[Inhoud]
IN DE CATACOMBEN VAN PARIJS.

IN DE CATACOMBEN VAN PARIJS.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE VLUCHT.

Een dikke mist, die als een ondoordringbare sluier steden en dorpen omhult, hing boven de straten van Londen.

Hij drong de huizen binnen en de groote overkapping van het Victoria station scheen deze zware wolken te willen opzuigen, zoodat zelfs het heldere schijnsel der electrische booglampen niet in staat was, het perron te verlichten.

Het was acht uur in den morgen.

De trein, die naar Dover rijdt in aansluiting op de booten welke naar Frankrijk varen, stond voor het vertrek gereed.

Het voorste gedeelte van den trein verdween in het halfdonker van den mist, die op dit oogenblik nog zwaarder scheen te zijn geworden en die als een beschermende sluier twee mannen omhulde, welke met vlugge schreden over het perron liepen.

De oudste der twee, een slanke elegante persoonlijkheid met een vollen blonden baard, wierp zijn citybag in een openstaande coupé eerste klasse. Daarop wendde hij zich tot zijn metgezel, tot wien hij op zachten, maar beslisten toon sprak:

„Charly, ik waarschuw je! Keten je jong leven niet aan het avontuurlijke bestaan, dat mij wacht!”

De andere scheen deze woorden nauwelijks te hooren en met nog meer overtuiging vervolgde de spreker:

„Blijf hier, Charly, ik neem het je niet kwalijk.…”

Hij wilde nog meer zeggen, maar de jongste, in wiens baardeloos, bleek gelaat twee donkere oogen schitterden, viel hem in de rede:

„Wat beteekent dit? Ik ga mee en daarmee uit!”

Hij zette zijn reistaschje op de bank naast dat van zijn reisgezel.

Daarop namen beiden zonder een woord te spreken plaats.

Het was twee minuten voor het tijdstip van vertrek en reeds sloten de conducteurs de coupé-deuren, toen plotseling verscheiden courantenjongens voor den gereedstaanden [2]trein verschenen en, terwijl zij de extra-nummers der morgenbladen in de hoogte hielden, luid schreeuwden:

„Raffles is ontdekt!”

„1000 pond belooning!”

„Raffles is dezelfde als Lord Edward Lister!”

„Een Engelsch edelman als misdadiger!”

„Raffles is ontsnapt!”

Ook de beide juist ingestapte reizigers hoorden deze uitroepen, maar alleen Charly scheen zich hierover te verontrusten, zijn oudere vriend luisterde slechts met een spotachtig lachje naar de nieuwtjes der courantenjongens.

Hij stond op en opende het raampje der coupédeur.

Terwijl hij twee geldstukjes uit zijn zak te voorschijn haalde, riep hij een der jongens, die juist uit den nevel voor hem opdook, en kocht een courant.

Daarop klonk het sein tot vertrek en de trein zette zich in beweging.

En terwijl nog het geroep: „Raffles is ontdekt!” „Duizend pond belooning!” over het perron weerklonk, verliet Lord Edward Lister, alias Raffles, dezelfde voor wiens inhechtenisneming de Londensche politie die hooge som had uitgeloofd, vergezeld door zijn vriend en secretaris Charly Brand, de Engelsche hoofdstad om zichzelf aan gene zijde van het kanaal in veiligheid te brengen.

De „Senegambia”, een kleine, onooglijke stoomboot, die niet in staat scheen te zijn om de gevaren van het kanaal te trotseeren, verliet de reede van Dover.

De dikke mist scheen te zullen optrekken. De krijtrotsen der Engelsche kust waren nog zichtbaar, toen het bloote oog reeds de havenwerken van Calais kon onderscheiden.

Lord Lister was alleen aan boord gegaan en Charly Brand had den overtocht op het schip aanvaard, alsof hij den ander in het geheel niet kende.

Men moest op alles zijn voorbereid en hoewel Raffles geen grooten dunk had van de speurkunst der hem vervolgende Engelsche politie, liet hij toch niet na, zijn spoor zooveel mogelijk uit te wisschen.

Hij kon er wel zeker van zijn, dat de havenautoriteiten der Vereenigde Koninkrijken langs telegrafischen weg op de hoogte waren gebracht van een zeer volledig signalement van den vluchteling en zijn vriend.

In dit opzicht had Lord Lister echter zijn maatregelen genomen.

Een valsche baard, die op zeer kunstige wijze was vervaardigd en bevestigd en een parafine-inspuiting, die het mogelijk maakte, zijn neus een anderen vorm te geven, hadden hem zoo verschillend gemaakt van het signalement, dat zijn eigen moeder hem niet herkend zou hebben.

Hij was bovendien in het bezit van een Amerikaansche pas, die hem legitimeerde als burger der Vereenigde Staten, Harrison en het viel Raffles gemakkelijk, de woorden zoo uit te spreken als dat den Yankees eigen is.

Toen de trein in Dover was aangekomen, hadden Raffles en Charly de coupé verlaten als twee elkaar vreemde menschen, die toevallig een eindweegs hebben samengereisd.

Bij den uitgang van het perron had Lord Lister de politiebeambten opgemerkt, die alle passagiers met wantrouwende blikken opnamen.

Op gerekten Amerikaansch-Engelschen toon had hij een kruier geroepen en hem bevolen, zijn bagage aan boord te brengen.

Hij onderhield zich nog eenigen tijd in Yankee-dialect met den man, die; zijn reistasch dragend, naast hem voortliep en kwam zoo ongehinderd langs de spiedende beambten.

Even gemakkelijk was Charly hen gepasseerd, want zijn signalement was niet opgegeven en niemand lette dus op hem.

De boot doorkliefde met tamelijke snelheid de golven van het kanaal.

Lord Lister bevond zich op het achterdek en, als onverschillig ronddrentelend, naderde Charly hem. [3]

Dicht bij zijn vriend bleef hij staan om met groote belangstelling in het water te kijken.

Het achterdek was geheel verlaten en niemand was getuige van het gesprek, dat beide vrienden, zonder elkaar aan te zien, samen voerden.

De Lord sprak:

„Ik heb er ernstig over nagedacht, wij moeten voorloopig van elkaar scheiden.”

„Is dat dringend noodig?” klonk het van Charly’s lippen.

„Ja,” antwoordde Lord Lister. „De couranten vermelden, dat Raffles met zijn secretaris is gevlucht, maar van jou is geen signalement opgegeven.

Ik moet voorzichtig zijn en zal mij in Parijs zoolang verbergen, totdat mijn valsche baard door een echten vervangen is. Met behulp van parafine-inspuitingen zal ik mijn neus dezen vorm laten behouden en met mijn sterken baardgroei kan ik stellig over drie weken zonder vrees weer opduiken.”

„En wat moet ik in dien tijd doen?” vroeg Charly.

„Ik leg hier op de bank de portefeuille met de 50,000 pond, die ik de verzekeringmaatschappij heb afhandig gemaakt. Als ik wegga, neem jij ze op, je neemt in Calais een andere coupé dan ik en reist naar Parijs. Daar neem je je intrek in het Hotel Regina onder den naam Mc. Allan en je geeft je uit als een rijke Schot, die voor zijn pleizier voor een paar weken naar Parijs is gekomen. Je leeft daarnaar, betoont je zeer vrijgevig en bekommert je verder niet om mij.”

„En wat gebeurt er met jou?” informeerde Charly Brand op angstigen toon.

„Ik heb nog 2000 pond bij mij, dat is meer dan voldoende om in die drie weken alles in het werk te stellen om alle mogelijke sporen uit te wisschen.”

En zonder verder eenig antwoord af te wachten, legde Lord Lister de zwarte portefeuille, die de banknoten bevatten, op een der houten stoeltjes vlak bij hem en wandelde naar de kajuitstrap, die naar het kleine rooksalon leidde.

Charly naderde het vouwstoeltje, nam de portefeuille op en stak deze in zijn borstzak.

Als mijmerend bleef hij een paar minuten zitten, starend naar de zich steeds meer verwijderende Engelsche kust.

Daarop stond hij op en begaf zich naar het middendek, waar meerdere passagiers het zich op breede ruststoelen gemakkelijk hadden gemaakt.

Op een dezer stoelen rustte een jong meisje; haar slanke gestalte was in een plaid gehuld, die haar tegen den frisschen zeewind beschutte.

Haar gezichtje, dat ondanks het lichtblonde haar zeer interessant was, werd overschaduwd door een breede Engelsche reispet, die door een langen, onder de kin vastgeknoopten sluier, werd vastgehouden.

Charly kon niet nalaten zijn oogen eenigen tijd op het aantrekkelijke wezentje te laten rusten.

Een groote bekoring ging van deze geheele verschijning uit. Uit de plaid, die de japon bedekte, kwamen twee kleine laarsjes te voorschijn, welke een paar allersierlijkste voetjes nauw omsloten. Een plotselinge windruk liet af en toe de fijne enkels zien en wanneer dan de hand van onder de plaid te voorschijn kwam, ontdekte men onder den dunnen zijden handschoen de sierlijke, slanke vingers.

De dame, die tot nu toe rustig in haar stoel had gelegen, scheen te voelen, dat zij de opmerkzaamheid trok.

Zij keek op en een lange, uitdagende blik van haar donkere oogen, die zeldzaam afstaken bij het blond der haren, viel op Charly.

Deze wendde zich nu af, als vreesde hij, door het aanknoopen van galante avonturen hier de attentie te trekken.— — —

De „Senegambia” liep de haven van Calais binnen en op zeer korten afstand van de aanlegplaats stond reeds de trein naar Parijs gereed.

Raffles stond al voor een eerste klasse coupé in de zijgang van den trein en hij kon niet nalaten te glimlachen, [4]toen hij zag, dat zijn vriend Charly Brand in de aangrenzende coupé plaats nam, te zamen met de pikante schoonheid, die ook hem aan boord reeds was opgevallen.

De trein zette zich in beweging.

Lord Lister trok zich terug in de coupé. Als Mc. Allan misschien van plan was om zijn rol als rijke Schot in Parijs te spelen met behulp van een galante dame, had hij daar niets tegen. Hij gunde den armen jongen, wiens aanhankelijkheid hem trof, gaarne dat pleizier.

In Amiens, het eerste station van beteekenis, kocht Lord Lister het Parijsche morgenblad, dat aan het station werd verkocht en tot zijn groote voldoening zag hij, dat de Parijsche pers zich niet minder dan de Londensche verdiepte in gissingen omtrent het geheimzinnige bestaan van Raffles—Lord Lister.

Hij gevoelde zich nog veiliger toen hij bemerkte, dat het signalement der Fransche bladen even weinig met zijn vermomd uiterlijk overeenstemde als dat der Engelsche.

De trein stoomde het reuzenstation St. Lazare te Parijs binnen, waar het licht der electrische lampen schitterde.

Lord Lister had het perron verlaten en was juist van plan, in een rijtuig plaats te nemen, toen hij nog eens om zich heen keek om zijn vriend in de menschenmassa te zoeken.

Hij zag hem en weer vloog een glimlach over zijn gelaat.

Charly Brand stond op korten afstand van hem, voor een geopend rijtuig en hielp de blonde dame instappen. Daarop riep hij den koetsier een adres toe, dat de Lord door het lawaai om hem heen niet kon verstaan, nam bij de dame plaats en het rijtuig rolde weg.

Lachend steeg Raffles in zijn huurrijtuigje en reed naar het hotel, dat hij den koetsier had opgegeven. [5]