[Inhoud]

„ZIJ HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE!”

„Wacht aantreden!” klonk het door de lange chambrée der 1ste compagnie. De kamerwacht herhaalde het bevel en de huishoudster van den almachtigen sergeant-majoor, die juist bezig was haar lievelingsaap behulpzaam te zijn bij eene drijfjacht op zekere parasieten, mompelde het na. Nauwelijks was de order gegeven, of reeds wemelde de trap van manschappen. Vooraan eenige jonge soldaten, wien de malaria de Europeesche kleur nog niet van de wangen had geroofd; uit de gejaagdheid en het angstige gezicht, waarmede zij hun wapenen en kleeding monsterden, kon men dadelijk opmaken dat zij hun eerste „wachtje snapten”. Daarop volgden met een onverschillig gezicht de oudere fuseliers, meest magere, bruingebrande [105]mannen, die reeds menigen vijand met de punt der bajonet hadden doen kennis maken. Een jong korporaaltje, wien de zaak te langzaam ging, trachtte naar voren te dringen om toch vooral niet te laat te komen, en achteraan daalde de trappen af—ikzelf, de nieuwbakken sergeant, geheel onder den indruk van de waardigheid, waarmede mijn nieuwe titel mij bekleed had.

Wat weet een gewoon sterveling van het gevoel eens korporaals, wien men plotseling de katoenen streep van de mouw neemt en er de gouden voor in de plaats hangt? Die indruk is niet te beschrijven, men moet dat hebben doorleefd; eerst dan kan men begrijpen wat het zeggen wil uit den kring der gewone soldaten, waarin de korporaal steeds verkeert, opgeheven te worden tot den onderofficiersstand. Bovendien schitteren nu in het verschiet de luitenantssterren!

Daarbij kwam nog de feestelijke toespraak van onzen kranigen kapitein v. V …, van wien men vertelde dat niemand hem ooit had zien lachen, behalve wanneer de Atjehers schrikkelijk slaag kregen.

Het duizelt mij nog wanneer ik aan dien tijd denk. Ik gevoelde mij zoo nietig, zoo geheel gelijk nul, toen ik tegenover mijnen compagnies-commandant stond, wiens borst versierd was met het kruis der Militaire Willemsorde, en wiens linkerhand rustte op een eeresabel. [106]

Zijne toespraak was kort. „Denk er om, zij hangt slechts aan een draadje,” zeide hij op mijne gouden streep wijzende, en in zijne woorden lag groote waarheid, zoowel in figuurlijken als in werkelijken zin. Ik had er niets op kunnen antwoorden, want door vreugde overmand, stokte de stem mij in de keel.

Nu stond ik op de bovenste trede der trap en monsterde als een veldheer mijnen troep. De soldaten keken tersluiks naar boven. Verbeeldde ik het mij of lag er werkelijk op hunne aangezichten eene niet thuis te brengen uitdrukking, zoo’n soort van onderworpenheid, waarbij men zijn lachen moeilijk bedwingen kon? Mij ging het trouwens evenzoo. Telkens weder gaf ik mij moeite om een nijdig gezicht te trekken, zooals een sergeant betaamt, doch het hielp weinig. Ik moet bij die pogingen om mijne waardigheid op te houden een onbeschrijfelijk dom gezicht getrokken hebben, althans toen ik trotsch langs het front stapte, konden de mannen zich slechts met moeite inhouden. „Wacht maar jongens, dat zal ik jelui inpeperen,” dacht ik.

„Geeft acht!” commandeerde ik met donderende stem, zoodat de pas afgeëxerceerde soldaten van schrik bijna omvervielen. Met het lachen was het natuurlijk in eens gedaan. Daarna begon de inspectie. Eerst waren de geweren aan de beurt. „Een koninkrijk [107]voor een roestvlek”, bood ik in stilte; zoo gaarne had ik aanmerkingen gemaakt en standjes uitgedeeld, doch er was geen smetje te ontdekken. Even weinig geluk had ik met de uniformknoopen; ze zaten als vastgenageld. Het was werkelijk een schandaal—reeds een half uur sergeant, en nog niet éénmaal eens flink uitgevaren. Ja, het noodlot deelt soms harde slagen uit. Er schoot mij niets anders over dan „op de plaats rust!” te commanderen. Die rust duurde evenwel niet lang, want onder de poort der kazerne verscheen reeds de gestalte van den luitenant van piket om de wachten nogmaals te inspecteeren.

Het is moeilijk te gelooven welk eene afkoelende uitwerking zoo’n luitenants-uniform op een met eenige phantasie behepten sergeant heeft. Had ik mij ook al een oogenblik te voren verbeeld een militair „iets” te zijn, bij de verschijning van den luitenant verdween ik weer in het niet.

Met geschouderd geweer meldde ik mij bij den jongen officier, en met stil genoegen hoorde ik de woorden aan, waarmede hij mij met mijne bevordering gelukwenschte. Een welwillend lachje van den luitenant verplaatste mij bijna in den zevenden hemel; het kan een sergeant soms gaan als een bakvischje. Het was mij evenwel opgelegd het: Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt in een halfuur tijds tweemaal [108]te moeten doorleven, want daar zag ik met groote stappen den kapitein van de week aankomen om nog een nader onderzoek in te stellen naar roestvlekken en stofjes. Met een blik, die tot in de geweerloopen en tot aan de hakken der schoenen doordrong, overtuigde hij zich van het onberispelijke uiterlijk der manschappen, gaf eenige korte bevelen, en rechts en links zwenkten de verschillende wachten de poorten uit. Hoe grooter de afstand tusschen de inspecteerende officieren en mij werd, des te meer keerde mijn gevoel van eigenwaarde terug, en toen ik den hoek, waar het huis van den bataljonscommandant stond, achter mij had, gevoelde ik mij zóó verheven boven alle „buikjes”, dat ik een razenden trek kreeg om een voorbijgaanden Chinees, die mij erg onbeschaamd aanstaarde, bij den nek te pakken. Ik deed het evenwel niet, gedachtig aan de waarschuwing: „zij hangt maar aan een draadje.”

Toen ik voorbij de militaire school marcheerde, hoorde ik eene vroolijke stem roepen: „Goeden morgen, collega!” In mijne vreugde verbeeldde ik mij dat zij kwam van een élève dier inrichting, doch ik vergiste mij. Die heeren zijn nog hooghartiger dan een pasgebakken sergeant. Het was slechts een sergeant van politie, die mij gegroet had. Ook de njonja1 van den kapelmeester [109]lachte mij vriendelijk toe als ik haar voorbijging. Toen ik nog korporaal was, kwam daar niets van in; volgens haar werd iemand eerst een mensch als hij den graad van sergeant had bereikt.

Ja, alles werkte mede om mij gelukkig te maken. Ik had kunnen juichen van vreugde, doch dat was in dienst verboden en de manschappen zouden er moeilijk eene goede verklaring voor hebben kunnen vinden.

Dus—hou je goed!

In flinken pas marcheerden wij door Meester-Cornelis langs den stoffigen weg naar de passar2. „Met rotten rechts!”

Nog eenige schreden, en daar stonden wij voor de gevangenis, die voor een etmaal aan onze hoede zou worden toevertrouwd. De wacht stond reeds in het geweer en wisselde met ons de voorgeschreven eerbewijzen. De commandant, een sergeant evenals ik, gaf mij de wacht over. Hij was pas uit Europa gekomen en had eenigen tijd in den zoeten waan verkeerd, dat in Indië de officierssterren als rijpe kokosnoten van de boomen vallen. Tot zijne niet geringe ontzetting had hij evenwel spoedig bemerkt, dat het hier vrij wat gemakkelijker was achteruit dan vooruit te komen.

Ik zag den inventaris na, bestaande uit patronen, [110]een inktpot, eene olielamp en dergelijke kostbare zaken meer, waarvan evenwel het zoek raken zwaar geboet moest worden. De cipier ontsloot de verschillende strafkamers en liet toe dat ik er mijn neus in stak. Ik wist echter niet hoe gauw ik hem weer zou terugtrekken, uit hoofde van de onaangename prikkeling, die mijne reukorganen ondervonden.

Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de oude wacht marcheerde af. Ik zette mij voor het wachthuis neder en liet mijne blikken gaan over het bonte gewoel op de passar. Thans gevoelde ik mij een volkomen alleenheerscher.

Reeds dikwijls, wanneer ik als soldaat op post stond en ook later als korporaal, had ik mij vermeid in het aanschouwen van dat gewriemel, doch nu was het alsof ik door andere oogen zag. Dat was alleen de schuld van die mooie gouden streep. Ik keek er eens naar; zij hing nog. Van louter pleizier had ik tot nog toe niets van eetlust bemerkt, doch toen de verschillende scherpe geuren uit de nabijgelegen warongs3 mij in den neus kwamen, begon mijne maag hare rechten te doen gelden. Gelukkig, daar naderde reeds de etendrager.

Mijn eerste maaltijd uit de onderofficierskeuken! Het liefst was ik den man te gemoet gegaan en [111]had hem zijn draagkorf afgenomen, daar hij mij te langzaam liep, doch dat zou beneden mijne waardigheid geweest zijn. Hoewel mij het water bijna uit den mond liep, verwaardigde ik den brenger met geen blik, toen ik hem achtereenvolgens biefstuk, aardappelen, rijst, roode vischjes en nog andere heerlijkheden zag uitpakken. En daarbij porseleinen borden en schotels! Neen, zulk eene weelde …

Reeds zoo lang had ik mijn maal uit een menageketel genuttigd en het had mij altijd goed gesmaakt; hoe moest het dan wel smaken uit porselein?

Nauwelijks had de etendrager zijn „slamat makan4 uitgesproken, of ik viel op het eten aan alsof ik veertig dagen gevast had. Er bleef geen rijstkorreltje over, en om den manschappen geen aanstoot te geven en niet voor een veelvraat door te gaan, riep ik een gladdakker5 binnen en liet hem de ledige borden aflikken. Een eerste staaltje van sergeantsdiplomatie.

Langzaam kropen de middaguren voorbij. Naarmate de zon den horizont naderde, werd de passar meer en meer ontvolkt en toen het geheel duister was geworden, werden er obor’s6 en olielampjes aangestoken, die op de warongs en [112]de zich daaromheen groepeerende inlanders een phantastisch licht wierpen. Nu begon er ook weer meer levendigheid te komen; gestaarte zonen van het Hemelsche Rijk pikelden7 hun vrachten op een sukkeldrafje voorbij, en troepjes soldaten, pas uit Europa gekomen, trokken zingende van de eene warong naar de andere.

De indruk van dit woelige tooneel werd nog verhoogd door de donkergroene pisang- en klapperboomen op den achtergrond en den onbewolkten, met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Ook dit aantrekkelijk beeld verdween langzamerhand, naarmate de nacht zijne vleugelen verder uitbreidde. Ik bleef alleen met mijne luchtkasteelen en mijn geluk. Werktuiglijk nam ik een boek ter hand; het was Perelaer’s: Een kwart eeuw tusschen de keerkringen, waarin de lotgevallen van twee sergeanten geïdealiseerd worden. Het eerste deel had ik reeds doorgelezen, en thans trachtte ik het tweede door te worstelen, waarin de beide helden, Frank en Herman, evenals jonge dames van eene kostschool, elkander bezingen met alle mogelijke citaten uit verschillende dichtwerken. Zulke sergeanten had ik in de werkelijkheid nog niet aangetroffen. Toen ik echter op bladzijde 103 aan dat gedeelte kwam, waarin Frank zijnen vriend [113]omarmt en hem toefluistert: „lieve dweper!”—toen kon ik de oogen niet meer open houden, ik sliep weldra in en droomde. Ik waande mij gezeten naast den braven Hendrik Meijer, den gebaarden sergeant, die van mij een onderofficier gemaakt had. De brave Hendrik had zijn hoofd aan mijne trouwe vriendenborst gelegd, terwijl hij de oogen smachtend naar den hemel opsloeg. Hij verhaalde mij de geschiedenis van zijne laatste liefde. „Ach, ge hadt het meisje moeten kennen,” zuchtte hij, „zij was een engel! Elken Maandag bracht zij roast-beef, ’s Woensdags varkenskarbonade en op Zaterdag een heele flesch wijn, want ge moet weten dat het lieve kind bij een wijnhandelaar in dienst was. Hoeveel gelukkige uren heb ik niet met haar in Velp doorgebracht, en telkens betaalde zij, dat ideaal van een meisje! Mijn hart en maag breken nog als ik er aan denk, dat zij mij ontrouw geworden is. Het was op een Zaterdag, en zij bracht mij slechts eene halve flesch wijn. Mijn God, dacht ik, zou ze mij niet meer zoo oprecht liefhebben als vroeger? Die onzekerheid wond mij zoodanig op, dat de wijn mij niet smaakte. Toen zij bovendien nog een half uur vroeger dan gewoonlijk afscheid nam, werd mijn vermoeden zekerheid. Ik volgde haar op eenigen afstand; zij sloop een zijstraatje in en greep bijna onmiddellijk daarna den arm van een sergeant der rijdende artillerie. Duidelijk [114]hoorde ik het klokken van mijn halve flesch wijn in zijn keel. Met elk geklok werd een der banden verbroken, die mijn hart nog aan de trouwelooze hechtten. Doch mijn hartzeer heb ik overwonnen; ik ben er ten minste niet van gestorven.”

„Lieve dweper,” lispelde ik, en toen ik hem daar zoo zag, geheel terneergeslagen door die treurige herinnering, trachtte ik den arm om zijn hals te slaan.

„Ben je nou heelemaal gek?” riep hij plotseling uit en legde zijn vuist onzacht op mijn aangezicht. „Ik heb eene andere genomen; in Arnhem zijn mooie meisjes genoeg!”

Deze ruwe bejegening deed mij uit mijne sluimering ontwaken. Het hoofd was mij van den arm gegleden en thans lag ik met den neus in den inktpot.

Verschrikt sprong ik op. Heer in den hemel, hoe was ’t mogelijk dat ik op wacht kon inslapen! Dat zou mij mijne streep kunnen kosten. Goddank, zij hing nog. Eigenlijk had ik geen schuld, doch alleen die overste Perelaer. Waarom liet hij die Frank en Herman zulke wonderlijke dingen doen?

Er bleef mij weinig tijd om over mijn verzuim na te denken, want plotseling verscheen de gestalte eens fuseliers in de deur, die mij rapporteerde dat in de „roemah pandjang” (eene philantropische inrichting) eene patrouille zich aan allerlei [115]onbehoorlijkheden schuldig maakte. Dat was toch wel een beetje sterk. Eene patrouille, wier plicht het was de orde te handhaven, verstoorde die zelf. Wee u, korporaal, de straf volgt de zonde!

Nadat ik het commando over de wacht aan eenen korporaal had overgegeven, snelde ik met vier man naar de bedoelde plaats en trad het huis binnen. Daar ik bij ondervinding van vroegere patrouilleeringen—men denke niet aan iets kwaads—wist, dat het lokaal ook nog een achterdeurtje had, posteerde ik daar twee man en meende daardoor al een buitengewoon strategisch talent te hebben ontwikkeld. Het rapport van den fuselier bleek volkomen juist te zijn; het gansche gezelschap was aan ’t dansen.

Als de bliksem voor de voeten van deze ontrouwe zonen van Mars ware ingeslagen, zouden ze niet heviger hebben kunnen schrikken dan bij mijn verschijnen. Nu had ik gelegenheid de sluizen mijner welsprekendheid open te zetten en de woordenlijst van krachtige militaire uitdrukkingen met eenige te verrijken.

„Vervloekte kerels!” zoo begon ik, „denkt ge dat ge hier nog in het ellendige Harderwijk zijt? De duivel zal jelui halen, wanneer je niet als de bliksem maakt dat je er uit komt!”

Met den commandant der patrouille, een jongen korporaal, rekende ik afzonderlijk af. Ik stelde hem [116]provoost en cachot in ’t vooruitzicht, doch mijne hoogste troef speelde ik uit met de woorden, die mij zoo angstwekkend in de ooren hadden geklonken: „Denk er om, de korporaalsstreep hangt maar aan een draadje.”

Het kereltje was geheel uit het veld geslagen. Hij bezwoer mij, hem niet ongelukkig te maken; veertig dagen had hij op zee doorgebracht en na het aan wal stappen was het hoofd hem een weinig op hol geraakt. Natuurlijk deed ik alsof zoo iets voor mij geheel onverklaarbaar was, en op zijn bidden en smeeken gaf ik slechts kort ten antwoord: „gestraft moet je worden!”

In stilte, en vervuld van een angstig voorgevoel, trok de patrouille huiswaarts. Ikzelf begaf mij met het gezicht van een Nemesis naar de wacht terug en overlegde onderweg of ik van de zaak al dan niet rapport zou maken. Mijn „korporaal van aflossing” trachtte eenige woorden ten gunste van den zondaar te spreken, doch een kort: „hou je mond!” deed hem afdruipen. Het was een moeilijk geval. Zweeg ik en werd de zaak buiten mij om ruchtbaar, dan kon mijn kapitein gelijk gehad hebben, toen hij zeide: denk er aan.…!” Maakte ik rapport, dan zou het vermoedelijk den patrouillecommandant zijne streep kosten, en dat zou mij voor het arme ventje leed gedaan hebben. Ik wist bij ondervinding hoe gelukkig iemand reeds door de [117]katoenen streep wordt gemaakt—hoeveel te meer dan nog door den gouden chevron! Lang dacht ik na, zonder een uitweg te vinden. Daar viel mij iets in. De korporaal en de manschappen droegen kennis van het voorval; ik moest hen dus in de meening doen verkeeren dat ik rapport gemaakt had. Snel nam ik een vel papier, linieerde het volgens voorschrift en schreef:

„Beste Hendrik! Morgen hoop ik u en andere collega’s van de eerste compagnie in de kantine aan te treffen. Ik trakteer op een paar flesschen prinsessenbier. Salut!”

Dezen brief vouwde ik dicht in den vorm van een rapport, riep een inlandsch fuselier, die toch niet lezen kon en zond hem daarmede naar mijn vriend Hendrik aan de hoofdwacht. Korporaal en soldaten dachten natuurlijk dat het een rapport was omtrent de patrouille, die zoozeer haren plicht vergeten had. Hier en daar hoorde ik zelfs iets mompelen over mijne hardvochtige strengheid. Ik evenwel, zette mij tevreden op eenen stoel neer en verdiepte mij in overpeinzingen over de duurzaamheid van gouden strepen. Daar werd zachtjes aan de deur getikt en binnen trad een Javaansch meisje met eene flesch in de hand.

Wat moest dat beduiden? Een vrouwspersoon binnen de heilige muren eener wachtkamer!

De bruine schoone liet mij evenwel niet lang in [118]onzekerheid. Met een betooverend lachje bracht zij mij de groeten over van haren gebieder, den houder van de roemah pandjang, die mij uit dankbaarheid voor mijne bemoeiingen, eene flesch druivensap deed toekomen. De geslepen Chinees had het niet raadzaam geoordeeld zelf te komen; misschien had hij er een voorgevoel van dat ik hem met zijne flesch wijn vierkant de trap zou hebben afgesmeten. Wat dacht zoo’n langstaart wel van een sergeant? Meende die spekverzwelgende dikbuik misschien, dat ik om zijnentwille de patrouille uit zijn huis verwijderd had?

Tegenover dit meisje ging het evenwel niet aan grof te worden; zij had zulke verliefde oogen, zulke schoone zwarte tanden, en hare huid was zoo sierlijk met gele oker besmeerd, dat de aangeboren ridderlijkheid van een sergeant zoo iets niet gedoogde. Ik loodste haar daarom met een zoet lijntje naar de deur, en wilde haar juist als loon voor de boodschap een kus op den mopneus drukken, toen plotseling het geroep van den schildwacht weerklonk: „Werda?” en kort daarop: „Halt, korporaal heraus, rond-luitenant!”

Heere bewaar ons! Ongelukkiger kon het niet treffen. Wat moest daarvan terecht komen! De ronde naderde en nog altijd bevond het meisje zich in de wachtkamer. Met eene enkele handbeweging wierp ik haar onder de tafel, bedekte haar zoo [119]goed en zoo kwaad als het ging met mijn kapotjas, greep mijn geweer en snelde naar buiten. Daar zag ik ook reeds op de passar het licht eener kleine lantaarn en bij het zwakke schijnsel daarvan bemerkte ik duidelijk de oranjekleurige sjerp van den luitenant van piket. Met van angst trillende stem deed ik de noodige commando’s, trad vooruit en meldde: „Niets nieuws.”

„Laat de manschappen inrukken en geef mij het rapport ter teekening,” luidde het bevel.

Bevend voldeed ik aan dien last en volgde den officier in de wachtkamer, een lam gelijk, dat ter slachtbank wordt geleid.

Het rapport lag op de tafel, de luitenant ging zitten en strekte geeuwend zijne lange beenen uit. Ik dacht dat mijn vonnis geveld was. Het kon bijna niet anders of hij moest tegen de vrouw trappen.

Het koude angstzweet brak mij uit en de pen sidderde in mijne hand, toen ik haar den luitenant aanbood. Mijn ontsteld uiterlijk viel hem op en deelnemend vroeg hij: „Zijt ge misschien ziek?”

„Neen, luitenant,” antwoordde ik, nog meer in de war; „ik ben voor het eerst wachtcommandant en de … de … de groote verantwoordelijkheid …” en meteen greep ik krampachtig naar mijn gouden streep.

„Je hebt toch, hoop ik, niet te diep in het glas gekeken?” vroeg hij, tegelijkertijd een onderzoekenden [120]blik op mijn ontdaan gelaat richtende.

Deze veronderstelling bracht mij weder tot bezinning. Wat, ik, die nooit iets anders over de lippen bracht dan koffie en thee met en benevens dozijnen „smeerproppen”, waarvoor ik zelfs den eeretitel „smeerproppenvreter” verworven had, ik zou dronken zijn?

Het met volle overtuiging uitgesproken „neen” scheen dan ook den officier voldoende te zijn, ten minste hij stond op. Alvorens te vertrekken kon hij toch niet nalaten mij nog even toe te voegen: „Denk er om, drinken op wacht wordt zwaar gestraft; de gouden streep hangt maar aan een draadje.”

Waarachtig, de luitenant had gelijk, en onwillekeurig tastte ik weer naar mijn chevron; er naar zien durfde ik niet. Als een steenen beeld bleef ik voor den officier staan, toen hij mij nog eenige wenken gaf tot het voorkomen van malaria en buikpijn.

Doch neen, zoo hoog zat mijn kwaal niet, noch in het hoofd, noch in den buik, zij zat op een pas van ons af onder de tafel.

Eindelijk, eindelijk ging hij heen en ik volgde hem, de deur voorzichtig achter mij dichttrekkend. Nog een genadig hoofdknikken, en hij verdween met zijn lantaarndrager in de richting van het kruitmagazijn. [121]

Toen het geluid van zijne voetstappen in de nachtelijke stilte was weggestorven, ijlde ik naar de wachtkamer terug en kwam daar juist aan, toen de oorzaak van mijn angst van onder de tafel te voorschijn kroop.

Op dit gezicht werd ik woedend, en de deur openrukkende schreeuwde ik met al de kracht, die mijn longen mij veroorloofden: „Rrraus!

De aartsengel Gabriël kan er niet onrustbarender hebben uitgezien, toen hij Eva uit het paradijs verjoeg, dan ik op dat oogenblik.

Het meisje scheen het ook te vinden, want zij vloog letterlijk. Tegelijkertijd stormden evenwel ook mijne manschappen naar buiten, daar zij dachten dat het „heraus” hen gegolden had. Moest dan alles samenwerken om mij ten val te brengen?

Dewijl in oogenblikken van gevaar een commandant der wacht altijd de grootste tegenwoordigheid van geest moet hebben, ging ik onmiddellijk op den schildwacht „voor het geweer” af, en vroeg hem of hij die meid niet in de wachtkamer had zien sluipen. Hij ontkende, en met recht, want het vrouwspersoon was binnengekomen toen er een ander op post stond. Nu schopte ik hem een standje, dat klonk als een klok: „Heb je dan geen oogen in ’t hoofd? Moet ik soms een baboe bij je zetten om op je te passen? Weet je niet, dat je eene zware straf verdiend hebt?” [122]

Zoo ging ik een oogenblik voort en daarna gevoelde ik mij zoo licht als een vogel; er was mij een steen van ’t hart gevallen.

Het was een mooi begin van mijne loopbaan als sergeant!

Door de ondervonden wederwaardigheden uitgeput, strekte ik mij voor de wachtkamer op een bank uit en de diepe rust, die in de natuur heerschte, liet niet na haar weldadigen invloed op mijne geschokte zenuwen te doen gevoelen. Geen blad ritselde; het eenige wat mijn oor trof was het kabbelen van de Tjilewong en de eentonige stap van den schildwacht. Weldra werd de maan door het geboomte zichtbaar, en wanneer een der reuzenbladeren van een pisangboom zich voor haar bleek aanschijn heen en weer wiegelde, scheen het mij toe alsof die oude vrijster mij, arm geplaagd menschenkind, uitlachte. Lach maar! Ik lach ook, want heden heb ik de zekerheid gekregen, dat ik lang zoo onhandig niet ben als ik wel gedacht had.

Daar kraaide in de verte een haan. Goddank, de morgenschemering brak door. Reeds kwamen talrijke inlanders met hunne krakende pikolan’s8, zwaar beladen met sterk riekende vruchten en andere koopwaren, naar de passar. Die lucht, vermengd [123]met de uit den bodem opstijgende dampen, drukte mij loodzwaar op de borst, en mij overviel eene huivering alsof ik de koorts had.

Ik wist—de luitenant had er mij trouwens pas aan herinnerd—dat het liggen in de open lucht in Indië zeer schadelijk voor de gezondheid is.

Op! dus, daar komt reeds de koffie; die zal mij weer uit mijn gedommel wekken. Hare komst kondigde tevens aan, dat de eerste nachtwacht begon te „draaien” d.w.z. ten einde spoedde.

Weldra kwam de aflossing, en in den versnelden pas begaf ik mij met de manschappen naar de kazerne terug. Reeds op een afstand zag ik den patrouille-commandant van den vorigen avond staan. Het ventje zag er bleek en ontdaan uit en met angstige stem vroeg hij: „Sergeant, hebt u rapport gemaakt?”

„Neen,” antwoordde ik, „ge hadt het dubbel en dwars verdiend, doch voor ditmaal heb ik het door de vingers gezien; zorg dat het niet weer gebeurt!”

De blijdschap van den armen jongen was onbeschrijfelijk. Den ganschen nacht had hij wakende doorgebracht, met de treurige gedachte dat hij misschien den volgenden morgen zijne streep zou moeten missen, en dat zou jammer voor hem geweest zijn. Thans is hij reeds jaren lang officier.

Toen ik voorbij mijn vriend Hendrik marcheerde, riep deze mij toe: „Denk er om!” [124]

„Ja, ik weet het al,” antwoordde ik, „zij hangt maar aan een draadje!”

„Ben je gek, kaffer! Je moet van avond op bier trakteeren!”

„O, meen je dat? Dan is het in orde!”

In drie sprongen vloog ik de trappen naar mijne kamer op, want er werd geblazen voor het eten en ik moest mij nog voorstellen aan de collega’s. Snel mijn ransel losgemaakt en het kapmes afgeworpen.

Goede God! Wat is dat? Waar is mijn gouden streep? Daar hing ze aan den ranselhaak, die haar van mijn mouw had gescheurd. Nu, nog mooier! Ze hing immers ook maar aan een draadje!

Snel nam ik naald en draad en naaide haar ditmaal zelf vast, en ze bleef hangen. [125]


1 Vrouw. 

2 Markt. 

3 Gaarkeukentjes. 

4 Smakelijk eten. 

5 Inlandsche hond. 

6 Fakkels. 

7 Droegen. 

8 Draagstokken.