(Z. en O. Afd. van Borneo) op den 18den Maart 1887.
De beweging op koloniaal gebied heeft tegenwoordig in de meeste landen van Europa alle klassen der maatschappij aangegrepen en meegesleept. Werkelijke en salon-ontdekkers doorzoeken met begeerige oogen elk werelddeel, om nog ergens een vergeten plekje grond te vinden, dat in bezit genomen zou kunnen worden. Oude en nieuwe akten worden doorsnuffeld om eene paragraaf te ontdekken, die voor tweeledige uitlegging vatbaar is, en waaruit misschien een schijn van recht tot inbezitname is af te leiden. In het kort, een levendig verlangen naar uitbreiding van gebied doet zich overal gevoelen, en het oude liedje: Mein Vaterland muss grösser sein, zweeft meer dan ooit op de lippen van geestdriftvolle patriotten. [167]
Dit jagen naar eene aanwinst, die meestal slechts in de verbeelding bestaat, trekt de aandacht van de binnenlandsche aangelegenheden der in bezit te nemen landen af; hoewel het toch noodig is daaraan in de eerste plaats de opmerkzaamheid te wijden, om de vernietiging van bestaande welvaart, ja zelfs het verlies van de geheele bezitting in de toekomst te voorkomen.
Zelfs mogendheden, die eeuwenlang in het bezit waren van uitgestrekte koloniën, die beroemd zijn wegens hun uitstekend bestuur, moeten ondervinden dat een maatregel, die op zichzelf van weinig gewicht schijnt, aanleiding geeft tot jarenlange woelingen, die slechts met de bajonet kunnen worden bedwongen.
Een voorbeeld hiertoe leveren de militaire operatiën der Nederlanders op het eiland Borneo, die plaats hebben, zonder dat de buitenwereld er veel van bemerkt.
Lang voordat de Islam op Java was doorgedrongen, hadden Javanen reeds koloniën gesticht aan de zuidkust van Borneo, terwijl Boegineezen en andere Maleiers zich op de oostkust hadden gevestigd. Deze kolonisten vermengden zich langzamerhand met de oorspronkelijke bewoners des lands, de Dajaks, en deden zoo het gemengde ras ontstaan, dat tegenwoordig de kuststaten van Borneo bevolkt. De Dajaks werden allengs meer en meer [168]naar de binnenlanden teruggedrongen, en het viel den kolonisten, die in ontwikkeling verre boven de oorspronkelijke bewoners stonden, niet moeilijk zich als beheerschers van het land te doen eerbiedigen. Zoo werden de verschillende Maleische staten gegrondvest, waarvan Bandjermasin het machtigst was. Toen de Nederlanders hun gezag ook over Borneo uitstrekten, lieten zij het inwendig bestuur aan de vorsten over, in de uitoefening waarvan deze natuurlijk werden bijgestaan en geleid door Europeesche ambtenaren, zoodat de Nederlandsche regeering eene voortdurende contrôle op hunne handelingen uitoefende.
De rust bleef ongestoord, totdat in het jaar 1857 sultan Adam overleed, en in diens plaats Tamdjid’oellah door de regeering tot sultan van Bandjermasin werd benoemd, terwijl een kleinzoon van den overledene, Hidajat’oellah, tot rijksbestierder werd aangesteld. Deze regeeringsmaatregelen wekten ontevredenheid. Hidajat, Antasari, Demang Lehman en andere hoofden wisten in het geheim de bevolking tot verzet aan te sporen, en in het jaar 1859 werd openlijk de vaan des opstands ontrold. Slechts na groote krachtsinspanning en ten koste van talrijke offers mocht het den Nederlanders gelukken den opstand te bedwingen, en in 1860 werd het rijk van Bandjermasin bij het Nederlandsche gebied ingelijfd. Hiermede was evenwel [169]nog op verre na de rust niet hersteld. Met korte tusschenpoozen bleven de woelingen aanhouden, waarvan, na het overlijden of onschadelijk maken van bovengenoemde aanvoerders, de zoon van Antasari, Goesti Mohamad Seman, het hoofd was. Met eene hardnekkigheid, eener betere zaak waardig, bleef deze zich verzetten, en hij wist de lichtgeloovige inboorlingen gemakkelijk voor zijne zaak te winnen.
Nog steeds zwerft hij, zich sultan noemende, omringd door eene kleine schaar van ontevreden hoofden, door Borneo’s wildernissen. Tot heden heeft hij alle toenadering tot het gouvernement geweigerd. Hij wil alleenheerscher zijn.
Bij vele zijner in de herhaalde gevechten gesneuvelde volgelingen vond men akten van aanstelling, waarin die verblinden tot regent, opperpriester of andere aanzienlijke ambten in zijn te stichten rijk werden benoemd.
In zijn onderhoud voorziet hij door afpersingen van weerlooze kampongbewoners, die hij tevens door valsche voorspiegelingen of door geweld dikwijls tot verzet weet over te halen.
Van elke ontevredenheid der bevolking, al heeft de oorzaak daarvan in de verte met zijne zaak niets uitstaande, maakt hij gretig gebruik om de domme, goedgeloovige Dajaks tot opstand aan te zetten en hen zoodoende ter slachtbank te voeren. [170]Zelf houdt hij zich steeds voorzichtig buiten schot, en dit doet hem bij weldenkenden zeker niet in achting rijzen. Zoo sneuvelden in het jaar 1883, bij de bestorming van Mandoeroeian door onze troepen, velen van zijne trouwste aanhangers, terwijl hijzelf op behoorlijken afstand in de wildernis van eene zekere overwinning droomde. Gelijk een wild dier werd hij toen opgejaagd, doch het mocht ons niet gelukken hem te vangen. Steeds wist hij in de ontoegankelijke bovenstreken te ontkomen. Dit zal menigeen, die met de toestanden van het land niet bekend is, onverklaarbaar voorkomen. Voornamelijk door Duitsche „Colonialschwärmer” hoort men dikwijls met zekere minachting spreken over de weinige voortvarendheid, waarmede de Nederlanders tegen hunne oproerige overzeesche onderdanen optreden. Doch hoe spoedig zouden zij van gedachten veranderen, indien zij het land eens met eigen oogen konden aanschouwen!
Onderscheidene bergruggen strekken zich op Borneo van het centraalgebergte tot aan de zee uit. Hiertusschen liggen onmetelijke laagvlakten, doorsneden door kolossale stroomen en bedekt met eeuwenoude wouden, die slechts langs enkele, bijna niet te onderscheiden voetpaden en met behulp van een inlandschen gids kunnen worden binnengedrongen. Eb en vloed doen zich op de rivieren tot ver in het binnenland gevoelen, en de lagere terreingedeelten [171]worden dan ook geregeld onder water gezet.
De stroomen zijn in dezen wilden chaos bijna de eenige verkeerswegen.
Langs de oevers vindt men hier en daar, op groote afstanden van elkander verwijderd, kleine Dajaksche kampongs met de daarbij gelegen ladangs (droge rijstvelden), want ook de inboorlingen vestigen zich natuurlijk bij voorkeur aan de gemeenschapswegen.
Langs de rivieren bewegen zich ook bijna uitsluitend de militaire expeditiën. Waar zij voldoende diepte hebben, wordt gebruik gemaakt van stoomschepen of groote prauwen. Nadert men evenwel de bovenstreken, waar breedte en diepte afnemen, dan moeten manschappen, munitie en vivres in djoekongs (uitgeholde boomstammen) worden overgeladen.
Prauwen en djoekongs worden door inboorlingen geroeid, die met hunne korte spadevormige pagaaien aan die vaartuigen eene verbazende snelheid weten te geven.
Opmerkenswaard bij die menschen is de buiten verhouding sterke ontwikkeling der armspieren, vergeleken met de dunne, dikwijls kromme beenen. De oorzaak daarvan is evenwel niet ver te zoeken. Slechts korte afstanden worden door den inlander te voet afgelegd. Moet hij eene grootere reis ondernemen, [172]dan neemt hij zijn pagaai, plaatst zich met de beenen onder het lichaam gekruist in zijn djoekong, en voort gaat het. Het valt hem niet moeilijk om zoo zes-en-dertig uur achter elkaar door te roeien, zonder meer tusschenpoozen dan den tijd, die noodig is voor het bereiden en verorberen van het eten.
De voor eene militaire expeditie benoodigde roeiers behooren òf tot de hulptroepen, die onder hunne eigen hoofden de expeditie vergezellen, òf het zijn andere inboorlingen, die tegen betaling tot dien dienst verplicht worden. In beide gevallen zijn zij weinig te vertrouwen. Niet zelden kwam het voor, dat bij een vijandelijken aanval de roeiers ’s vijands zijde kozen en zich op de argelooze soldaten stortten. Andere malen gebeurde het, dat zij bij het eerste schot overboord sprongen en naar land zwommen om van daar uit, behoorlijk gedekt opgesteld, het verder verloop der dingen gade te slaan. Welk eene heillooze verwarring hierdoor werd gesticht, kan men zich voorstellen, wanneer men weet dat de soldaten in het hanteeren der pagaaien onbedreven zijn. Doch niet alleen met de trouweloosheid van hulptroepen en roeiers hebben de militaire expeditiën te kampen. Ook de natuur en de listen des vijands, die met groote scherpzinnigheid van de voordeelen, welke het terrein hem biedt, weet gebruik te maken, stellen volharding en moed der soldaten op eene zware proef. [173]
Talrijke stroomversnellingen en neergestorte rotsblokken maken de vaart op de bovenrivieren reeds moeilijk. Op verschillende plaatsen worden bovendien door den vijand nog versperringen van omgekapte boomen enz. aangelegd. In het dichte woud aan den oever verscholen, wacht hij de komst der troepen af. Nauwelijks is de colonne de versperring genaderd en wil die omtrekken of opruimen, of eene hagelbui van kogels, pijlen en werpschichten overstelpt de verraste soldaten. Van alle zijden schieten uit kleine soengei’s de halfnaakte inlanders, onder luid geschrei, in hunne lichte vaartuigen te voorschijn. Boomen, aan den voet bijna geheel doorgekapt en slechts door een rotankabel staande gehouden, worden losgemaakt en storten op de strijdende dapperen, die met den moed der vertwijfeling hun leven verdedigen. Thans komt het er op aan bij elkander te blijven, kalm te zijn en vooral snel en juist te schieten.
Dit laatste is voorwaar geen kleinigheid in die kleine smalle djoekongs, die bij de minste onvoorzichtige beweging omslaan.
Het gevecht heeft nog slechts kort geduurd, doch van de eerste verrassing bekomen, hebben de soldaten zich weder geordend en brengen op hunne beurt den vijand groote verliezen toe. Reeds zijn verscheidene van zijne djoekongs zonder bemanning en drijven de rivier af, terwijl de lijken [174]der gesneuvelden eene prooi worden der talrijke kaaimans, die zich in deze wateren ophouden.
Nog een laatste wanhopige aanval, die zegevierend wordt afgeslagen, en even snel als zij gekomen zijn, verlaten de aanvallers in overhaaste vlucht het tooneel van den strijd. Die aanval heeft ons menig offer gekost.
De verliezen worden opgenomen, de gewonden verbonden, en zoo mogelijk onder dekking teruggezonden. Daarna wordt de tocht naar het operatie-object zoo spoedig mogelijk voortgezet om misschien bij eene volgende kronkeling der rivier in eene zelfde hinderlaag te vallen.
Laat nu nog iemand spreken van geregeld oorlogvoeren!
In onrustige streken worden dikwijls ver vooruitgeschoven tijdelijke militaire posten opgericht, met het tweeledig doel de omwonende bevolking vertrouwen op ons gezag in te boezemen en als operatie-basis te dienen voor mogelijke expeditiën. Zulke posten zijn al zeer eenvoudig ingericht. Eene palissadeering uit ruwe boomstammen bestaande, met twee cirkel-bastions, waarop een paar gladde ijzeren kanonnen in batterij staan, omgeeft de gebouwen. Deze, die bestaan uit de woningen voor den commandeerenden officier en de manschappen, vivres- en munitiemagazijnen en meestal een klein hospitaal, worden van bamboe opgetrokken en met atap gedekt. [175]
Welk een ongunstigen invloed het verblijf in zulk eene versterking, die meestal is gebouwd op een vochtigen, met rottende plantaardige stoffen overdekten bodem, moet uitoefenen op de gezondheid, zal een ieder, die wel eens beschrijvingen van tropische landen gelezen heeft, gemakkelijk begrijpen.
Dysenterie, malaria en beri-beri dunnen aanhoudend de bezetting.
In dit opzicht was Toejoen, het uitgangspunt van de hierna te vermelden expeditie, berucht.
Reeds vóór het oprichten van den post te Toejoen waren bij het bestuur berichten ontvangen omtrent woelingen onder de bevolking aan de Boven-Kahajan.
Mohamad Seman wist eene door lieden van de benedenstreken ondernomen plundering op rekening van het Nederlandsche gouvernement te schuiven, en weldra had hij de geheele Boven-Kahajan in vollen opstand gebracht. Thans moest snel gehandeld worden. Om te beletten dat de opstand ook op den meer benedenstrooms wonenden stam der Oeloeh Baranarè zou overslaan, werd te Tewah eene tijdelijke versterking opgericht in de nabijheid der woning van het ons getrouwe hoofd Temanggoeng Mangkoe Kenjapi en door 40 man hulptroepen onder het flinke districtshoofd van Klein-Dajak, Radhen Johannes Karsa Negara, bezet.
Een ander belangrijk punt, de kampong Toembang Koeroen, ongeveer vier uren roeiens stroomafwaarts [176]van Tewah aan de soengei van denzelfden naam gelegen, werd bezet door eene bende hulptroepen onder het hoofd van Groot-Dajak, Demang Anoem Djaja Karsa. Dit punt was daarom van veel belang, omdat genoemde soengei den hoofdverbindingsweg vormde met de Boven-Kapoens.
Niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen gelukte het eene kleine vijandelijke bende, onder aanvoering van een paar mindere hoofden, in een donkeren nacht onze versterking te Tewah voorbij te sluipen en den meergenoemden stam der Oeloeh Baranarè in opstand te brengen. De toestand van den controleur, die zich te Tewah bevond, dreigde nu zeer hachelijk te worden. Beide bovengenoemde districtshoofden snelden evenwel ter hulpe, verdreven de vijandelijke bende en herstelden de rust.
Thans werd de militaire post te Toejoen opgericht en bezet door 50 man onder een luitenant. Ook de controleur vestigde zich nu te Toejoen.
De vijand zat intusschen niet stil.
Onze hulptroepen werden in de versterking te Tewah aanhoudend bestookt.
Een inlander, Koesin, die door den controleur met eenige manschappen naar de bovenstreken was gezonden om te trachten den stam der Ot-Danoems te bewegen zich in hun eigen belang niet bij den opstand aan te sluiten, werd even boven Tewah uit eene vijandelijke versterking beschoten, tengevolge [177]waarvan hij en een zijner volgelingen gewond werden. Met een duren eed zwoer hij bloedige wraak te zullen nemen. Dat hij dien eed gestand deed, zullen wij hieronder zien.
Eenigen tijd ging nu voorbij, zonder dat er veel belangrijks voorviel, totdat in het begin van 1887 de controleur plotseling te Toejoen onder eenigszins geheimzinnige omstandigheden overleed.
Mohamad Seman, die inmiddels aanzienlijke versterkingen bekomen had, wist aan dit feit in de oogen der lichtgeloovige bevolking zulk eene beteekenis te geven, dat hij zich weldra in staat zag gesteld om aanvallend op te treden.
Te Batoe Njewoek, vier uur roeiens boven Tewah, werd op zijn bevel eene versterking gebouwd, waarbinnen hij zelf zijn verblijf vestigde, en van waar hij zijne panglima’s uitzond om de Ot-Danoem tot den strijd op te roepen. Die zending gelukte maar al te wel. In korten tijd was zijne macht met pl. m. 500 strijdbare mannen van genoemden stam vermeerderd, die deels vrijwillig, deels gedwongen, zich onder zijne vanen schaarden.
De toestand werd thans bedenkelijk.
Door het opwerpen van eene versterking te Tamboeng Patangan, benedenstrooms van Tewah, was laatstgenoemde plaats geheel ingesloten, en de bezetting zag reeds het oogenblik naderen, dat zij, door honger gedwongen, voor de muitelingen zou [178]moeten zwichten. Zóóver zou het evenwel niet komen, dank zij het energiek optreden van den pas met het bestuur belasten controleur Aernout. Deze had reeds op zijne vorige standplaats, Koeala-Kapoeas, de tijding van de meerdere werkzaamheid des vijands vernomen. Met den meesten spoed verzamelde hij eene bende hulptroepen en begaf zich aan het hoofd daarvan naar de Kahajan-rivier, waar hij zich op het gouvernements-stoomschip Boni inscheepte en den 12den Maart Pahawan, de hoofdplaats van Midden-Kahajan, bereikte.
Inmiddels was het een man der bezetting van Tewah gelukt een brief van het districtshoofd, Radhen Johannes, naar Toejoen over te brengen. In dit schrijven werd de toestand blootgelegd en hulp verzocht.
In den voormiddag van den 13den Maart bereikte de controleur met de hulptroepen Toejoen, met vreugde begroet door de bezetting, die nu het vooruitzicht had op eenige afwisseling in den vervelenden garnizoensdienst.
Terwijl de controleur met den militairen commandant in overleg trad, leverde het terrein buiten de versterking een schouwspel op van enkel leven en bedrijvigheid.
Bonte groepen van in veelkleurige kleeding gedoste krijgers legerden zich om de hoog opvlammende vuren. Eene lucht van geroosterde visch [179]en andere spijzen, die straks dien hongerigen mannen tot maaltijd zouden strekken, prikkelde de reukorganen. Hier zag men er eenigen bezig met het nazien en schoonmaken van hunne tromplaadgeweren; daar scherpten anderen klewang of kris voor den aanstaanden strijd.
Het was een fantastisch tooneel.
Als gevolg van de conferentie tusschen den militairen commandant en den controleur ontving de Europeesche sergeant Loessl het bevel zich met een detachement, sterk één Inl. sergeant, één Eur. en één Inl. korporaal en zestien fuseliers, waaronder zes Europeanen, den volgenden dag bij de hulptroepen aan te sluiten, ten einde bij den aanval op de benedenstrooms Tewah gelegen vijandelijke versterking, hun tot zedelijken steun te strekken en tevens voor de persoonlijke veiligheid van den controleur te waken.
Den 14den tegen den middag brak de colonne op. De soldaten, voor wie het bijna ondoenlijk was zich in de kleine djoekongs in evenwicht te houden, werden in breedere platboomde vaartuigen geplaatst. Tevens werden uit voorzorg slechts aan de helft der roeiers geweren verstrekt, om te voorkomen, dat bij een plotseling treffen met den vijand, een ieder naar de wapenen zou grijpen en dientengevolge de colonne in verwarring zou geraken.
In de diepste stilte gleden de vaartuigen langs [180]den stroom. Op eenigen afstand snelden een paar lichte djoekongs vooruit, wier bemanning met scherpen blik den oeverrand bespiedde, om te ontdekken of niet de muitelingen ons door eene hinderlaag of versperring een poets zouden trachten te spelen, doch geen spoor van vijanden werd, zoover het oog reikte, bespeurd. Zoo vervolgde de colonne gedurende twee dagen haren weg. In den namiddag van den 16den werd de reeds vroeger vermelde kampong Toembang Koeroen bereikt.
Hier sloot zich het districtshoofd van Groot-Dajak, Demang Anoem Djaja Karsa, met zijne volgelingen bij de colonne aan. Men was nu in de onmiddellijke nabijheid des vijands. De daken werden van de vaartuigen genomen om geen hinder bij het vuren te ondervinden.
Den 17den werd de tocht vervolgd. De zon zond hare brandende stralen loodrecht op de donkere uniformen der soldaten; tallooze steekvliegen en muskieten maakten het stilzitten bijna onmogelijk. Hartelijk verheugd was dan ook ieder, toen in den namiddag de kampong Toembang Padjangei bereikt werd, waar zich een kleine wachtpost bevond, onder het kamponghoofd Doembang Pa Randan. Men was hier nog slechts twee uren roeiens verwijderd van het doel van den tocht, de vijandelijke versterking te Toembang Patangan.
Om te voorkomen dat de colonne in de duisternis [181]het gevecht zou moeten aannemen, waarbij de hulptroepen moeilijk van den vijand te onderscheiden zouden zijn, werd besloten hier te overnachten.
Met den commandant van het militair detachement werden de maatregelen besproken voor den aanval van den volgenden dag. Uit verschillende berichten was den controleur gebleken, dat het zoo goed als ondoenlijk was, de vijandelijke benting van de rivierzijde aan te vallen. De waterstand was laag en de oever steil, terwijl de vijand, die natuurlijk van die zijde den aanval verwachtte, zich daar geducht versterkt had. Het zou onder die omstandigheden waarschijnlijk onmogelijk blijken om de hulptroepen vooruit te krijgen. Men moest dus trachten over land in den rug der versterking te komen, doch omtrent een voetpad daarheen was den controleur niets bekend. Gelukkig wist bovengenoemde Doembang Pa Randan hieromtrent eenige inlichtingen te geven. Voor eenige dagen had hij getracht levensmiddelen aan de belegerden in Tewah te doen toekomen, doch was bij die poging benedenstrooms van de vijandelijke versterking hevig beschoten geworden, zoodat hij met eenige gewonden moest terugkeeren. Daar in den omtrek van de plaats van den aanval geen prauwen te zien waren, leidde de controleur hieruit af, dat de vijandelijke afdeeling, die waarschijnlijk uit de benting beneden Tewah afkomstig [182]was, over land daarheen gekomen moest zijn. Hij besloot dus bij den opmarsch van den landweg gebruik te maken. Het bleek later dat hij volkomen juist had gezien.
Bovendien was het hem bekend, dat de inlandsche vijand, uit vrees voor overklimming, de palissaden veel te hoog maakt, zoodat het bij een aanval zaak is, zoo spoedig mogelijk den voet der palissadeering te bereiken, waar men voor zijn geweervuur betrekkelijk veilig is.
Er werd dan besloten dat, zoodra de soldaten in den rug der versterking zouden gekomen zijn, een paar salvo’s gegeven en onmiddellijk daarna tot de bestorming zou worden overgegaan.
Ook het te Tewah bevelvoerende districtshoofd wilde de controleur met zijn plannen in kennis stellen. Hij schreef een brief, waarin hij hem tevens gelastte om, zoodra hij bemerkte dat de colonne voor de vijandelijke versterking was aangekomen, met een gedeelte zijner troepen een uitval te doen.
Het overbrengen van dit schrijven werd opgedragen aan eenige manschappen der hulptroepen. Na een paar uren kwamen deze evenwel onverrichterzake terug.
Zij hadden op hunnen tocht een zestal sterk bemande vijandelijke rangkans (platboomde vaartuigen) ontmoet en waren daarvoor teruggedeinsd. [183]Thans werden vrijwilligers opgeroepen om tegen groote geldelijke belooning den brief over te brengen. Weldra boden er zich drie aan, waaronder de hierna te noemen Toenda en Bakal.
Het gelukte hun overland Tewah te bereiken, hoewel zij eenmaal door een vijandelijken post waren aangeroepen.
Den terugweg legden zij te water af. Nabij de vijandelijke versterking legden zij zich plat op den bodem van het vaartuig. Op het aanroepen van den vijand werd natuurlijk geen antwoord gegeven, en deze verkeerde waarschijnlijk in de meening, dat het vaartuig een losgeraakte djoekong was, die stroomafwaarts dreef. Zoodra was niet het gevaar gepasseerd, of met alle kracht werd doorgeroeid, en des morgens om halfvijf konden zij den controleur den goeden uitslag van hunne zending mededeelen.
De troepen hadden dezen nacht veel te doorstaan. In de smalle prauwen gezeten, nu en dan doorweekt door eene tropische regenbui, wachtten zij reikhalzend het aanbreken van den morgen af. Nu en dan vertoonde de maan haar bleek aangezicht voor korten tijd, om zich het volgend oogenblik weder achter zware wolken te verschuilen en het omliggend woud in duisternis te hullen.
De diepe nachtelijke stilte werd slechts afgebroken door het kletteren van den regen, het kraken [184]van een neerstortenden tak of het gekras van een nachtvogel. Zwermen muskieten maakten den doodmoeden mannen zelfs het stilzitten bijna onmogelijk. Er scheen aan dien nacht geen einde te zullen komen. Eindelijk, eindelijk verkondigde eene lichtstreep in het oosten, dat het lijden ten einde spoedde.
Een oogenblik begaven zich de manschappen aan wal om aan de verstijfde ledematen eenige beweging te gunnen. Om 7 uur ging alles weder aan boord en werd de tocht voortgezet. Tot voorhoede was aangewezen eene afdeeling hulptroepen sterk 60 man in zes prauwen onder bevel van het districtshoofd Demang Anoem Djaja Karsa. Deze moest de oevers nauwkeurig onderzoeken en bij een vijandelijken aanval positie nemen en de hoofdwacht afwachten.
Langzaam trok de colonne voort.
Gesproken werd er niet meer; alle bevelen werden door teekens gegeven. Elk oogenblik kon men op den vijand stuiten.
Ook de roeiers waren zich het gevaar bewust. Loodrecht dompelden zij hun pagaaien in den vloed, vooral zorgende met hun riemen de vaartuigen niet aan te raken, opdat geen geluid den vijand het naderen der onzen verraden mocht
Men zag hunne armspieren zwellen onder de buitengewone krachtsinspanning, die deze wijze van roeien vorderde.
Te midden van eene drukkende stilte als die [185]welke een onweder voorafgaat, gleed de flottille langs den stroom.
Daar werd door de voorhoede een teeken gegeven.
Zij had de plaats bereikt waar Doembang Pa Randan beschoten was. Eenige manschappen gingen aan land en doorzochten, zich als slangen door het woud bewegende, het omliggend terrein. Weldra gaven zij door teekens te kennen, dat van den vijand niets te bespeuren was.
Met een zucht van verlichting sprongen de soldaten aan land.
„Als de tocht nog een paar dagen langer geduurd had, was ik een visch geworden,” meende er een.
„Kijk mijn klavieren1 eens aan!” zei een ander, terwijl hij beide handen uitstrekte, welke er uitgeweekt en gerimpeld uitzagen als die eener waschvrouw. „Dat komt er niet op aan,” voegde de korporaal hem toe, „ze zullen toch nog wel deugen om er op te slaan?”
„Als onze bruine broeders er bij het eerste schot maar niet van door gaan.” zei degene, die ’t eerst gesproken had, op de hulptroepen wijzende, „doch ik laat liever deng-deng2 van mij maken dan dat ik die kerels naloop,” voegde hij er bij.
„Wij ook!” riepen de anderen. [186]
De komst van den controleur maakte aan het gesprek een einde.
Alle manschappen waren intusschen ontscheept. Eene sterke afdeeling hulptroepen werd aangewezen om de vaartuigen te bewaken. Vijftien man werden bestemd tot verdediging van de ambulance. Slechts ongeveer 100 man van de hulpbenden bleken moed genoeg te bezitten om den aanval mede te maken.
De soldaten waren voorzien van 50 patronen per man, terwijl nog een reserve van 500 stuks in een vaatje zich bij de ambulance bevond.
De hulptroepen hadden per man 20 patronen en 30 slaghoedjes.
In alle stilte werd de marsch aanvaard. Vooruit marcheerde het districtshoofd van Groot-Dajak met 25 inboorlingen. Daarop volgde de spits van het militair detachement onder den korporaal Mattis. De hoofdtroep werd gevormd door de overige soldaten onder den sergeant Loessl en de bevolkingstroepen. Hierbij bevond zich ook de controleur.
Het voetpad, dat men volgde, bleek in den laatsten tijd veel gebruikt te zijn. Het leidde door een verlaten rijstveld, te midden waarvan zich een huisje bevond. Snel werd dit doorzocht doch er vertoonde zich geen levende ziel. Eenige oogenblikken later kwam een andere woning in het gezicht, die verder afgelegen was en waarin het [187]scherpe oog van het districtshoofd beweging meende te bespeuren. Doch de controleur gelastte door te marcheeren, men mocht zich niet laten ophouden. Later bleek dat bedoelde woning een wachtpost van den vijand had gehuisvest.
Reeds spoedig viel aan de houding van de voorhoede op te merken dat men de vijandelijke versterking naderde. Als slangen kropen de mannen over den grond. Eerst moest evenwel nog eene kleine, doch tamelijk diepe soengei worden overgetrokken. Een enkele bamboe diende tot brug.
De voorhoede was spoedig aan de overzijde, doch toen de korporaal Mattis ook den overtocht wilde beproeven, brak plotseling de bamboe, en met den uitroep: „daar heb je nou het gedonder al!” stortte hij in het riviertje.
Poedelnat bereikte hij de overzijde, waar hij spoedig op het droge werd geholpen. Een geluk was het nog, dat zijn geladen geweer bij den val niet afging, anders zou de vijand ontijdig van onze komst verwittigd zijn geworden.
In de grootste orde werd nu door de volgende troepen de rivier doorwaad, waarbij het water hun soms tot aan de kin reikte. Na nog een vijftig schreden te zijn doorgemarcheerd, ontdekte de voorhoede op pl. m. 50 M. afstand de vijandelijke benting.
De gele, driehoekige sultansvlag, met twee roode [188]gekruiste zwaarden in het midden, wapperde uitdagend van den hoogen vlaggemast.
Het militaire detachement marcheerde nu rechts op. De controleur bleef met de hulpbenden het voetpad volgen. Toen hij deze aan den boschrand had opgesteld en zich even buiten het struikgewas vertoonde, werd hij door den vijand met geweerschoten begroet.
Een hevig geweervuur ontwikkelde zich nu. Boven het knetteren der geweren klonk het tartend geschreeuw des vijands: madjoe andjing blanda, madjoe kafir!3
Spoedig bekwamen wij eenige gewonden. De politiedienaar Thaib, die naast den controleur stond, werd door een schot in den elleboog getroffen, terwijl een man van de hulptroepen eveneens een kogel door den arm kreeg.
Inmiddels was ook het militair detachement opgesteld, en na eenige goed gerichte salvo’s klonken reeds spoedig de commando’s: „avanceeren, attaqueeren!” Door eenige inlanders gevolgd stormden de soldaten als duivels op de versterking los. Zij stuitten echter op een 2.5 M. hooge en van borstrandjoes voorziene bamboeversperring, waarin evenwel eene kleine opening voor den terugtocht was gelaten. [189]
Hiervan maakte de Eur. fuselier Lebrun gebruik om tot de palissaden door te dringen en door een der schietgaten een levendig vuur op de binnen de versterking opgehoopte vijanden te openen. Het gevecht nam in hevigheid toe. Het gekerm der gewonden vermengde zich met de scheldwoorden, die de vijand onzen soldaten naar het hoofd slingerde. Doch deze lieten zich daardoor niet in de war brengen; ze kenden hun luidjes. Telkens wanneer zoo’n zwarte kop zich boven de palissaden vertoonde, klonk een doffe kolfslag of kraakte een schot, en de boeventronie verdween om niet weer te voorschijn te komen.
Sergeant Loessl weerde zich dapper.
Behalve eenige andere muitelingen, had hij ook een der hoofdaanvoerders Naia, door een welgericht schot, van het banket doen tuimelen.
Het vuurgevecht begon blijkbaar den inlander Toenda te vervelen. Vastberaden trok hij zijn mandau en begon daarmede de bamboeversperring om te kappen.
Een op hem gericht schot trof den Eur. fuselier Hess door de beide handen. Met een smartkreet liet deze zijn geweer vallen.
„Piet,” riep hij den achter hem staanden fuselier Bezem toe, „mijn beide vlerken zijn naar de bl.…”
„Klets niet,” antwoordde deze, „ik kan mijn duim [190]niet meer vinden.” Dezelfde kogel had hem den duim weggenomen.
„Hier hebt ge een zakdoek, blijf maar rustig liggen,” voer hij voort, „eerst moet ik het dien smeerlap betaald zetten.” Met deze woorden legde hij op den panglima Tjagat, die het schot gelost had, aan en doorboorde hem de hersens.
„Adoe!” klonk het van de lippen eens inlandschen fuseliers in de nabijheid. De arme kerel had de volle lading van een donderbus door den arm gekregen. Zooals later bleek waren zelfs enkele kogels tot in de lever doorgedrongen. „Wacht maar, arme bliksem, ze zullen er van langs hebben!” troostten hem de Europeesche kameraden.
Onder de vijanden weerde een hoofd, zekere Bahoeta, zich het meest. Hoewel reeds in de zijde gewond, bleef hij de zijnen aanvuren en zelf, met een donderbus gewapend, den strijd hardnekkig voortzetten.
„Piet,” zei Hess, terwijl hij bezig was met de eene punt van zijn zakdoek in den mond zijn gewonde handen te verbinden, „kun je dien vent niet neerleggen? Ik geef een rondje als we terug zijn.”
„Je bent het kwijt!” riep kort daarop de aangesprokene, nadat hij den opstandeling een kogel door het hart had gejaagd.
Waar het ’t heetst toeging was de controleur te [191]vinden. „Madjoe!” (vooruit) hoorde men hem aanhoudend de hulpbenden toeroepen. Juist had hij zich naar de andere zijde der versterking begeven om de daar geposteerde inlanders aan te vuren, toen een achttal vijanden over de palissaden sprongen met het doel te ontvluchten.
Hunne poging mislukte. Zij vielen onder de klewangs en krissen der inboorlingen.
Een windvlaag vaagde een oogenblik den kruitdamp weg. Daar zag de controleur de bezetting van Tewah, ingevolge zijn last, ter hulpe snellen. In den looppas naderden zij, juichend in het vooruitzicht wraak te kunnen nemen op de vijanden, die hun zoo lang hadden doen honger lijden. Als de bliksem schoot den controleur de gedachte door het hoofd, dat deze mannen wellicht door onze soldaten voor vijanden zouden worden aangezien. Zich om den kogelregen niet bekommerende, ijlde hij hen te gemoet en wist hen door teekens tot staan te brengen. Bijna in hetzelfde oogenblik trof van eene andere zijde het geroep zijn oor: „soldadoe koerang patroon!” (de soldaten hebben gebrek aan patronen).
Zoo spoedig hij kon, snelde hij nu naar de ambulance, waar zich de reserve-patronen bevonden. Niemand der inlanders wilde echter den gevaarlijken tocht ondernemen.
Kort besloten nam hij toen zelf het vaatje op [192]den nek en torste het naar de versterking. Gelukkig bleek het dat bij de soldaten nog patronen genoeg waren.
Het vuurgevecht had thans ongeveer een half uur geduurd. De kracht der verdediging begon aanmerkelijk te verflauwen. Er scheen verdeeldheid onder de muitelingen te heerschen.
Uit de benting klonk een verward geschreeuw, waarboven men de uitdrukkingen: „balakoe ampoen!” (wij vragen vergiffenis) en: „mamoek itah!” (laat ons amok maken) duidelijk kon onderscheiden.
Van deze stemming maakte de controleur gebruik om de bezetting tot overgave te bewegen. Hij gelastte het kampong-hoofd Djaga Saki, wiens schoonvader een der aanvoerders van de muitelingen was, dezen toe te roepen om zich over te geven. Het duurde niet lang of bedoelde schoonpapa sprong over de palissadeering, legde zijn wapenen af en gaf zich gevangen. Spoedig volgden er meer. Een Dajak, die reeds zijn geweer had afgegeven, trok onverwacht zijn mandau en wilde amok maken. In het volgend oogenblik lag hij evenwel rochelend op den grond, door den fuselier Bezem met een steek in de borst en een schot door het hart doodelijk getroffen.
Een klein gedeelte der bezetting bleef op aansporing der hoofden den strijd nog voortzetten. Daar weerklonken aan de andere zijde der versterking klewangslagen. Het was de reeds genoemde [193]Koesin, die met een gedeelte der bezetting van Tewah bezig was de deur der versterking te vernielen. Van alle zijden werd nu opgedrongen. De soldaten beklommen, dapper voorgegaan door hun aanvoerder, sergeant Loessl, de palissaden en kwamen, tegelijk met de hulptroepen onder Koesin, binnen. Een kort, doch bloedig gevecht volgde nu. Bajonet, klewang en mandau kruisten elkander en het wapengekletter vermengde zich met het gehuil van den vijand. Weldra lag een gedeelte der muitelingen in hun bloed badende op den grond; de overigen smeekten om genade.
Het restantje verdedigers, meestal hoofden, waaronder negen gewonden, werd man voor man gevangen genomen. Toen volgde een treffend tooneel.
Bliksemsnel werd de hatelijke sultansvlag naar beneden gerukt en in hare plaats ontplooide zich statig de Nederlandsche driekleur boven de zoo hardnekkig verdedigde benteng.
Als op commando vlogen de helmen van de hoofden der soldaten.
Een oogenblik heerschte er eerbiedige stilte. Toen barstte het gejubel los.
„Hoera!” brulden de soldaten.
„Halap, halap!” krijschten de Dajaksche hulptroepen.
Er scheen aan ’t gejuich geen einde te zullen komen. [194]
De verliezen van den vijand waren groot. Veertien dooden bleven in de versterking liggen, terwijl drieënveertig man, waaronder vele panglima’s, waren gevangen genomen.
Thans werd overgegaan tot het vernielen van de benteng. De palissaden werden omvergehaald en weldra verkondigde eene zware rookkolom en daarna eene hooge vlam, ver in den omtrek aan de bevolking, hoe het was afgeloopen met hen, die zich tegen het Nederlandsch gezag hadden verzet.
Met verbeten woede zagen de gevangenen dit tooneel aan. Met op den rug gebonden handen staarden de hoofden met verwezen blikken in de lustig opflikkerende vlammen.
De toekomst was voor hen treurig genoeg!
Mocht het hun gelukken den strop te ontloopen, dan toch zouden zij hun verder leven, verre van het vaderland, als dwangarbeider moeten doorbrengen.
En, o, schande! wanneer een hunner zonen zijne moeder zou vragen: „Wijs mij het graf mijns vaders, opdat ik vandaar mijn gebeden tot Allah opzende!” wat zou zij moeten antwoorden?
Weenend zou zij vol schaamte het hoofd verbergen en antwoorden: „Uw vader, die eens hier gezien was onder de hoofden des lands, is, verre van zijn vaderland, in dienstbaarheid van heimwee gestorven, omdat hij zich verzet had tegen den [195]grooten vorst, die aan gene zijde van de zee regeert.”
Schijnbaar onverschillig lieten de gevangenen zich aan elkander binden, en onder behoorlijk geleide werden zij met de gewonden naar Toejoen gebracht, waar zij nog denzelfden dag aankwamen.
Den volgenden morgen werd door den controleur eene bevolkingspatrouille onder Temanggoeng Mankoe Kenjapi uitgezonden naar de bovenstrooms Tewah gelegen vijandelijke benteng. Die versterking werd verlaten bevonden en in de asch gelegd. De pretendent-sultan had met zijn gansche gevolg de vlucht genomen, te laf om, evenals zijn verblinde volgelingen, zijn vermeende rechten met de wapenen te verdedigen.
Rusteloos zwerft hij thans weder in de wildernis rond, totdat hij eindelijk in de handen van onze troepen valt of getroffen wordt door het staal van een zijner misleide slachtoffers.
Toen de colonne eindelijk te Toejoen terugkeerde, heerschte daar eene recht feestelijke stemming. De militaire commandant liet onmiddellijk „extra oorlam” blazen, (wees niet bang, vaderlander, voor eene verhooging der koloniale begrooting: de luitenant betaalde het uit zijn eigen zak).
In opgeruimde stemming verhaalden de soldaten aan de noode achtergebleven kameraden hunne wedervaringen.
De aan beide handen verwonde fuselier Hess was [196]reeds eenige dagen te voren in de ziekenzaal opgenomen.
Bezem ging hem daar opzoeken. „Kerel, ik krijg nog een borrel van je, weet je wel, we moeten dien pangelman (panglima) nog dood drinken.”
„Het spijt mij duivelsch,” antwoordde Hess, „maar het zit er niet aan; mijn laatste kwartje heb ik gebruikt voor een brief aan de oude vrouw. Het goede mensch zou anders misschien denken dat ik dood was.”
„Nu, dan zal ik trakteeren,” zei Bezem.
„Jongen, als de dokter het ruikt, ga ik de blokzaal4 in”, merkte Hess schertsend op.
„Ben je mal, het is vandaag feest, ga maar mee!” en Hess liet zich meetroonen.
Een glaasje werd op beider gezondheid gedronken en de gewonde sloop naar de ziekenzaal terug.
De regeering heeft de daden van den dapperen controleur en de onversaagde troepen beloond.
Aernout en Loessl werden tot ridder 4e klasse der Militaire Willemsorde benoemd. De Europeesche fuseliers Lebrun en Bezem en de inlandsche fuselier Longko werden eervol vermeld, terwijl aan de districtshoofden van Groot- en Klein-Dajak, Radhen Johannes Karsa Negara en Demang Anoem [197]Djaja Karsa de zilveren en aan de inlanders Koesin, Toen en Djaga Saki de bronzen medaille voor moed en trouw werd toegekend.
Doch ook gij, Nederlanders, moogt dezen mannen, die elk uur van den dag hun leven voor uwe belangen veil hebben, dankbaarheid toonen. Wanneer zoo’n oud soldaat met dien „blikslagerswinkel op zijn d.….”5 bij u komt, laat u dan niet door zijn schuchter optreden afschrikken. Zichzelf op den voorgrond plaatsen, heeft hij in zijn langen diensttijd verleerd.
Vraag hem eens af, of hij gedurende zijn vele en langdurige krijgstochten veel heeft moeten uitstaan en hij zal u glimlachend antwoorden: „Mijnheer, wat zal ik u zeggen? We hebben wel eens honger moeten lijden en lang moeten sjouwen voor we de kerels te pakken kregen; maar dan hebben ze er duchtig van langs gehad.”
In die weinige woorden ligt een geheele lijdensgeschiedenis opgesloten. Doch deze man heeft niet de phantasie van een Stanley, wiens reisbeschrijving thans door iederen Nederlander verslonden wordt.
Een profeet is niet geëerd in zijn vaderland, [198]vooral niet wanneer dat vaderland Nederland heet.
Zie de uitgeteerde en vermagerde gezichten van onze Indische officieren en soldaten eens aan, als zij in het vaderland herstel komen zoeken voor hun ondermijnde gezondheid, om, wanneer ze weer eenigszins daartoe in staat zijn, den strijd opnieuw voor u, Nederlanders, te gaan aanvaarden. Vraag hun eens af of ze niet dagen lang met sabel of geweer in de eene en het kapmes in de andere hand, in de Indische wildernissen hebben moeten doordringen, evenals Stanley voor wien iedere gevelde boom een eerezuil geworden is!
Vraag hun af of ze niet uit zuiver plichtgevoel dagen lang honger en dorst gestild hebben met een handvol droge rijst en een slok stinkend sawah-water!
Daarbij waren ze niet, evenals Stanley, omringd door laffe natuurkinderen, die bij het afgaan van een geweer de vlucht namen.
Neen, dappere krijgers, die zich met de grootste doodsverachting in den strijd stortten, waren dagelijks hun tegenstanders!
Hun leven hing bijna altijd aan de punt van sabel of bajonet. Wanneer dan zulk een oud-Indisch soldaat tot u komt en u om eene voor hem geschikte betrekking vraagt, die gij te vergeven hebt, laat dan die zoo dikwijls belachelijk gemaakte „blikslagerswinkel” eene betere aanbeveling zijn [199]dan niets zeggende recommandatiebrieven. Dan zal er eenmaal een tijd geboren worden dat elk gewezen Indisch militair met trots zal kunnen zeggen:
„Ik ben koloniaal geweest.”