astor-Hotel te rijden, en schuin tegenover den ingang post te vatten.
Daar gekomen behoefde hij slechts tien minuten te wachten, alvorens professor Daring naar buiten trad.
Hij zag, hoe hij een huurauto wenkte en instapte, waarop het voertuig wegreed.
Dadelijk gelastte hij den chauffeur den wagen achterna te rijden.
Na een rit van ongeveer twintig minuten bereikte de eerste auto het station en Raffles zag den professor uitstappen, zijn chauffeur betalen en het stationsgebouw binnengaan.
Hij stapte op zijn beurt uit, betaalde den chauffeur, maar gelastte hem op hem te wachten en ging op zijn beurt het station binnen.
Professor Daring kocht juist zijn kaartje aan een der loketten.
Hij had zijn overjas los over zijn arm, dezelfde jas, welke hij steeds gedragen had.
Raffles kocht een perronkaartje, ging den professor na, toen deze de breede trappen beklom en zag, hoe hij het breede perron op en neer begon te wandelen.
Aan het einde daarvan was het zeer stil en er bevonden zich slechts weinig personen.
Raffles wachtte een gunstig tijdstip af, haalde den professor in, nam hem zonder plichtplegingen de geruite overjas en slappen grijzen hoed af, verruilde die tegen zijn eigen kleedingstukken en maakte het volgende oogenblik weder rechtsomkeert, zonder dat er een woord tusschen de beide mannen gewisseld was.
Het was zeer wel mogelijk, dat sommige beambten het kleine tooneeltje hadden opgemerkt, maar dat kwam er al heel weinig op aan, het was al weinig waarschijnlijk, dat een hunner ook maar in de verte begreep, wat er eigenlijk geschiedde.
Raffles verliet haastig het station weder, stapte in de auto, die hem wachtte en liet zich naar het Astor-Hotel terugrijden, waar hij juist op tijd voor het ontbijt terug was.
En hij zag al dadelijk, dat zijn vermomming voortreffelijk geslaagd was, want de portier nam diep zijn pet voor hem af, zooals hij het reeds eenige malen tevoren voor den ouden geleerde had zien doen.
Raffles begaf zich aanstonds naar de eetzaal en nauwelijks had hij daar een tafeltje uitgezocht, of Canny trad binnen.
Het gevaarlijke oogenblik was aangebroken.
De volgende minuten zouden beslissen over het welslagen van zijn gewaagd plan.
De jonge vrouw speelde haar rol uitstekend en keek bedeesd en verlegen rond, totdat zij den gewaanden geleerde aan zijn tafeltje zag zitten en aanstonds op hem toekwam.
Raffles bestudeerde haar gelaat met de grootste aandacht, maar hij was spoedig gerustgesteld, Canny had haar weldoener nog slechts te weinig gezien, en dan nog alleen maar bij kunstlicht, om de verandering te bespeuren.
Het is overigens een bekend verschijnsel, dat oogen die overdag grijs zijn, des avonds vaak een blauwe kleur vertoonen.
Zij stak Raffles bedeesd de hand toe en de Groote Onbekende was dadelijk in zijn rol en zeide op hartelijken toon:
„Ga zitten, kindlief. Eet maar flink, want wij hebben vanmiddag een tamelijk lange reis voor de boeg. Je hebt toch geen berouw? Je wilt toch wel met mij medegaan?”
„O, zoo graag, mijnheer,” antwoordde Canny, met neergeslagen oogen. „Ik ben u zoo dankbaar, dat u mij weghaalt uit dit verschrikkelijk leven.”
„Daar spreken wij niet over, Margret,” hernam Raffles. „Vergeet maar zoo spoedig mogelijk, wat [19]je hier beleefd hebt, want er wacht je een groote toekomst. Ik ben zeker, dat wij een echte jonge dame van je maken en dan zullen er spoedig genoeg jongelui komen opdagen, die om je handje komen vragen.”
Margret kreeg een kleur van verlegenheid bij deze woorden en gaf geen antwoord.
De kelner kwam met zijn schalen en ook hij twijfelde geen oogenblik, of hij had met den waren professor Daring te doen.
Daar Raffles thans moeielijk meer een voorwendsel kon vinden om zich te verwijderen, was hij wel verplicht den geheelen morgen door te brengen in gezelschap van de vrouw, die hem naar het leven gestaan had en die met duivelsch welbehagen getuige had willen zijn van zijn laatste oogenblikken.
En hij moest toegeven, dat zij haar rol op waarlijk bedriegelijke wijze vervulde, geen enkel valsch accent, geen enkele onverwachte oogopslag, niets dan nederigheid, dankbaarheid en verlegenheid.
Raffles nam haar mee naar een kleedingmagazijn en daar werd Canny in behoorlijke kleederen gestoken, die de plaats innamen van de havelooze vodden welke zij gedragen had, toen de comedie een aanvang nam voor het „Olympic-Theater”.
Daarna lunchte het zonderlinge paar en vervolgens reden zij naar het station en stegen daar in den trein, die over een kwartier naar St. Louis zou vertrekken.
Ook Raffles viel geen oogenblik uit zijn rol en hij deed alle gebaren, welke hij bij Daring had opgemerkt, verrassend juist na, zoodat de zoogenaamde beschermelinge geen oogenblik kon twijfelen, of zij had met denzelfden man te doen, die haar in bewusteloozen toestand letterlijk van de straat had opgeraapt.
Langzamerhand scheen zij een weinig bij te trekken en toen de trein eenmaal het station verlaten had, begon zij opgewekt te babbelen en verhaalde Raffles verschillende episodes uit haar leven in het huis van haar stiefvader, van A tot Z gelogen, zooals Raffles zeer goed wist, maar die werden voorgedragen op een wijze, die aan de waarheid er van bijna niet kon doen twijfelen, en waaraan de goede oude geleerde dan ook zeker geen oogenblik getwijfeld zou hebben.
De trein was om twee uur in den middag vertrokken, om bij twaalven in den nacht kwam hij te St. Louis aan.
Raffles en Canny stapten uit de coupé, en de eerste wenkte een kruier om voor zijn bagage te zorgen.
Voor het reusachtige stationsgebouw stond een groot aantal huurauto’s en de gewaande geleerde slaagde er in, er een machtig te worden.
Hij gaf den chauffeur een adres op in de Washington Avenue, hielp Canny instappen, en nam naast haar plaats, waarop de auto zich aanstonds in beweging stelde.
Raffles kende Saint Louis slechts oppervlakkig, en hij keek dus goed uit zijn oogen, nu en dan een paar woorden tot de vrouw naast zich richtende.
Na een rit van ongeveer vijf en twintig minuten stond de auto stil voor een fraai heerenhuis, op een tiental meters van den weg gelegen en daarvan gescheiden door een lommerrijken tuin.
Eenige vensters waren nog verlicht. Mevrouw wachtte haar echtgenoot blijkbaar af.
Raffles hielp Canny weder uitstappen, betaalde den chauffeur, liep op de huisdeur toe, juist als iemand die daar thuis behoort, en belde aan.
De deur werd geopend door een van die ouderwetsche bedienden, die blijkbaar snel aan het uitsterven zijn.
Het was een man van een jaar of zestig met een openhartig, rood gelaat dat getuigde van gezondheid en een opgewekt humeur.
Hij keek zijn gewaanden meester slechts een oogenblik doordringend aan, en Raffles zag bliksemsnel een trek van groote verrassing op zijn gelaat verschijnen en weer verdwijnen.
„Alles wel, Jerry?” vroeg Raffles, terwijl hij den ouden bediende op den schouder klopte.
„Zoo goed als het maar wezen kan, mijnheer,” antwoordde Jerry, en hij richtte een vragenden blik op Canny, die bescheiden bij de deur was blijven staan, met de oogen naar den grond geslagen.
„Ja, Jerry, ik breng een verrassing voor jullie mee,” riep de gewaande geleerde uit. „Wat zeg je er wel van? Wij krijgen een logétje, en ik hoop dat zij lang, heel lang bij ons zal blijven.”
Hij had zijn arm om de schouders van de bedriegster geslagen, en daar hij zich door professor Daring zeer nauwkeurig had laten inlichten, omtrent de ligging der verschillende vertrekken, behoefde hij geen [20]oogenblik te aarzelen toen hij haar naar een deur geleidde, dicht bij de monumentale trap, die naar de hooger gelegen verdieping voerde, en deze opende met de woorden:
„Ga hier zoo lang binnen, mijn kind. Ik ga even mijn lieve vrouw begroeten, en haar een weinig voorbereiden, ik breng je aanstonds bij haar.”
Een snelle blik had Raffles overtuigd, dat hij zich in een soort ontvangkamer bevond, waarin slechts weinige maar zeer fraaie, een weinig ouderwetsche meubels stonden, terwijl er eenige prachtige Rembrandt-copieën aan den wand hingen.
Raffles had Canny naar een stoel geleid, knikte haar nog eens vriendelijk toe, en herhaalde, reeds op den drempel van de deur:
„Ik kom je dadelijk weder halen, mijn kind. Een oogenblikje geduld slechts.”
Daarop verliet hij het vertrek, sloot de deur achter zich, stak de vestibule over, en besteeg de trap.
Nauwelijks had hij het breede portaal bereikt, hetgeen een soort gaanderij vormde, die langs den achterkant van de vestibule liep, of er werd voorzichtig een deur geopend, en een oude dame, de oogen bewapend met een schildpadden lorgnet, grijs van haar, maar met nog een blozende gelaatskleur, stak het hoofd om den hoek.
Raffles trad aanstonds op de dame toe, scheen slechts een oogenblik te aarzelen, duwde haar toen zonder omslag het vertrek binnen, sloot de deur achter zich, liet zich op een stoel vallen, en zeide op zachten toon:
„Oef. Dat is tenminste achter den rug. Het dierbare wicht is hier in huis, en ik ben er zoo goed als zeker van, dat wij met denzelfden trein zijn gevolgd door eenige schelmen, wier gelaat ik mij maar al te goed meen te herinneren. Hoe staat het leven hier, Charly?”
„Alles is van een leien dakje geloopen,” antwoordde de jonge man, want de oude dame was inderdaad niemand anders. „De oude mevrouw Daring is een heel vriendelijke dame, maar ik geloof, heel wat energieker dan haar man. Toen ik haar alles mededeelde was zij uiterst verontwaardigd, en zij liet mij den brief van haar echtgenoot lezen, die nog maar altijd niet kan gelooven, Edward, dat wij het bij het rechte einde hebben.”
„Wat zeide hij dan in dien brief?”
„Hij schreef, dat hij zich wel wilde leenen tot de proefneming, maar alleen om jou te overtuigen, dat je een pessimistische menschenhater was.”
„Werkelijk een zeer merkwaardig man,” zeide Raffles hoofdschuddend. „Hij is een groot kind, hij vormt wel een groote uitzondering, in dezen tijd van onderling wantrouwen en onderlingen haat. En wat zeide mevrouw er wel van?”
„Natuurlijk geloofde zij niet à priori, dat je gelijk zoudt hebben, maar ze achtte het toch zeer wel mogelijk, en zelfs waarschijnlijk. Het moet namelijk al eens meer zijn voorgekomen, en vaker dan professor Daring bekende, dat hij deerlijk bij den neus is genomen door lieden, die op laaghartige wijze misbruik maakten van zijn goedgeloovigheid en zijn blind vertrouwen in zijn medemenschen. En zij was er dan ook dadelijk voor te vinden, om de proef te nemen. Zij leest wel kranten, dat verzeker ik je, en zij wist alles van de zaak af.”
„Vermoedde zij in het geheel niet, wie je kon zijn?”
„Neen, gelukkig. Ik heb haar natuurlijk niet op de hoogte gebracht, daar je mij daartoe geen verlof had gegeven. Zij scheen wel erg nieuwsgierig te zijn, maar ik heb haar afgescheept met de verklaring, dat wij particuliere detectives waren, die veel meer van de zaak afwisten dan de officieele politie. En je moet weten dat ik wat een moeite heb gehad, om haar te bewegen, het huis te verlaten, want het liefst was zij er bij tegenwoordig geweest om die „Duivelin”, het waren haar eigen woorden, te ontmaskeren. Zij zag echter wel in dat dat volstrekt onmogelijk zou zijn, en zij verklaarde, dat zij al onze wenken zou opvolgen, en zich naar een klein landgoed zou begeven, hetwelk haar man dicht bij de kust op ongeveer een uur sporens hiervandaan bezit.”
„Lijk je op haar?”
„Voldoende voor ons doel. Maar ik zal er toch goed aan doen, om dezer dagen weinig vrienden te ontvangen, want je moet weten, dat mevrouw Daring bijna een half hoofd grooter is dan ik. Zij is een vrouw met haar op de tanden, zooals men dat noemt, maar zij schijnt zielsveel van haar lobbes van een man te houden.”
„Hoe staat het met het goud, het zilver, het aanwezige geld, de juweelen?” [21]
„Alles is het huis uit. Mevrouw Daring wilde er eerst niet in toe stemmen maar ik heb het doorgezet, en zelf den knoop doorgehakt, door alles wat waarde had, zorgvuldig bijeen te pakken in een groot valies, hetwelk door Jerry naar de zuster van de vrouw des huizes werd gebracht, die daartoe in het geheim moest worden genomen.”
„Uitstekend. En het plaatsvervangend materiaal?”
„Het is zeker niet zoo fraai, Edward, als dat wat wij hier de eerste maal gebruikt hebben, en waarmede wij het „Meisje met de Madonna-Oogen” zoo deerlijk voor den mal hebben gehouden, maar wat ik hier kon opschommelen bij handelaars in strass, en bij leveranciers van tooneelbankbilletten, is toch naar ik hoop, voor ons doel wel voldoende. Ik heb ook de hand weten te leggen op een paar pakken, totaal waardelooze aandeelen, in een niet bestaande mijn, een zwendelaffaire naar het schijnt, reeds eenige jaren geleden ontdekt en ook gestraft. Die aandeelen zijn zelfs geen tien voor een dollarcent waard, maar je begrijpt dat zij in een brandkast een schitterend effect maken.”
„Je hebt, je kranig gehouden, Charly, vooral als ik in aanmerking neem, dat de tijd van voorbereiding zoo kort was,” hernam Raffles. „En kom nu maar eens mede, want ik zal je aan onze lieve beschermelinge voorstellen.” [22]