De voorstelling in de Groote Opera was afgeloopen.
In het heldere licht der electrische lampen bewoog zich een onafzienbare menschenmenigte langs den boulevard, zoodat de groote stroom operabezoekers, die het gebouw verliet, zich onmerkbaar hierin oploste.
Lord Lister schreed door de middelste vestibule aan de zijde van zijn laatste verovering.
Een wijde zwarte avondjas hing over zijn schouders en bedekte slechts weinig van het keurige avondtoilet, dat zijn rijzige gestalte zeer voordeelig deed uitkomen.
Zijn gezellin, wier prachtige japon zichtbaar was onder den losjes omgeslagen witten theatermantel, wendde zich nu tot haar nieuwen vriend.
„Ik heb mijn automobiel besteld en als gij er lust in hebt, soupeeren wij in mijn huis, ik heb alles in gereedheid laten brengen.”
Met een vriendelijken glimlach nam Raffles de uitnoodiging aan.
Hij voelde, dat het beslissende oogenblik gekomen was en dat men hem een dergelijk lot had toegedacht als zijn vriend Charly ten deel was gevallen, die nu reeds 14 dagen geleden, volkomen hersteld, het hospitaal had verlaten.
Lord Lister had zijn vriend niet medegedeeld, dat hij de rooveres op het spoor was.
„Hier staat mijn auto,” sprak de dame, op een der vele gereedstaande motorwagens wijzende.
„Naar huis!” riep zij tot den kleinen, mageren chauffeur; galant opende Lord Lister de coupédeur en hielp haar instijgen.
Hij overtuigde zich ervan, met een greep in zijn jaszak, dat zijn pistool daar tot zijn beschikking was, daarop nam hij naast de dame plaats en de auto sloeg den weg naar de Champs Elysées in.
Raffles haalde een gouden cigaretten-étui uit zijn vestzak en sprak tot de schoone blondine:
„U permitteert zeker wel, dat ik een cigarette rook?”
„O, ik wilde u mijn bonbons juist aanbieden,” antwoordde zij en een kleine bonbonnière werd te voorschijn gehaald.
Lord Listers hart bonsde, want nu was het kritieke moment gekomen.
„Laat ons ruilen, Madame. Ik neem uw bonbon, als gij met uw klein mondje een paar trekjes aan mijn cigarette doet”
„Als gij het graag wilt,” klonk het lachend en twee rijen paarlen schitterden tusschen haar lippen. Hij stak een cigarette tusschen haar lippen en gaf haar vuur. Terwijl zij den tabaksrook met lange trekken opzoog, namen haar met ringen getooide, blanke vingers een bonbon uit het sierlijke doosje en hielden deze aan den mond van haar cavalier.
Raffles kende de uitwerking van deze snoeperij. Voorzichtig hield hij de bonbon tusschen zijn tanden en terwijl hij zich boog om de hand van zijn dame te kussen, liet hij het gevaarlijke verdoovingsmiddel in zijn rechterhand vallen.
Met leegen mond zette hij nog eenige oogenblikken de kauwbeweging voort.
Met groote voldoening zag hij, dat de dame zijn cigarette alle eer bewees. [10]
Daarop leunde hij in de kussens terug en sloot schijnbaar de oogen, den blik echter tusschen de nauwelijks geopende oogleden onafgewend op zijn gezellin gevestigd houdende.
Hij zag duidelijk, hoe zij met een duivelsch lachje naar hem keek.
Een oogenblik wachtte zij nog, toen stond zij op, draaide het electrische licht, dat in de auto brandde, uit en gaf door een telkens herhaald kloppen tegen een der vensters, den chauffeur een teeken.
Het rijtuig had intusschen de Place de la Concorde bereikt en sloeg nu den weg in naar de Champs Elysées.
De cigarette, die een sterk werkend slaapmiddel bevatte, moest nu spoedig gaan werken om het plan van Raffles te doen gelukken, want hij had geen flauw vermoeden, hoelang de rit nog kon duren.
Nu bemerkte hij opeens, dat de dame achteroverleunde en in die houding onbeweeglijk bleef liggen.
Om zekerheid te hebben, trapte hij, schijnbaar in diepen slaap verzonken, op haar voet, maar zij bewoog zich niet.
Nu stond hij op en boog zich over haar heen; zij was vast ingeslapen en Raffles wist, dat zij in de eerste tien uur niet zou ontwaken.
Vastberaden trok hij zijn wijde avondjas uit; de revolver bracht hij in veilige bewaring in een zijner broekzakken.
Hierop nam hij haar den lichten theatermantel van de schouders en sloeg zijn jas om haar heen, waarin hij haar zoodanig hulde, dat haar japon geheel bedekt was. Haar mantel sloeg hij losjes om, zoodat hij het kleedingstuk elk oogenblik zonder eenige moeite van zich af zou kunnen werpen.
Nu keek hij door het raampje naar buiten.
De auto was juist een der breede lanen van het Bois de Boulogne ingereden en Raffles begreep uit de verminderde snelheid, dat zij het doel van den tocht naderden.
Aandachtig keek hij naar buiten en kon, ondanks de onvoldoende verlichting, de huisnummers onderscheiden.
De auto bleef staan; een enkele blik vertelde Raffles, dat het huis, voor welks tuinhek zij zich bevonden, het nummer 117 droeg.
De chauffeur gaf met zijn hoorn een teeken, het hek scheen zich automatisch te openen en de auto reed langzaam naar binnen tot vlak voor de hooge, ruime poort van het gebouw.
Raffles zag, hoe de gedaante van een ouden man uit de geopende deur te voorschijn kwam en hij kon duidelijk hooren, dat de chauffeur den ouden man toefluisterde:
„Hij is verdoofd, Tatiana heeft mij het teeken gegeven.”
De auto was nu door de poort naar binnengereden, de breede deuren waren weer dichtgevallen en Raffles kon bij het licht der beide autolantaarns zien, hoe de chauffeur van den bok sprong en met den oude het portier naderden.
Het beslissende oogenblik was gekomen.
Raffles rechterhand omklemde krampachtig zijn revolver en terwijl hij met de linker van binnen de deur opende, fluisterde hij met gedempte stem:
„Pst, zachtjes aan!”
Bij deze woorden tilde hij de in zijn jas gehulde vrouwengestalte in de armen der beide mannen.
Doordat het licht in de auto niet meer brandde, was het hun beiden onmogelijk, iets van het bedrog te ontdekken. Zij waren onmiddellijk gereed om hun prooi mee naar binnen te nemen en juist hadden zij met hun vermeend slachtoffer den lichtcirkel der beide rijtuiglampen bereikt, toen een donderende stem hun toeriep:
„Halt!”
Vol ontzetting keken zij om.
Verlamd van schrik lieten zij hun last vallen.
Voor hen, geleund tegen de auto, stond een man, in rok gekleed, die hun met dreigend gebaar zijn revolver voorhield. [11]
Een enkele blik op de gestalte die aan hun voeten lag, verklaarde hun wat er was gebeurd!
Voordat nog een enkel woord over hun lippen was gekomen, klonken op gebiedenden toon Raffles’ bevelen:
„Neemt die vrouw op en draagt haar in huis, ik volg u en bij den minsten tegenstand schiet ik u beiden neer. Dit wapen is voldoende om er zeven schurken het levenslicht mee uit te blazen.”
De oude man trachtte op stamelenden toon iets te antwoorden, maar reeds klonk het:
„Geen woord, of ik schiet. Vooruit, doet, wat ik u beveel!”
Bevend van angst namen de mannen het roerlooze lichaam op en, door Raffles gevolgd, die het pistool in de eene en zijn electrische zaklantaarn in de andere hand hield, zette de groep zich zwijgend in beweging.
Zij gingen een trapje op, dat naar een glazen deur leidde. Hierdoor kwamen zij in een vestibule, welke flauw verlicht was door een enkel electrisch lichtje.
Op deze vestibule, die met dikke tapijten was belegd en waaraan gemakkelijke Engelsche clubstoelen een zekerde behaaglijke gezelligheid gaven, kwamen drie deuren uit, welke blijkbaar toegang gaven tot de voornaamste vertrekken van de villa.
De beide dragers keken om naar Raffles, alsof zij diens verdere bevelen wachtten.
Raffles gebood hun, Tatiana neer te leggen.
Terwijl hij zijn wapen op hen gericht hield, begon hij nu met zachte, maar niet minder bevelende stem:
„Gij hebt drie weken geleden den Schot Mc Allan van alles beroofd en hem 49,000 pond, in Engelsche banknoten van duizend pond, afgenomen. Gij moet mij dat geld teruggeven.”
„Wij hebben het niet meer,” stamelde de oude bevend.
„Je liegt,” antwoordde Raffles bedaard en toen de oude hierop niets kon antwoorden, vervolgde hij:
„Jullie hebt de keus, òf je geeft het geld terug, dan zal ik jullie met rust laten en mij niet meer om je bekommeren, òf ge weigert, dan roep ik onmiddellijk de politie op, nadat ik het je eerst, door middel van dit wapen, onmogelijk heb gemaakt om te vluchten.”
„Behoort gijzelf niet tot de politie?” waagde de oude het nu, zeer verbaasd, te vragen.
„Neen,” antwoordde Raffles, glimlachend bij de gedachte dat men hem voor een detective had gehouden.
De oude man scheen een oogenblik na te denken, maar Raffles gunde hem niet veel tijd.
„Nu, vlug een beetje, ik wacht op antwoord,” beet hij hem toe.
Aarzelend begon de oude:
„Ik heb u de waarheid gezegd, wij hebben nog slechts een deel van het geld, als gij ons wilt volgen, kunt gij er u van overtuigen.”
„Goed,” antwoordde Raffles. „Jullie gaat vooruit, maar als je mij een poets denkt te spelen, rekent er dan op, dat uw laatste oogenblik is aangebroken.”
De oude man opende een der deuren, die op de vestibule uitkwamen en trad, door den chauffeur gevolgd, binnen.
„Maakt licht!” beval Raffles en in hetzelfde oogenblik brandde een groote kroon, die in het midden van de kamer aan het plafond hing.
Raffles trad binnen en overzag met een enkelen blik het vertrek.
De oude ging naar een schrijftafel en wilde een der laden openen.
„Halt!” riep Raffles. „Wat is daarin?”
„De rest van het geld,” antwoordde de oude man.
„Geen wapens?”
„Neen,” klonk het terug.
„Kerel, ik geloof je niet,” sprak Raffles.
Hij beval den chauffeur in den meest verwijderden hoek van het vertrek te gaan staan met opgeheven armen.
De man gehoorzaamde. [12]
Nu naderde Raffles den oude en, terwijl hij hem den mond van het pistool tegen een der slapen drukte, beval hij hem, de schrijftafel te openen.
„Als zich in het schrijfbureau iets bevindt, wat je woorden logenstraft, schiet ik.”
„De schrijftafel bevat niets dan boeken en de rest van het geld,” antwoordde de bedreigde sidderend van angst.
„Open ze dan!”
Raffles zag, dat de oude man de waarheid had gesproken.
Voor zijn oogen lag zijn eigen portefeuille, dezelfde, die hij aan boord van de „Senegambia” aan Charly Brand had gegeven.
Raffles nam ze op en opende haar, zonder de beide mannen uit het oog te verliezen.
Er waren nog 19 banknoten in van duizend pond.
„Waar is de rest van het geld?” vroeg Raffles, „maar spreek de waarheid!”
De oude aarzelde geen oogenblik.
„Ik heb het gebruikt om dit huis te koopen, dat wij vroeger in huur hadden.”
„Onder welken naam zijt gij eigenaar ervan geworden?”
„Ik heet Gregor Komartscheff.”
„Zijt gij Rus?”
„Van Russische afkomst, maar Turksch onderdaan.”
„En Tatiana?”
„Is mijn dochter.”
„En hij?” Raffles wees met zijn revolver naar den chauffeur.
„Dat is mijn neef Andrej”.
„Drijft gij uw schurkachtig bestaan reeds lang?” informeerde Raffles
„Neen, mijnheer,” antwoordde Komartscheff, „en geloof mij, het doel van onze rooverijen is minder schurkachtig dan de daad. Het geld, dat wij bemachtigen, dient om onze ongelukkige broeders in Turkije te bevrijden.”
Lord Lister was te wantrouwend van aard om zonder slag of stoot een dergelijk sentimenteel verhaal te gelooven.
Anderzijds echter was, na alles wat hij hier had gezien, de schijn vóór den ouden man.
Hij nam de portefeuille met de rest van het geld en stak dit alles bij zich.
Daarop sprak hij op minder dreigenden toon tot het tweetal:
„Uw streven, om rijken leegloopers de zakken te lichten, ten einde hun geld voor nuttiger doeleinden te besteden, is mij niet geheel onsympathiek en het zou best mogelijk kunnen zijn, dat wij tot een overeenkomst kwamen.
„Als gij openhartig tegenover mij zijt, hebt gij niets van mij te vreezen, zelfs al zou het ontbrekende geld niet weer voor den dag komen.
„Ik zal morgenmiddag met mijn vriend Mc Allan, denzelfden, dien gij drie weken geleden geplunderd hebt, bij u komen en als gij mij kunt bewijzen, dat uwe verhalen op waarheid gebaseerd zijn, wil ik u in meer dan een opzicht van dienst zijn.
„Voorloopig vertrouw ik u nog niet. Gaat mij dus beiden voor en brengt mij weer naar buiten. Als ik weg ben, moet gij Tatiana naar bed brengen. Zij zal in den loop van den morgen vanzelf uit haar verdooving ontwaken.
„Ziezoo, wijst mij nu den weg.”
Beide mannen liepen voor hem uit en na eenige minuten had Raffles het huis in de avenue van het Bois de Boulogne verlaten.
Hij liep de donkere straten door en de gebeurtenissen van dien dag, vanaf de ontmoeting in het Bois de Boulogne tot aan het dramatische einde passeerden in zijn gedachten nog eens de revue.
Het raadselachtige gedrag van het jonge meisje was hem nu begrijpelijk. Het verhaal van den ouden man voldoende om de wonderlijke houding van Tatiana te verklaren. Maar zouden de woorden van Komartscheff waarheid bevatten? [13]
Het viel Raffles niet moeilijk, er geloof aan te schenken. Maar hij hield er niet van, alleen zijn gevoel te laten werken waar het zaken betrof, die slechts konden worden opgehelderd door een logisch denkend verstand.
Toch doemde telkens weer de liefelijke verschijning van Tatiana voor hem op, naast het beeld van ongekunsteld leed, dat de gedachte aan den ouden Komartscheff in hem wakker riep en toen Raffles tegen drie uur in den morgen zijn bed opzocht, hoopte hij van ganscher harte, dat het resultaat van zijn onderzoek naar de bewoners der villa niet in tegenspraak zou zijn met hun eigen mededeelingen.