Charly keek nog eens in den spiegel, streek hier en daar een krulletje terecht, wat onder het kleine kanten mutsje kwam uitgluren, wierp een blik op de ringen met de valsche diamanten aan zijn vingers, en hij mocht van zich zelf getuigen, dat hij inderdaad was wat hij wezen moest, een oude, flinke dame, met veel gezag, juist de vrouw die een man als professor Daring noodig had.
„Je ziet er prachtig uit,” zeide Raffles bewonderend. „Zooeven heb ik waarlijk een oogenblik geaarzeld, of ik soms met de echte mevrouw Daring te doen had.”
„Ik kan hetzelfde van jou zeggen, Raffles. Ik zou zweren met den beroemden Asyroloog in persoon te spreken.”
„Je kent de inrichting van het huis zeker al goed?”
„Als ons huis in de Regent-Street te Londen.”
„Zijn de twee bedienden, Jerry en Blount, op de hoogte gesteld?”
„Zij weten er alles van, en zij gnuiven van de pret over den poets dien wij de kleine feeks zullen bakken.”
„Het kon toch wel eens iets ernstigers worden, dan louter een grapje,” hernam Raffles hoofdschuddend. „Misschien hebben wij het bezoek van minstens vier mannelijke medeplichtigen te wachten.”
„Dat is waar ook, Raffles, wat zullen wij met Henderson doen? Hij is met mij meegereisd, zooals je gezegd had, en hij houdt zich nu in de omstreken verborgen, omdat het wat al te gevaarlijk zou zijn, hem opnieuw onder de oogen van het „Meisje met de Madonna-Oogen” te brengen. Zij zal hem waarschijnlijk opnieuw herkennen, en dat zou ons leelijk kunnen opbreken.”
„Hij mag zich dan ook niet vertoonen, tenzij wij hem roepen. Hij kan immers telefonisch bereikt worden?”
„Ja, hij logeert in een klein logement, niet ver hier vandaan.”
„Prachtig. Kom dan nu mede.”
De beide mannen verlieten nu het vertrek, gingen weder over het portaal, daalden de breede trap af, en traden het vertrek binnen, waar Canny op denzelfden stoel, en in dezelfde houding nederig en bescheiden zat te wachten.
Maar Raffles had een zeer scherp oog, en hij zag al zeer spoedig, dat er eenige voorwerpen, een paar kostbare Sèvrevazen, een fraai bewerkte kom van Japansch porselein, verzet waren sedert eenige minuten, waarschijnlijk had de bedriegster, die verstand van dergelijke zaken had, de onderzijde van die vazen willen bezichtigen, teneinde zich van hun echtheid te overtuigen.
Canny was dadelijk opgestaan, toen zij Charly en Raffles zag binnentreden, en stond daar nu als het toonbeeld van de onderworpen onschuld.
Raffles was op haar toegetreden, en zeide op den gewonen, eenigszins schutterigen toon van den professor:
„Dit is nu mijn vrouw, Margret, en ik hoop van harte, dat je goede maatjes met haar zult worden. Wel lieve Susanna, hoe vindt je haar?”
De gewaande mevrouw Daring had de beschermelinge van haar man eenige oogenblikken aandachtig opgenomen, trad nu op haar beurt naar voren, en stak Canny de hand toe met de woorden:
„Wees welkom in ons huis, lief kind. Ik hoop, dat je je hier spoedig thuis zult gevoelen. Mijn man heeft mij reeds alles van je verteld, en ik ben het [23]volkomen met hem eens, dat het onze plicht is, je vooruit te helpen. Vergeet je troosteloos verleden, ik hoop dat je hier slechts zonneschijn zal wachten.”
Canny stamelde eenige woorden van dank, terwijl zij zich over de haar toegestoken hand heenboog, en Raffles moest erkennen, dat zij een voortreffelijke comediante was, geen gebaar te veel of te weinig, geen onechte klank in haar stem, maar alles juist geïntoneerd, alsof het echt was, en regelrecht uit haar gemoed kwam.
Maar mevrouw Daring onttrok zich spoedig aan deze betuiging van dankbaarheid, en zeide na een blik op de kleeding van het jonge meisje te hebben geworpen:
„Ga nu maar eens spoedig met mij mee, kindlief, dan zal ik je je kamer wijzen. Ik hoop, dat zij je zal bevallen. Zij heeft twee vensters, die uitzien op den achtertuin, en alles staat op het oogenblik in vollen bloei.”
Charly had zijn arm onder dien van het meisje gestoken, en voerde haar nu met zich mede, terwijl Raffles het paar met een spottenden blik nakeek, welke Canny heel wat zou hebben onthuld, indien zij hem slechts had kunnen zien.…
De minnares van Black Pete werd naar de tweede verdieping gebracht, en een gezellig gemeubeld vertrek binnengeleid, dat voor een jong meisje, een kind nog haast, als geknipt was.
Er waren twee groote ramen, uitzicht gevende op een balkon, en uitziende op den fraaien achtertuin, die aan alle zijden door een niet zoo hoogen muur omgeven was.
„Maak het je hier nu maar zoo gemakkelijk mogelijk, lief kind,” zeide Charly, „en ga maar spoedig naar bed, want het is al laat. Morgen zullen wij er dadelijk eens op uit gaan, teneinde kleederen voor je te koopen. Goeden nacht, Margret. Tot morgen. Ik hoop, dat je goed zult slapen in je nieuwe huis.”
Canny greep haastig de hand van de gewaande mevrouw Daring, drukte er een kus op, en daarop verliet Charly het vertrek, sloot zachtjes de deur, bleef een oogenblik zachtjes voor zich heen lachend staan, en ging zich toen weder bij Raffles voegen, die reeds een kleinen onderzoekingstocht door het huis was begonnen.
Hij vond den Gentleman-Inbreker in een vrij ruim vertrek, dat overdag door drie groote vensters verlicht werd, maar waar zich geen andere meubelen bevonden dan een zoogenaamde rotonde, in het midden van het vertrek op den parketvloer geplaatst, en een rij toonkasten, langs de vier wanden geplaatst, alle gelijkvormig, en zooals men ze ook wel vindt in musea voor natuurlijke historie, om er insecten, fossielen, schelpen, of iets dergelijks in te bewaren.
Raffles stond in gedachten verzonken voor een dier kasten, die van glazen deksels voorzien waren, stil, en was verzonken in de aanschouwing van een paar zeer schoone, en bijna geheel ongeschonden Asyrische dolken, uit brons geslagen, en waarin nog eenige robijnen te zien waren, kunstig in de greep ingelegd.
„Dit is de beroemde verzameling van professor Daring,” zeide Charly, naderbij tredend. „Ik heb nog geen gelegenheid gehad, om haar grondig te bezichtigen, maar ik geloof wel dat zij zeer veel waard is.”
„Op zijn minst een half millioen dollar, Charly,” zeide Raffles bedaard.
„Wat! Zooveel?” riep Charly verbaasd uit.
„Op zijn minst, zeg ik je. Ik tref hier stukken bij aan, waarvan ik zeker weet, dat er geen tweede exemplaar van bestaat, zooals die gouden spangen daarginds, die bestemd waren om een koningsmantel dicht te houden, geen ander mocht dergelijke versierselen dragen. Ik heb verder reeds een paar hoogst zeldzame munten en amuletten gevonden, die alleen reeds een burgermansfortuin waard zijn. En om je de waarheid te zeggen, Charly, voel ik wel eenigszins de verantwoordelijkheid drukken, die op mij rust voor het goede beheer van deze schatten. Ik zou het mijzelf nooit vergeven, wanneer hier ook maar het minste of geringste van werd ontvreemd. Een man als professor Daring is juist de eenige, die de waarde van deze Asyrische kostbaarheden weet te schatten, en aan wien zij het best zijn toevertrouwd. Hij is er voorts niet gierig op, maar laat iedereen ze bezichtigen, die er zijn belangstelling voor te kennen geeft. Ik voor mij zou hier dagen kunnen door brengen, zonder mij een oogenblik te vervelen.”
„Maar zouden de bandieten het werkelijk op deze verzameling voorzien hebben?” ging Charly voort.
„Dat behoeft je geenszins te verbazen. Bedenk wel, dat wij niet te doen hebben met ordinaire ladelichters, maar dat er zich onder die schelmen lieden bevinden, die een grondige studie van dergelijke dingen gemaakt hebben, en die zelfs, hoe vreemd [24]het ook moge klinken, in staat zouden zijn, in een verzameling van oudheden het kostbare van het betrekkelijk waardelooze te onderscheiden. Er zijn goed geschoolde schilderijenkenners onder, wie men niet licht een copie voor een origineel in de handen zal stoppen, en zoo vindt men onder hen muntkenners, deskundigen op het gebied van oude, kostbare wapens, en andere vaklieden. Ik erken dat het vervreemden van deze verzameling wel met eenige moeite gepaard zou gaan, maar de dieven zullen wel de goede adressen weten, waar zij zelfs deze wereldbekende, zeer zeldzame zaken kunnen kwijt raken.”
„Dan mogen wij wel een oog in het zeil houden,” zeide Charly, een weinig ongerust. „Het is immers volstrekt niet onmogelijk, dat zij vannacht al willen beginnen?”
„Dat betwijfel ik sterk, want in ieder geval moet Canny haar vallen nog uitzetten, maar daar het toch niet geheel en al onmogelijk is, zullen wij er misschien verstandig aan doen, als wij Henderson waarschuwen. Ik zou echter niet van de huistelefoon gebruik maken, want dat sluwe creatuur hier boven ons zou wel eens op de een of andere wijze kunnen meeluisteren, maar bij een drogist gaan telefoneeren. Zeg Henderson, dat hij zich aanstonds naar de tuinpoort begeeft, die ik zooeven heb meenen te zien, en zorg dat die geopend is. Hij moet echter goed zijn oogen open zetten, opdat hij niet gezien wordt, want niemand kan zeggen, of de medeplichtigen van Canny niet reeds in de buurt zijn, om het huis te bespioneeren.”
Charly liet geen tijd verloren gaan, maar gaf aanstonds aan Jerry last, bij den dichtst bijzijnden drogist, of anders in een hulppostkantoor, te telefoneeren.
De oude bediende keerde spoedig terug van zijn boodschap, en Charly ging tersluiks de kleine tuinpoort openen, en liet tien minuten later Henderson binnen, waarop hij de stevige deur weder goed sloot.
Het was zoo volkomen donker in den tuin, dat er van hun beider gestalten zeker volstrekt niets te zien zou zijn, zelfs al mocht Canny het in het hoofd hebben gekregen een weinig uit het raam te kijken.
Vol verbazing zag Jerry den reus binnentreden, nog nimmer had hij een man van die grootte en dien lichaamsomvang gezien.
Henderson werd aanstonds door Charly naar de museumzaal gebracht, waar Raffles nog steeds verzonken was in de aanschouwing van alles wat daar ten toon gesteld was, en hier werd hij door zijn meester met een handdruk verwelkomd.
De beide bedienden werden nu ook geroepen, en kregen instructies voor dien nacht.
Zij sliepen op de bovenste verdieping, en Raffles dacht er niet aan, hen van hun nachtrust te berooven.
Met zijn beide metgezellen zou hij het zelf wel afkunnen, indien er reeds dien zelfden nacht werkelijk iets mocht voorvallen.
En zoo klommen Blount en Jerry naar hun kamertjes, maar beiden hadden zich stellig voorgenomen, de toestemming om te gaan slapen, in den wind te slaan, en veeleer een oogje in het zeil te houden, om zoo noodig ter hulp te kunnen snellen.
Men zou niet ongestraft de hand uitsteken naar de kostbare verzameling van hun meester, waarvoor zij beiden een bijna heiligen eerbied koesterden.
En nu hielden de drie mannen op zachten toon krijgsraad.
De gordijnen van de drie ramen in de museumzaal waren reeds gesloten, en door den schakelaar van het electrische licht om te draaien, werd het groote vertrek in duisternis gedompeld.
De deur van deze zaal, de eenige in het vertrek, kwam uit op een zeer ruim portaal op de eerste verdieping aan den achterkant van het groote huis gelegen, en zij bevond zich bijna recht tegenover een vrij breede trap, die naar een gang voerde, welke eveneens met de vestibule in verbinding stond.
Trap en gang werden bijna uitsluitend door de bedienden gebruikt, want het werkvertrek van den geleerde bevond zich op dezelfde verdieping, en hij behoefde slechts enkele stappen te doen, om zijn heiligdom te kunnen betreden.
Charly had Raffles reeds medegedeeld, dat de beide echtelieden ieder een afzonderlijke slaapkamer in gebruik hadden, welke door een tusschendeur met elkander in verbinding stonden.
De oude geleerde was namelijk gewend, vaak tot diep in den nacht te werken, als een of ander onderwerp hem medesleepte.
Zij behoefde dus voor het oogenblik niets anders te doen, dan die slaapkamers te betrekken, en rustig af te wachten, wat de sluwe dievegge van plan was.
Het meest waarschijnlijke was wel, dat zij, evenals [25]zij onder andere omstandigheden niet lang geleden gedaan had, eerst het huis eens te onderzoeken ten einde zich op de hoogte te stellen van zijn inrichting.
Pas wanneer zij deze goed kende, zou zij, zonder gevaar te loopen, een vergissing te begaan, haar medeplichtigen kunnen toelaten.
Wat Henderson betreft, hij moest bij de hand blijven, en zou daarom slapen op een matras, op den vloer neergelegd, en die Raffles hem uit het reusachtige bed van den ouden geleerde afstond, benevens een deken.
Op deze wijze was men op alle gebeurlijkheden voorbereid, want terwijl de slaapkamer van Raffles met twee ramen uitzag op straat, kon men vanuit de vensters van het slaapvertrek van Charly den tuin overzien.
Nadat dit alles geregeld was, werden de lichten gedoofd, en nu was het geheele huis in duisternis gehuld, behalve dat hier en daar, in de vestibule en op het groote portaal een klein electrisch lampje flauw licht verspreidde.
De gordijnen voor de ramen in de beide slaapkamers werden op een kier geopend, zoodat de beide mannen de omgeving konden overzien, zonder dat zij zelven werden opgemerkt.
Er werd slechts zeer weinig gesproken, en dat weinige werd nog op fluisterenden toon gezegd.
Het was bijna half een in den nacht, toen het scherpe oor van Raffles een licht gerucht op de gang opving.
Hij sloop behoedzaam naar de deur en luisterde, terwijl hij zijn wijsvinger op de lippen legde.
Het gerucht kwam nader en het werd veroorzaakt door iemand, die zoo zacht mogelijk, op de teenen sluipend, door de gang liep.
Toen hield het gerucht op.
Blijkbaar stond de persoon aan den anderen kant van de deur stil, om te luisteren.
De drie mannen verroerden zich niet, en hielden zelfs hun adem in, uit vrees, dat die rondsluipende persoon daarbuiten zou bemerken dat zij nog niet naar bed waren gegaan.
„Als zij het grapje maar niet herhaald om stikgas in de kamer te spuiten,” bromde Charly bij zichzelf. „Wij hebben thans geen maskers bij ons, en als wij de ramen openen, dan zal zij het zeker hooren, dadelijk begrijpend dat er iets niet in orde is, en aan den haal gaan.”
Maar reeds gingen de voetstappen verder, zachtjes en sluipend, en na eenigen tijd hoorden de drie mannen heel voorzichtig aan het einde van de gang een raam openen, dat uitzicht gaf op de straat.
Raffles begaf zich aanstonds naar zijn uitkijkpost, en na eenigen tijd vruchteloos te hebben rondgetuurd, ontwaarde hij een tweetal mannen, die in de schaduw van een zwaren boom stilstonden, en hun blikken op het huis gevestigd hielden.
Blijkbaar gaf Canny seinen aan haar medeplichtigen, want nu zag Raffles snel achter elkaar het licht van een gewone fietslantaarn schijnen en weder verdwijnen, met ongelijke tusschenpoozen, hetgeen waarschijnlijk veroorzaakt werd, doordat de man, die de seinen gaf, gedurende korten of langen tijd de lichtstralen van de lamp met zijn hand onderschepte.
Het seingesprek duurde slechts zeer kort, en het werd waarschijnlijk niet volgens de gewone Morse-teekens gevoerd, want Raffles begreep er niets van.
Maar Charly, die achter hem had gestaan, tikte hem op den schouder, en zeide op zacht fluisterenden toon:
„Ik heb het al ontdekt. Je weet dat ik een studie heb gemaakt van een menigte geheime seinstelsels, en het hunne is al bijzonder eenvoudig. Zij springen eenvoudig telkens een enkele letter van het alphabet over, als zij een woord seinen, en melden bijvoorbeeld inplaats van het woordje „dat” iets geheel anders en dat volstrekt geen zin heeft, namelijk „ebu”. Degeen die de seinen ontvangt, behoeft dus niets anders te doen, dan een letter terug te gaan, en hij is klaar.”
„Prachtig, Charly. En je weet dus wat die twee kerels daar zooeven geantwoord hebben aan ons lief logétje?”
„Ja. Het was even kort als duidelijk, zij hebben zooeven teruggeseind:
„Wij komen morgennacht!” [26]