[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

In de kooi.

Dien nacht sliepen Raffles en Charly, na voor alle zekerheid nog een half uur te hebben gewacht, en zich toen, door een blik door het sleutelgat van de kamer van Canny, zich te hebben overtuigd, dat zij vast sliep, zoo rustig als zij in langen tijd niet gedaan hadden, want zij konden er nu wel zeker van zijn, dat er althans dien nacht niets meer zou geschieden.

Canny maakte blijkbaar volstrekt geen haast, hetgeen ook niet noodig was, en zij had den geheelen volgenden dag voor zich, om het huis goed te bestudeeren, en af te neuzen, waar de goede oude geleerde zijn geld, en zijn vrouw haar kostbaarheden bewaarde.

Den volgenden morgen waren zij echter vroeg weder op de been, Charly in zijn vrouwenkleedij, Raffles als de gewaande geleerde.

Er was echter volstrekt geen ruchtbaarheid gegeven aan zijn terugkomst, en zoo bleven de bezoekers dan ook schaars in aantal, en zij vertrokken zeer spoedig weder, nadat Raffles zich wegens zware hoofdpijn had geëxcuseerd.

Wat Canny betreft, zij vertoonde zich omstreeks negen uur in het eenvoudige kleedje, dat professor Daring voorloopig voor haar gekocht had te New-York, in de fraai ingerichte eetzaal, waar het ontbijt gereed stond.

En weder moest Raffles eerlijk erkennen, dat zij haar rol op onverbeterlijke wijze vervulde.

Zij at, en hanteerde haar mes en vork, met de verlegen onhandigheid, die men van een meisje in haar omstandigheden moest verwachten.

Zij durfde bijna niet opzien van haar bord, en zij keek schuw en tersluiks af, hoe haar beide weldoeners de moeilijke kunst van het behoorlijk eten uitoefenden.

Na het ontbijt ging mevrouw Daring met haar kleine beschermelinge een autorit maken, en kocht hier en daar eenige kleinigheden, maar niet al te veel, want Charly vond, niet ten onrechte, dat dit slechts geld weggooien was.

Maar de beide dames waren voor den lunch reeds lang weder terug, en Margret vroeg en kreeg verlof, het huis eens te gaan bekijken, dat vond zij zoo prettig, zooals zij verzekerde.

Glimlachend liet mevrouw Daring het jonge ding haar gang gaan, en nu huppelde Canny vroolijk door het huis, stak overal haar neusje in, als een opgewonden bakvischje, babbelde met de beide bedienden, die de grootste moeite hadden in hun rol te blijven, wandelde wat in den tuin, en keerde toen in huis terug, juist tegen den tijd van den lunch, en verzekerde, dat zij het huis „prachtig en verrukkelijk” vond.

Maar zij zeide er niet bij, dat zij zich zeer nauwkeurig overtuigd had van de plaatsing van de verschillende huistelefoons, van de inrichting van het slot van de kleine tuinpoort, van de veiligheidsverzekering van de voordeur, en andere wetenswaardige zaken.

Zij verzweeg ook, dat zij de kleine brandkast van den ouden geleerde nauwkeurig had bezichtigd, en daarna verachtelijk haar neus had opgetrokken, en in het boudoir van de vrouw des huizes een kijkje was gaan nemen, waar zij verschillende laden haastig had opengetrokken, en vluchtig den inhoud had geïnspecteerd.

Maar al vertelde zij het niet, Raffles wist het [27]daarom niet minder goed, want al mocht Canny slim zijn, zij moest het tegen de slimheid van John Raffles niettemin afleggen.

Daar Raffles niet zoo wreed wilde zijn, de sluwe bedriegster den geheelen dag in het gezelschap van Charly Brand te laten, nam hij des middags zijn taak over, liet het meisje bij zich komen, en begon haar te onderrichten in de eerste beginselen van de Engelsche taal.

En het was wel een zonderlinge gebeurtenis, de Gentleman-Inbreker, die daar met grooten ernst les gaf aan een vrouw, die nog slechts weinige dagen geleden de behulpzame hand geboden om hem te vermoorden en van zijn laatste oogenblikken getuige had willen zijn.

En toch verried niets in hem, dat hij niet degene was, voor wien hij zich uitgaf, en het ligt dus in den aard der zaak, dat de misdadigster zich, zooals men dat noemt, deerlijk zat te vervelen, en dit toch onmogelijk kon laten merken, om iederen schijn van achterdocht te vermijden.

Men dineerde thuis, de oude professor ging een tukje doen, mevrouw trok met Canny naar haar boudoir, deze laatste speelde een weinig zeer slecht piano, ook al geheel in den toon, en om tien uur kreeg zij een zachten wenk, dat het tijd zou zijn, om zich ter ruste te begeven.

Zoo verdween Canny weder uit den gezichtskring der beide mannen, die op dat oogenblik in de groote gezellige huiskamer bijeen waren, en elkander nu met een veelzeggenden glimlach aanzagen.

„Daar vliegt het onschuldige duifje heen,” zeide Charly sarcastisch. „Als je wist hoe ik haar den geheelen dag verwenscht heb. De oude mevrouw Daring kon toch moeielijk een zware sigaar opsteken, nietwaar?”

„Dat had inderdaad zijn bezwaren, Charly,” antwoordde Raffles lachend.

„En een pijp ging nog veel minder.”

„Ik geloof zelfs dat een sigaret tusschen de lippen van de oude, eerwaardige dame zou hebben misstaan,” hernam Raffles. „Maar als je wilt kun je nu je schade inhalen.”

„Ik dank je voor die toestemming, en ik zal er aanstonds gebruik van maken,” riep Charly uit, en hij snelde het vertrek uit, en keerde terug, een zware Havannah tusschen de lippen geklemd, hetgeen in verband met zijn eerbiedwaardig uiterlijk van deftige, oude dame, een eigenaardig schouwspel opleverde.

Hij maakte het zich gemakkelijk, zette de drukkende pruik af, legde zijn beenen voor zich op tafel, en slaakte een zucht van welbehagen.

„Je weet, Edward, dat ik maar zelden spijt heb gehad, mij aan je te hebben verbonden, en aan de meeste van je avonturen deel te nemen, maar toch, als ik vooruit had kunnen weten, dat je mij ooit zou dwingen, de rol van een vrouw te vervullen, dan—”

„Dan zou er van onze samenwerking niets gekomen zijn?”

„Dan zou ik mij in ieder geval er nog eens op beslapen hebben,” hernam Charly lachend.

In eens hield hij op, en vestigde het oog op de deur.

„Wat was dat?” vroeg hij op zachten toon.

„Wat meen je?”

„Ik dacht dat ik iets hoorde in de gang, ik zal het mij verbeeld hebben.”

Raffles was met een paar stappen bij de deur, rukte haar open, en keek naar buiten, in de half duistere gang, maar er was volstrekt niets te bespeuren. Hij liep snel tot aan de trap, keek naar boven en naar beneden, en keerde gerustgesteld terug, Charly had zich natuurlijk vergist, de gebeurtenissen van dien dag hadden hem een weinig zenuwachtig gemaakt.

„Er is niets, je bent een weinig overspannen, mijn waarde,” zeide Raffles nadat hij het vertrek weder was binnengetreden.

„Dat ontken ik niet. En zeg mij nu eens, is de politie al gewaarschuwd?”

„Ja, zij verschijnt om half elf, met ongeveer tien man, dat zal toch zeker wel ruimschoots voldoende zijn om de bezoekers hartelijk te verwelkomen, en in verzekerde bewaring te nemen.”

„Canny toch zeker ditmaal incluis?”

„Natuurlijk. Je kunt wel begrijpen, dat ik er niet op gesteld ben, die kleine duivelin, die mij gaarne met eigen hand zou hebben vermoord, op vrije voeten te laten. Hoe eerder het caronje onschadelijk wordt gemaakt, hoe beter het voor heel wat lieden is, en niet voor mij in de laatste plaats.”

„Je hebt toch niets van je ware identiteit verraden?”

„Dat spreekt vanzelf. Zij denken met professor [28]Daring te doen te hebben. Ik heb eenvoudig laten voorkomen, alsof ik door een toeval op de hoogte was gekomen van het complot, dat mij door een verrader van de bende, die zich op den chef wilde wreken, was medegedeeld.”

„Zoodat wij niets anders te doen hebben dan rustig af te wachten, tot de politie hier verschijnt?”

„Zoo is het.”

„Maar hoe komt zij binnen zonder dat Canny het merkt?”

„Maak je daaromtrent niet ongerust, zij vindt de tuinpoort geopend, en kan daar binnen gaan.”

„Maar als Canny haar medeplichtigen wil binnenlaten, en die zelfde poort gebruikt, dan zal zij de deur open vinden, en sluw als zij is, zou dit haar wantrouwen wel eens kunnen gaande maken.”

„Maar Charly, denk je met een ezel te doen te hebben. Natuurlijk zal de laatste agent de deur weder sluiten.”

„En Henderson?”

„Die is nu nog in zijn eigen kamertje, maar ik zal hem ergens op post zetten, in den tuin bijvoorbeeld, of op een der balkons, vanwaar hij een wakend oogje over de kleine comedie kan laten gaan, en den bandieten den weg zal versperren, als zij ontijdig de lucht mochten krijgen van wat hen hier te wachten staat.”

„Maar loopen wij dan zelf in het minst geen gevaar?”

„Ik kan niet inzien waarom. Canny twijfelt geen oogenblik of wij zijn professor Daring en zijn vrouw, en zij zal niets anders denken of er is verraad in het spel.”

„Wij moeten dus onze rol tot het laatste spelen?”

„Tot het bittere einde, Charly.”

Onder dit gesprek was de groote wijzer van de fraaie pendule op den marmeren schoorsteenmantel langzaam voortgeschoven, en het was reeds kwart over tienen, toen Raffles eindelijk opstond, en zeide:

„Zij zullen nu wel spoedig hier zijn. Ik heb hen gezegd, dat zij zoo omzichtig mogelijk moesten naderen, want het zou kunnen zijn, dat Canny nog niet sliep, en zij zal wel een goed ontwikkeld gehoor hebben, en den hoorn van een politie-auto misschien van elke andere kunnen onderscheiden, al zijn wij dan hier niet in haar geboortestad.”

„Zouden wij ons niet eens overtuigen, dat zij werkelijk slaapt?”

„Waartoe dat?” kwam Raffles verwonderd. „Zij zal zich in ieder geval slapende houden. Werkelijk slapen doet zij natuurlijk niet, want zij moet haar medeplichtigen binnenlaten, en dat zal wel niet veel later dan een uur zijn, want al is de brandkast klein en ouderwetsch, zij zullen er toch minstens een paar uur werk aan hebben, en om dezen tijd is het reeds om zes uur klaar lichten dag.”

„Is de tuinpoort op dit oogenblik geopend?”

„Voor zoover ik weet, niet, tenminste wanneer Canny het al niet gedaan heeft, wat ik echter niet waarschijnlijk acht, en daarom zou ik je wel willen verzoeken, je daarvan even te gaan overtuigen, want over tien minuten kunnen de politieagenten hier zijn.”

Charly deed onmiddellijk wat hem gevraagd werd.

Hij zette de pruik weder op, sloeg een wollen hoofddoek om, daalde de trap af, verliet het huis door de achterdeur, sloop door den duisteren tuin, en ging naar de kleine tuindeur.

Hij taste naar het slot, en bevond, toen hij den sleutel wilde omdraaien, dat de deur reeds geopend was.…

Zonder dat hij zich juist kon verklaren waarom, maakte deze omstandigheid een onaangenamen indruk op Charly Brand.

„Dat moet Canny gedaan hebben,” mompelde hij voor zich heen. „Maar voor den drommel, waarom deed zij het zoo vroeg?”

Hij bleef nog even in gedachten staan, en aanvaardde toen den terugweg.

Toen hij een blik wierp naar het venster van het vertrek, dat aan Canny als verblijfplaats was toegewezen, zag hij, dat het daarbinnen volkomen duister was, de gordijnen waren echter terzijde getrokken.

Hij ging verder, opende de achterdeur, trad binnen, en sloot haar zachtjes weder achter zich.

Toen hij de gang van het dienstpersoneel bijna geheel teneinde was, stond hij opnieuw stil.

„Wat is dat nu weer?” bromde hij voor zich heen.

Zijn oor had een zacht gerucht opgevangen, het was, alsof zooeven de voordeur zachtjes gesloten werd.…

„Ik moet zekerheid hebben,” fluisterde hij half luid.

Zoo snel hij kon, maar zonder veel gerucht te [29]maken, ijlde hij de gang ten einde, bereikte de vestibule, stak haar snel over, en stond voor de voordeur.

Bijna was hem een kreet ontsnapt.

De beide zware koperen grendels waren teruggeschoven, de dikke koperen ketting was losgehaakt, en schommelde nog zachtjes heen en weder.…

Er kon niet meer aan getwijfeld worden, zooeven had iemand het huis verlaten.

Charly rukte de deur open, en keek naar buiten.

Er waren slechts weinig voorbijgangers te bespeuren in deze deftige wijk, en er reden juist een paar auto’s voorbij, maar Charly kon volstrekt niets verdachts zien.

Toch bleef hij nog eenige oogenblikken zoo staan kijken, en toen ging hij langzaam weder in huis terug, sloot de deur weder, deed de grendels en den ketting er weer op, en bleef in gedachten verzonken staan.

„Wie voor den drommel kan nu het huis verlaten hebben?” bromde hij binnensmonds. „Wel natuurlijk, het kan niemand anders geweest zijn dan die helleveeg, dan Canny. Maar, dan moet zij ook iets vermoed hebben, erger nog, dan moet zij zekerheid hebben gehad. Maar als dat zoo is, dan, dan loopt Raffles het grootste gevaar. Dan zou zij gelegenheid hebben, om op haar beurt de politie te gaan waarschuwen, en dat zou in de gegeven omstandigheden uiterst gevaarlijk zijn. Wij moeten ons aanstonds gaan overtuigen of die vrouw nog in haar kamer is of niet. Misschien heb ik mij nog vergist, misschien was het wel een van de bedienden, die nog laat een boodschap is gaan doen. Maar laat ik eerst Henderson gaan waarschuwen, die zich wel ergens in den tuin zal bevinden, hij moet zich bij ons komen voegen, en als ik Raffles een raad mag geven, dan verlaten wij hals over kop dit huis, want ik wil mij laten kielhalen als er niet iets broeit.”

Charly aanvaardde dus den terugweg weder, opende opnieuw de tuindeur, wilde naar buiten treden, en keek recht in den loop van een revolver, die een zwaar gebouwde politieman hem voorhield.

„Niet zoo haastig, mevrouw,” zeide de agent op barschen toon. „Ga het huis weer binnen als ik u verzoeken mag.”

„Te laat,” bromde Charly tusschen de tanden.

Daar hij evenwel zag, dat de agent door nog twee andere vergezeld was, die beschikten over even afdoende argumenten als hijzelf in den vorm van twee vervaarlijke revolvers, deed hij schouderophalend een stap terug, maar voor de deur gesloten werd, liet hij het bekende waarschuwingssein hooren, dat bedoeld was voor Henderson, die zich wel in de buurt en nog in vrijheid zou bevinden.

En daarop viel de deur dicht, twee agenten namen Charly tusschen hen in, een derde volgde hem op de hielen, en zoo begaven zij zich naar boven, naar het vertrek, waar Charly den Gentleman-Inbreker zooeven had achter gelaten.

Reeds op de gang had Charly Brand opnieuw den snerpenden waarschuwingskreet laten hooren, die door de agenten slechts door een medelijdend schouderophalen werd beantwoord, en toen hij binnentrad begreep hij de beteekenis van dien spot, daar stond Raffles, met een flauwen glimlach om de lippen, koel en onbewogen, maar omringd door een zestal agenten van politie, aangevoerd door een commissaris.

Deze ambtenaar had klaarblijkelijk reeds eenigen tijd met korte stappen het vertrek op en neer geloopen, en stond pas stil, toen Charly door de drie agenten werd binnengeleid.

Hij wachtte tot de deur zorgvuldig gesloten was, en begon toen, zich tot Raffles wendende:

„Pardon, professor, het is uiterst onaangenaam voor mij, maar ik ben wel genoodzaakt om mijn plicht te doen. Berust wat wij nu doen werkelijk op een vergissing, dan zal ik de eerste zijn, die u daarvoor mijn oprechte verontschuldigingen aanbied, maar wij hebben informatie ontvangen, die mij dwingt, hier een zeer grondig onderzoek in te stellen. Gij zult dus wel zoo goed zijn, zonder omwegen te antwoordden op de vragen, die ik u zal stellen.”

„Ga u gang, commissaris,” antwoordde Raffles kalm.

„Waart gij het, die ons hedenmiddag hebt verzocht, hier te verschijnen met een tiental agenten, teneinde ons meester te maken van een aantal bandieten en van Canny Macleod, die zich onder een valsch voorgeven bij u zou hebben ingedrongen?”

„Zoo is het, mijnheer.”

„Gij komt van New-York?”

„Ja, ik nam daar deel aan het oudheidkundig internationaal congres.”

„Weet gij zeker dat Canny Macleod zich hier nog in huis bevindt?” [30]

„Ik zou niet inzien, waarom zij het zou hebben kunnen verlaten.”

„Wij zullen er ons aanstonds van overtuigen. Maar stil, daar zijn uw bedienden reeds, die wij hebben laten halen.”

Inderdaad waren Jerry en Blount een oogenblik te voren binnengetreden, en zij staarden vol verbaasde verontwaardiging naar de groep midden in het vertrek.

De commissaris wendde zich tot Jerry, en vroeg:

„Hoe heet gij, goede vriend?”

„Jerry, mijnheer. Maar mag ik weten.…”

„Het is niet aan u, maar aan mij om vragen te stellen,” viel de commissaris hem streng in de reden. „Herkent gij dezen heer als uw meester?”

„Als dat een grap moet verbeelden, mijnheer …” viel Jerry woedend uit.

„Bedenk tegen wien je spreekt, man, en antwoord mij zonder omwegen,” riep de commissaris op barschen toon. „Is deze man professor Daring, ja of neen?”

„Natuurlijk is hij het,” antwoordde Jerry woedend. „Wat beteekent die onzinnige vraag?”

De commissaris legde hem met een gebaar het stilzwijgen op, en vervolgde kortaf:

„Weet gij, waar.… het jonge meisje slaapt, dat professor Daring onder zijn bescherming heeft genomen?”

„Ja, mijnheer,” antwoordde Jerry, die van verbazing niet wist of hij waakte of droomde.

„Ga u dan dadelijk overtuigen of zij er nog is. Haast u wat.”

Jerry verdween, en gedurende den korten tijd van zijn afwezigheid werd er in het vertrek geen woord gesproken.

Toen hij terugkwam, vroeg de commissaris onmiddellijk:

„Welnu?”

„Zij is er niet, mijnheer.”

„Was het bed beslapen?”

„Het was niet aangeroerd.”

„Dat pleit in ieder geval niet in uw voordeel … professor,” hernam de commissaris, langzaam zijn hoofd in de richting van Raffles wendend, die een weinig bleek was geworden onder het dunne laagje schmink, dat zijn gelaat bedekte, maar overigens volkomen kalm was gebleven.

Hij doorzag nu alles, en hij verwenschte zijn onvoorzichtigheid, en die van Charly Brand, want het was nu maar al te duidelijk, dat de jonge man wel degelijk goed had gehoord, toen hij meende, in de gang eenig gerucht te hooren, en dat Canny een gedeelte van hun gesprek had afgeluisterd, misschien wel door het sleutelgat had gegluurd, gehoor gevend aan haar eeuwigdurend wantrouwen, en daarbij de gewaande mevrouw Daring met een sigaar in den mond, zonder pruik, en met de voeten op het tafelblad had waargenomen.

Zij had zeker tot het allerlaatste oogenblik gewacht, na zelf de politie te hebben gewaarschuwd, door middel van een der telefoons in huis, had zich nog overtuigd, dat de politie-auto kwam aanrijden, en vervolgens de vlucht genomen.

Daaraan was nu niets meer te veranderen, en Raffles zou rekening moeten houden met geheel veranderde omstandigheden, omstandigheden, die zeer in zijn nadeel waren gewijzigd sedert eenige oogenblikken.

Na de woorden van den commissaris bleef het even stil in het vertrek.

Toen vervolgde de politiebeambte op drogen, bevelenden toon, die reeds niet meer hoffelijk klonk: „Ik zal u moeten verzoeken, professor, mij toestemming te geven, om mij persoonlijk te overtuigen, of.… uw hoofdhaar en uw baard echt zijn.”

Daar Raffles wel begreep, dat een grondig onderzoek binnen enkele oogenblikken het bedrog aan het licht moest brengen, antwoordde hij rustig:

„Gij kunt u die moeite besparen, mijnheer, het een zoowel als het ander is valsch.”

„Ah. Ik vermoedde zoo iets. En die dame?”

„Mijn vrouw is, als ik het zoo mag uitdrukken, commissaris, eveneens valsch,” antwoordde Raffles rustig.

En hij wendde zich tot Charly, en zeide, op een toon, die aanstonds de opmerkzaamheid van den jongen man had:

„Trek je rokken en de rest maar uit, vrouwtje, zij mochten je eens in je bewegingen belemmeren.”

In een oogwenk had Charly de vrouwenkleeren afgeworpen, de pruik afgedaan, en daar stond nu een krachtig gebouwde jongeman, met een oud gerimpeld gelaat.

De commissaris had snel een kreet van verbazing en zegepraal onderdrukt, en zeide: [31]

„Ik weet wat ik weten wil, die kleine duivelin heeft dus toch gelijk gehad, wij missen haar en haar mannen, maar ik geloof niet, dat ik spijt behoef te hebben van de ruil. Mannen, maakt u van deze twee bedriegers meester.”

Nauwelijks had de commissaris deze woorden gesproken, of rinkelend vloog de groote balkondeur in scherven, en een doordringende stem, een goed bekende stem riep:

„Hierheen, uwe Lordschap. Hierheen. In den boom. In den boom.”

Sneller dan de gedachte sloeg Raffles met twee meesterlijke kinstooten de twee dichtst bijstaande agenten terneder, en Charly wierp een zwaren stoel naar de beenen van een paar anderen, die er over heen tuimelden, en in de aldus gevormde geul stortten zich de beide vrienden en stormden vlug als de wind naar het openstaande balkonraam.

Daar zagen zij een wonderlijk schouwspel.

Op een afstand van ongeveer vijf meter van het balkon verhief zich een populier, en in den top daarvan zat James Henderson.

Met behulp van een sterk touw had hij, eenmaal in de boom geklommen zijnde, een lus weten te slaan om een der zware knoppen van de balkonleuning en daarop had hij met reuzekrachten, door aan het touw te trekken, den top van den boom tot over het balkon kunnen brengen, waarop hij het touw aan een der dikste takken had vastgemaakt, zoodat de boom in denzelfden stand bleef, gespannen als een geweldige boog, met het touw, waarvan het andere einde tot op den grond afhing, als koord.

Terwijl achter hen een luid geschreeuw van woede weerklonk, sprongen Raffles en Charly tegelijk, vlug als acrobaten schrijlings op een paar dikke takken, en met een enkelen slag van zijn sterk mes knapte Henderson het als een snaar gespannen touw door, zoodat de populier terugzwiepte.…

Bijna waren de mannen door de hevige beweging uit den kruin van den boom geslingerd, maar zij hielden zich stevig vast, en lieten zich snel als het weerlicht aan het dikke touw op den grond glijden, juist toen de eerste agenten op het balkon verschenen, en als razenden in den blinde begonnen te vuren.

De drie mannen stormden door den tuin, wipten over den muur, daar de kleine poort gesloten bleek, en waren eenige minuten later in veiligheid.