[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

GESTOLEN GOED GEDIJT NIET.

Reeds vier dagen was Raffles in Parijs. Reeds vier dagen lang genoot hij in het steeds groeiende gevoel van veiligheid, dat zich van hem meester maakte bij het lezen der courantenberichten over zijn eigen aangelegenheden.

Hij had in Montparnasse een kamer gehuurd in een tweederangs hotel.

Lord Lister stond voor den smallen ingang van zijn hotel en dacht er over na, hoe hij den avond zou doorbrengen.

Hij verveelde zich en het speet hem, voor zoo langen tijd het gezelschap van Charly te moeten missen.

Het was halfvijf en de eerste avondbladen moesten reeds zijn verschenen.

Raffles liep naar de naastbijzijnde courantenkiosk en ontvouwde, langzaam voortloopende, het daar gekochte blad, terwijl zijn blik langs de kolommen vloog.

Plotseling bleef hij staan.

Zijn oog bleef rusten op het met vette letters gedrukte opschrift van een klein stadsbericht, waarvan de inhoud hem sterk interesseerde.

Daar stond in dikke letters:

Poging tot zelfmoord in Hotel „Regina”.

Een rijke Schot wordt bij een galant avontuur geplunderd en tracht, uit wanhoop, zich van het leven te berooven.

Raffles had moeite om zichzelf te beheerschen.

Geen twijfel mogelijk, deze rijke Schot, van wien hier sprake was, moest Charly Brand zijn.

Met koortsachtige haast vloog hij het artikel door, dat zijn vermoeden bevestigde.

De Schot heette Mc. Allan, hij had getracht, zich een kogel door het hoofd te jagen en was zwaar gewond naar het St. Louis hospitaal gebracht.

Raffles aarzelde geen oogenblik. Hij sprong in een rijtuig en 20 minuten later bevond hij zich aan den ingang van het ziekenhuis.

Zonder veel moeite gelukte het hem, aan het bed van Charly te worden toegelaten.

De ongelukkige was bij zijn volle bewustzijn. De kogel, die in het achterhoofd was gedrongen, was door de doktoren reeds verwijderd en het levensgevaar geweken.

Toen Raffles binnentrad, kwamen Charly Brand de tranen in de oogen.

De jonge dokter, die Raffles had binnengebracht, verwijderde zich bescheiden en nauwelijks waren de beide vrienden alleen, toen Charly snikkend vertelde, wat er met hem was gebeurd.

Hij had zich aangesloten bij de vrouw, die hem was opgevallen aan boord der „Senegambia”.

Nadat zij eerst herhaaldelijk had geweigerd, had zij den tweeden dag er in toegestemd, met hem naar het theater te gaan.

Charly had minder het plan gehad om galante avonturen te zoeken dan wel om de hem door Lord Lister [6]opgedragen rol van overmoedigen rijkaard goed te spelen.

Na het einde der voorstelling had de auto der dame op hem gewacht. Charly was ingestapt en glimlachend had de blonde dame hem uit een gevulde bonbonnière gepresenteerd. Met haar welgevormd blank handje had zij hem een der bonbons in den mond geduwd.

Verder wist Charly niet wat er met hem gebeurd was.

Hij moest in het rijtuig zijn ingeslapen en om vijf uur in den morgen vond een agent van politie hem op den hoek van de Rue Rivoli, in de buurt van zijn hotel.

Hij lag daar op de straatsteenen, tegen een muur geleund.

De portefeuille met 49,000 pond erin, was verdwenen, andere voorwerpen van waarde en eenige biljetten van honderd francs, die hij in zijn vestzak droeg, had men in zijn bezit gelaten.

Nadat men hem in het hotel had gebracht, was hij eerst tot het volle besef gekomen van hetgeen met hem was voorgevallen.

Het ontzettende feit stond hem helder voor oogen: hij had den hem toevertrouwden schat verloren.

Wanhoop greep hem aan, hij wilde zichzelf een kogel door het hoofd jagen, maar het schot faalde en bracht hem slechts een verwonding toe, zonder hem te dooden.

Raffles had naar het verhaal van Charly geluisterd, zonder hem in de rede te vallen.

„Goddank!” riep hij uit, „dat je hand beefde en je je plan dus niet hebt kunnen volvoeren! Hoe kan men zoo dom zijn, mijn jongen, zich om een beetje geld van het leven te willen berooven!”

Met vochtige oogen keek Charly hem aan.

„Je vergeeft mij dus, Edward?”

„Och kom, er valt niets te vergeven,” antwoordde Raffles. „Ik voel verbazend veel lust om in dit speciale geval de rol van Sherlock Holmes te spelen om die nobele dame en haar medeplichtigen, want die moet zij hebben, op te sporen en hun, als het kan, weer een deel van het geroofde af te nemen.

Je weet zeker niet, welken weg de auto nam?”

„Neen, ik heb er geen flauw vermoeden van, want ik ben blijkbaar onmiddellijk na het gebruik van den bonbon ingeslapen,” sprak Charly.

„Nu, ik heb de schoone dame aan boord gezien en zou haar onder elke vermomming terugkennen. Mocht het toeval mij op haar weg brengen, dan kan je er zeker van zijn, dat ik het broeinest van ongerechtigheden opspoor.”

„Wat wil je gaan doen?” vroeg Charly angstig.

„Voorloopig niets!” antwoordde Lord Lister.

„Ik zal alleen zorgen, dat ik op een dergelijk toeval ben voorbereid en niet het slachtoffer word van haar slaapmiddeltjes. Daarbij zou ik niet gaarne willen dat de politie zich met mij bemoeide. Voorloopig zou ik liever niets met die heeren te maken hebben.”

Charly glimlachte.

„Heeft men je reeds ondervraagd?” vroeg Raffles plotseling.

„Neen, nog niet,” sprak de patiënt, „maar dat zal vanavond geschieden. Men heeft mij het bezoek van den commissaris al aangekondigd.”

Raffles scheen een oogenblik ernstig na te denken.

„Vertel hem wat je wilt,” zei hij eindelijk, „maar in geen geval de waarheid; breng hem zoover mogelijk van het spoor, want ik wil zelf deze zaak ongestoord en op mijn gemak uitpluizen. Begrepen?”

Charly knikte.

Een zucht van verlichting ontsnapte den jongen man, nu zijn vriend hem geen enkel verwijt had gemaakt.

„Ik ga nu heen en kom je morgen weer bezoeken,” sprak Raffles, opstaande.

Daarop drukte hij Charly met eenige vriendelijke woorden de hand en vertrok.

De Acacia-allée in het Bois de Boulogne is des morgens tusschen 11 en 12 de verzamelplaats van de [7]elegante leegloopers van beiderlei kunne, welke in Parijs talrijker zijn dan ergens ter wereld.

Dames uit den goeden stand begeven zich hierheen slechts in gezelschap van heeren, terwijl de vertegenwoordigsters der demi-monde en van de tooneelwereld hier alleen of vergezeld door haar luxehondjes flaneeren.

Het gewirwar van menschen was heden bijzonder druk in de Acacia-allée. Ruiters en wandelaars passeerden elkaar in bonte rijen, terwijl elegante voertuigen heen en weer ratelden over den met herfstbladeren bedekten rijweg.

Op een der gehuurde stoelen, die aan weerskanten van den weg gereed stonden, zat een eenzaam toeschouwer.

De naar Yankee-mode verzorgde baard, de zware wenkbrauwen en de groote neus met te breede punt verrieden duidelijk den Amerikaan, terwijl de degelijke en tevens elegante kleeding het type voltooide.

De man maakte den indruk, zeer geblaseerd en rijk te zijn en wie hem daar zoo vol aandacht met zijn heldere, grijsblauwe oogen de voorbij wandelende dames zag opnemen, moest wel denken, dat hij hierheen gekomen was om aangenaam, vrouwelijk gezelschap te zoeken.

Daar naderde aan het einde van de laan een elegante equipage.

De dame, die de paarden mende, een typische blondine, wier opvallend eenvoudig toilet haar fijnen smaak verried, scheen in deze omgeving nog onbekend te zijn, want, in tegenstelling met de andere vrouwen, groette niemand haar.

Toch scheen zij de algemeene attentie te trekken en toen de Amerikaan vanuit zijn stoel de schoone wagenbestuurster opmerkte, stond hij op, om haar beter te kunnen zien.

De blondine sprong, toen zij tot in het midden der allee was gereden, met een sierlijke beweging uit het rijtuig. Zij wierp den groom, die op de achterbank zat de teugels toe en begaf zich naar het wandelpad.

De eenzame toeschouwer hield zijn blikken onafgewend op haar gevestigd. Met gespannen aandacht volgde hij al haar bewegingen en zag hij, hoe zij onderzoekend naar de heeren keek, die haar glimlachend voorbijgingen.

Geen hunner scheen haar echter te kunnen bekoren en zoo was zij den Amerikaan genaderd, die haar met een langen blik en bijna onmerkbaar glimlachje in de oogen keek, terwijl hij beleefd zijn hoed voor haar afnam.

Een knikje en een aanmoedigende blik uit de donkere oogen was zijn belooning.

Hij naderde haar en in onberispelijk Fransch, met een licht Amerikaansch accent, sprak hij:

„Madame, ik ben u dankbaar, voor de wijze waarop gij mijn onbeleefden groet beantwoordt.”

„Ah! Gij zijt een Amerikaan,” antwoordde de dame glimlachend en nog voordat hij haar had kunnen antwoorden, vervolgde zij:

„Als gij wilt, gaan wij samen in „Café de Madrid” dejeuneeren.”

„Ik voeg mij natuurlijk naar al uw wenschen,” antwoordde de galante Amerikaan.

De dame keerde zich om, de equipage werd door den groom tot aan den rand van het voetpad gestuurd, zij nam plaats en greep de teugels.

Met een welsprekende handbeweging noodigde zij den Amerikaan uit, de plaats aan haar zijde in te nemen.

Raffles, want hij was het, reed met de avonturierster, die hij dadelijk had herkend als de schoone van de „Senegambia”, naar het „Café de Madrid”.

De maaltijd was afgeloopen.

De kellners, die op geruischlooze wijze de gasten van het dure Café de Madrid bedienden, plaatsten de Mokkakopjes op het tafeltje, waaraan Raffles en zijn elegante dame hun maaltijd hadden gebruikt.

Het onderhoud vlotte uitstekend, maar Raffles had alle reden om zich te verbazen. Elke poging die hij [8]aanwendde om het gesprek een min of meer pikant tintje te geven, leed schipbreuk.

Raffles stond voor een raadsel.

Deze vrouw, die zich door hem had laten aanspreken als een geslepen demi-mondaine, gedroeg zich nu als een dame uit de beste kringen. En toch was hij er zeker van dezelfde persoon tegenover zich te hebben, die Charly tot haar slachtoffer had gemaakt.

Haar uitnoodiging echter, om des avonds de opera met haar te gaan bezoeken, verdreef zijn twijfel weer. Hij beloofde het haar en beiden stonden op om heen te gaan.

Zijn aanbod om haar naar huis te mogen geleiden, wees zij af, evenals zijn voorstel om haar des avonds af te halen. Zij verzocht hem, tegen acht uur bij de trap der groote opera op haar te willen wachten.

Daarop nam zij in de sierlijke equipage, die buiten wachtte, plaats, nam de teugels uit de handen van den groom en na een gracieus hoofdknikje der dame verwijderde het rijtuig zich en was weldra uit de oogen van den verbaasden Raffles verdwenen. [9]