De heer Emile Menuisier was min of meer zenuwachtig.
De huurder van zijn tuinhuis, die reeds eergisteren bij hem had moeten komen om de verschuldigde huur te betalen, scheen verdwenen te zijn. Reeds sinds veertien dagen had hij hem niet gezien.
Er bestond in de oogen van den edelmoedigen heer Menuisier geen enkele verontschuldiging voor lieden, die hun huurpenningen niet prompt betaalden en hij sprak er dus met diepe minachting over tegen zijn huishoudster, de oude Coralie.
Maar bij het oude, tandelooze vrouwtje vond hij weinig troost voor het geldverlies, dat hij leed door het verdwijnen van zijn huurder en daarom besloot de heer Menuisier op den derden van de nieuwe maand een bordje te bevestigen aan zijn huisdeur in de Rue Bayen, waarop te lezen stond, dat hij zijn tuinhuis te huur aanbood.
Mijnheer Menuisier behoefde niet lang te wachten.
Nauwelijks een half uur nadat het bordje buiten hing, kwam reeds de eerste liefhebber.
Maar de oude woekeraar zag dezen woningzoekende met wantrouwen aan. Het was een lange man met blonden, tamelijk slecht verzorgden puntbaard en rijken haardos.
De wijde pantalon, de zwarte zijden strik en de fluweelen baret, die hij schuin op het hoofd droeg, kenmerkten hem als artist en wel als schilder.
Voor dergelijke lui had de heer Menuisier niet veel sympathie en het nonchalante uiterlijk van den binnentredende deden den rijkaard vermoeden, dat deze jonge man ook dezelfde onverschilligheid aan den dag zou leggen waar het op geldzaken aankwam.
„Wat wenscht gij?” zoo begon hij het gesprek.
„Ik wilde het tuinhuis, dat gij te huur aanbiedt, wel eens zien,” antwoordde de ander zeer bescheiden.
„Ik verhuur alleen aan solide personen,” bromde op onbeschaafden toon de heer Menuisier en reeds wilde hij den bezoeker den rug toedraaien.
Maar de kunstenaar scheen er nog niet van af te zien.
Vol eerbied voor den rijken huiseigenaar verklaarde hij:
„Ik heb geld en als ik uw tuinhuis huur, betaal ik u een jaar vooruit.”
Menuisier keerde zich om. Dat scheen dus een witte raaf te zijn! Maar—men moest voorzichtig wezen.
„Gij moet mij de huur vooruit betalen en nog voordat gij in de woning trekt,” sprak de eigenaar tot den bezoeker.
„Nog voordat ik in de woning trek!” herhaalde deze met onverminderde bescheidenheid.
Gerustgesteld zette Menuisier zijn kalotje op, nam een sleutelbos en ging den bezoeker voor om hem het tuinhuis te laten zien.
De bescheidenheid van dezen huurder was werkelijk voorbeeldig, alles beviel hem, geen enkele opmerking waagde hij het te maken, en toen Menuisier hem den huurprijs had genoemd, deed de vreemdeling, die zich nu voorstelde als de portretschilder Rapin, niets anders dan zijn portefeuille voor den dag te halen en het verschuldigde van een halfjaar vooruit te betalen.
„Wanneer denkt u het te betrekken?” vroeg de verbaasde Menuisier, nu veel vriendelijker.
„Nog hedenavond,” antwoordde Rapin en toen zij samen den tuin weer doorliepen, riep de huiseigenaar de langzaam voorbijsloffende huishoudster toe:
„Neem het bordje weg, Coralie, deze heer, de kunstschilder Rapin, betrekt het tuinhuis nog heden.” [26]
Een paar onverstaanbare woorden mompelend, verdween de matrone in huis.
Menuisier geleidde den heer Rapin tot op straat en toen hij beleefd afscheid van hem had genomen, keerde hij hoogst tevreden in huis terug.
Rapin had zijn intrek genomen in het tuinhuis, maar tot groote verbazing van Menuisier was zijn bagage in lijnrechte tegenspraak met de manier, waarop hij zijn huur had voldaan.
Acht dagen waren verloopen sinds de schilder zijn nieuwe woning had betrokken, en Menuisier had hem nog niet weer gezien. De jonge man had het tuinhuis geen enkelen keer verlaten en zijn persoonlijkheid kwam den huisheer hoe langer hoe onbegrijpelijker voor.
Want al zag de heer Menuisier zijn huurder niet, hij hoorde hem des te meer en wat hij hoorde, maakte alles nog geheimzinniger.
Des nachts en ook dikwijls overdag en juist dan als Menuisier in zijn tuin wandelde, klonk uit het tuinhuis, waarvan de gordijnen nooit werden opengeschoven, een verdacht geluid, welks rhytmische regelmatigheid aan een machine deed denken.
De heer Menuisier begreep er niets van.
Wat voerde de geheimzinnige Rapin uit?
Hoe kon hij er een machine op nahouden, want onmogelijk kon die verborgen zijn geweest in de luttele bagage, welke hij had meegebracht.
En hoe was het mogelijk, dat de nieuwe bewoner zich van levensmiddelen voorzag, daar hij immers nooit uitging om inkoopen te doen?
De vreeselijkste voorstellingen omtrent het raadselachtige gedrag van zijn huurder begonnen den heer Menuisier zijn nachtrust te berooven.
De toestand werd onhoudbaar.
Juist was de rijke gierigaard van tafel opgestaan. Tengevolge der slechte nachtrust smaakte hem het eten niet en ontstemd een pijp aanstekend, maakte hij zich gereed om zijn gewone middagwandeling in den tuin te gaan doen.
Nog steeds waren de vensters van het tuinhuis gesloten, en niets verried hier de aanwezigheid van een menschelijk wezen.
Maar nauwelijks had hij eenige schreden afgelegd, of daar drong weer datzelfde gestamp, dat hij voor het geluid van een machine hield, in zijn oor.
Wie kon weten, tot welk misdadig doel hier gewerkt werd!
De brave ziel van den heer Menuisier kwam in opstand en dit gevoel, gevoegd bij de herinnering aan het bescheiden, bijna onderdanige optreden van den heer Rapin gaf hem plotseling moed.
Hij moest zekerheid hebben omtrent het doen en laten van zijn huurder en vastberaden klopte hij aan de deur van het tuinhuis.
In hetzelfde oogenblik verstomde het geluid.
De heer Menuisier wachtte. In ademlooze spanning luisterde hij, maar niemand scheen hem binnen te laten.
Hij klopte nogmaals, nu luider en brutaler.
Na een kleine pauze naderden langzame schreden, de grendel werd teruggeschoven en de deur op een kier geopend, waardoor het verschrikte gelaat, van den heer Rapin zichtbaar werd.
„Wat wenscht gij, mijnheer Menuisier?” vroeg de huurder, blijkbaar niet in staat om zijn vrees en verrassing te onderdrukken.
„Wat is dat voor een lawaai dat gij maakt?” vroeg de huisheer op barschen toon. „Wat voert gij uit in mijn huis?”
„Maar ik doe geen kwaad, ik werk,” klonk het bevend terug.
Menuisier kreeg hoe langer hoe meer moed. Hij stiet de deur met zijn voet geheel open en, terwijl hij zijn pijpje uit den mond nam, trad hij binnen.
De deur, die van de vestibule naar een der kamers leidde, stond open en zonder zich te laten weerhouden door den verschrikten uitroep van Rapin: „Maar mijnheer Menuisier, wat doet gij?” ging de dappere man in de kamer.
Rapin was hem gevolgd en met van angst wijd geopende oogen en mond leunde hij als verpletterd tegen de deur, terwijl hij ontsteld naar den indringer keek, die zijn geheim had ontdekt. [27]
Menuisier overzag dadelijk den toestand.
In het midden der kamer stond een drukpers en het was duidelijk, voor welk doel zij gebruikt werd.
Een hoopje fonkelnieuwe biljetten van vijfhonderd francs, dat op een tafeltje naast de machine lag, verklaarde duidelijk het doel van dezen geheimzinnigen arbeid.
Angstig keek hij om, maar van dezen man, die bevend en sidderend bij de deur stond, hulpeloos en ontsteld naar hem kijkend, had hij geen gewelddadig optreden te vreezen.
De groote rechterhand van den heer Menuisier nam het pakje banknoten op en met een stem, waaruit de groote kracht van een ordelievend, eerlijk burger sprak, bulderde hij den misdadiger toe:
„Dus, gij vervalscht bankpapier, ik zal u aan het gerecht overleveren!”
Rapin viel op de knieën.
„Mijnheer Menuisier, spaar mij, ik bid u, heb medelijden met mij, ik zal u levenslang dankbaar zijn!”
Tegen dergelijke beden was de heer Menuisier voldoende bestand. Zijn jarenlang beroep als woekeraar had zijn hart ompantserd en het kostte hem dus niet de minste moeite om tegenover de hartroerende smeekbeden van den ongelukkige de beleedigde eerlijkheid te spelen.
„Ik ontzie geen misdadiger!” klonk het vol waardigheid van zijn lippen.
„Als gij dit vertrek verlaat om mij aan de politie over te leveren, beneem ik mij het leven!” riep Rapin wanhopig uit.
Ook deze bedreiging scheen geen indruk op den huiseigenaar te maken. Hij was naar het venster gegaan om een der valsche bankbiljetten nauwkeurig tegen het licht te bekijken.
Drommels, de namaak was uitstekend geslaagd en de bewondering van den heer Menuisier was zoo duidelijk, dat Rapin het zelfs waagde, naderbij te komen.
Menuisier onderzocht verder.
Hij bekeek het biljet van alle kanten, kneep het samen en streek het daarna weer glad om het nogmaals tegen het licht te houden. Geen twijfel mogelijk, het werk was zoo volmaakt, dat zelfs bij een nauwkeurig onderzoek de vervalsching niet te merken was.
„Hoeveel van die biljetten hebt gij reeds uitgegeven?” vroeg hij op barschen toon aan Rapin, die bevend achter hem stond.
„Nog geen enkel,” jammerde de ander, „dit is mijn eerste poging en ik mis het noodige kapitaal om verder te kunnen werken.”
„Gij hadt een hoop kwaad kunnen uitrichten,” sprak Menuisier op zachter toon, „niemand zou de vervalsching ontdekken!”
„Ik weet het,” antwoordde Rapin zacht, „en ik wil in uw tegenwoordigheid deze bankbiljetten aan het Crédit Lyonnais of een ander kantoor zonder moeite wisselen.”
„Zoo denkt gij dat?” vroeg Menuisier en van zijn strengheid en verontwaardiging was niets meer te merken.
De blik van Rapin bleef in gespannen verwachting gevestigd op de trekken van zijn huisheer en duidelijk bemerkte hij, hoe de uitdrukking van de gehuichelde woede van het gelaat van den ouden woekeraar week en steeds meer plaats maakte voor onverholen hebzucht.
Rapin scheen een menschenkenner te zijn, want anders had hij het niet gewaagd, al was het ook op geheimzinnigen, fluisterenden toon, voor te stellen:
„Mijnheer Menuisier, als gij medelijden met mij hebt, en als gij verstandig zijt, kunnen wij met ons beiden door middel van mijn kunst millioenen verwerven, zonder eenig gevaar te loopen.”
De dappere huisheer viel nu geheel uit zijn rol. Zonder zich de minste moeite te geven, zijn hebzucht te verbergen, vroeg hij, heesch van aandoening:
„Hoe dan, wat zou ik moeten doen?”
Bij Rapin scheen alle angst geweken te zijn en hij sprak nu op koelen zakentoon:
„Mijnheer Menuisier, de zaak is heel eenvoudig. Het toestel, dat ik hier met veel moeite in elkaar heb gezet, is niet te vertrouwen. Het geld ontbreekt mij [28]om vóór alles het papier, dat ik noodig heb voor het fabriceeren der bankbiljetten, zelf te vervaardigen.
„Mijn plan is, een jaar lang wekelijks ongeveer 300 stuks van deze biljetten van vijfhonderd francs te maken. Maar ik heb toestellen en chemicaliën noodig en mis het daartoe benoodigde kapitaal.”
„Hoeveel zoudt gij moeten hebben?” vroeg de huisheer.
„Dat zal ik u later zeggen,” antwoordde Rapin, „eerst moet gij u overtuigen van de deugdelijkheid van mijn werk.
„Houd drie der bankbiljetten, die hier liggen, mijnheer Menuisier, ga daarmee in de stad naar een filiaal van het Crédit Lyonnais, daarop naar de Fransche Bank en verder naar het een of andere wisselkantoor, om op elk dier kantoren een der biljetten tegen goud in te wisselen. Ieder der beambten zal het biljet meer of minder nauwkeurig onderzoeken. Om het even echter hoe lang dit onderzoek duurt en hoe zorgvuldig het wordt uitgevoerd, niemand zal de vervalsching ontdekken en men zal u het bedrag in goud uitbetalen.”
Menuisier beefde van ontroering. Als dit alles werkelijk waar was, dan waren de schatten, die hij op die manier zou kunnen bemachtigen, onmetelijk.
De hebzucht in hem werd zoo groot, dat hij er niet meer aan dacht, den schijn te bewaren als ware hij een braaf en eerzaam mensch.
Hij nam drie biljetten, stak ze bij zich en terwijl hij de overige aan Rapin teruggaf, sprak zij op zenuwachtigen toon:
„Ik ben over een uur weer terug, wacht op mij!”
„Ik zal wachten,” antwoordde Rapin.
Nauwelijks was de deur van het tuinhuis achter den eigenaar dichtgevallen of Rapin schoof de gordijnen een eindje open en keek met een glimlach den heer Menuisier na.
Toen hij den ouden heer niet meer kon zien, verwijderde hij zich van het venster.
Hij was weer geheel normaal geworden, alle angst was van hem geweken en een uitdrukking van groote tevredenheid was op zijn gelaat te lezen. Op zijn gemak stak hij een cigarette op, waarna hij op het bed ging liggen, dat in een hoek der kamer stond.
Menuisier had de drie biljetten samengevouwen en in zijn vestzak gestoken. Hij sloot zich op in zijn slaapkamer, waar de brandkast stond, en met bevende vingers haalde hij uit een portefeuille een bankbiljet van 500 francs. Hij legde de drie biljetten, die zijn huurder hem had gegeven, op tafel naast zijn eigen biljet en sloot de gordijnen voor de ramen.
Daarop stak hij licht aan en begon bij den gelen schijn der petroleumlamp weer opnieuw te onderzoeken.
Met pijnlijke nauwkeurigheid onderzocht hij de teekening. Hij bekeek de watermerken en zag, dat er niet de minste afwijking te bespeuren was. Er was niet de minste kleinigheid te bespeuren, die op vervalsching wees, en vermoeid door het lange onderzoek staarde de grijsaard in het slechte licht van de lamp, dat zijn door schraapzucht verwrongen gelaat bescheen.
Zijn blik viel op de biljetten.
Een groot vermogen zou hij zonder eenige moeite of gevaar kunnen bemachtigen en hij draalde nog!.….. Waarom? Zou het geluk hem ooit weer op die manier toelachen?
Hij stond op en maakte zich gereed om uit te gaan.
De valsche bankbiljetten stak hij ieder afzonderlijk in de verschillende zakken van zijn vest, daarna blies hij de lamp uit en ging heen.
Met wankelende schreden ging hij de straat op naar de Avenue Niel, waar zich een filiaal van het Crédit Lyonnais, het voornaamste Fransche bankierskantoor, bevond. Maar toen hij voor de deur van het wisselkantoor stond, overviel hem een vreeselijke angst.
Als de beambte aan het loket, die een buitengewoon scherpen blik moest hebben, de vervalsching ontdekte! Wat dan?
De oude woekeraar aarzelde. Maar hij was een oude bekende op dit kantoor. Als men de vervalsching ontdekte, zou men hoogstens beslag leggen op het aangeboden biljet, zonder hem van den namaak te verdenken.
Men zou hem dan voor een slachtoffer van den een of anderen valschen munter aanzien.
Vastberaden trad hij eindelijk binnen. Er was geen [29]publiek en Menuisier ging naar het loket, waar achter de beambte aan een lessenaar stond te schrijven.
Met eenigszins bevende hand legde de oude heer een der biljetten voor den beambte neder, met de woorden:
„Wilt u mij als ’t u belieft vijfhonderd francs wisselen?”
Deze, een bejaarde man, nam het biljet, wreef het tusschen zijn vingers, hield het tegen het licht en legde het daarna op een bundel andere bankbiljetten in een ijzeren kistje.
„Wenscht u goud of klein papier?”
„Goud,” sprak Menuisier, die zijn oogen onafgewend op den beambte gevestigd hield en ieder zijner bewegingen met aandacht volgde.
De kassier legde het bedrag aan goud voor den heer Menuisier neer. Hij wachtte totdat de oude heer het geld bij zich had gestoken, waarna hij weer naar zijn lessenaar terugkeerde, zonder zich verder om den klant te bekommeren.
Menuisier ging naar buiten. Drommels, dat was gemakkelijk gegaan! Geen twijfel mogelijk, de vervalsching was niet te ontdekken, want ook deze kassier had ondanks het onderzoek niets gemerkt.
De woekeraar ging nu naar een filiaal van de Fransche Bank, de officieele staatsbank der Republiek. Zonder aarzelen overschreed hij hier den drempel van de kas, waar hij het tweede exemplaar van Rapins biljetten aan het loket neerlegde.
Weder volgde het gewone onderzoek en weder ontving de woekeraar het bedrag aan goudstukken uitbetaald.
Plotseling kreeg hij meer moed. Het derde biljet te voorschijn halend, sprak hij tot den beambte:
„Wilt u mij nog voor vijfhonderd francs aan goud geven?”
Zwijgend nam deze het hem aangeboden biljet aan, onderzocht ook dit en betaalde den ouden heer het gevraagde uit.
Menuisier ging naar buiten.
Er viel niet meer aan te twijfelen, de vervalsching was niet te ontdekken en alle angst en vrees waren verdwenen.
Een uur was voorbijgegaan en nog steeds lag Rapin uitgestrekt op zijn bed, vergenoegd cigaretten rookend, totdat een bescheiden klop op de deur hem deed opspringen.
Een oogenblik later stond Menuisier voor hem met donkerrood gelaat. Woeste vreugde verhelderde zijn kleine grijze spitsboevenoogen en een paar vlokken grijs haar kleefden aan het met zweet bedekte voorhoofd vast.
Nauwelijks had hij de deur achter zich gesloten, of hij riep uit:
„Mijnheer Rapin, het is kolossaal, de beambten hebben de bankbiljetten zonder een woord van protest gewisseld.”
Rapin deelde de opgewondenheid van zijn huisheer niet, hij scheen dit resultaat te hebben verwacht.
Hij ging kalm op den rand van zijn bed zitten en richtte tot Menuisier, die 1500 francs aan goudgeld op een tafeltje naast het bed uittelde, de vraag:
„Nu, mijn waarde, wilt gij er verder mee te maken hebben? Maar ik moet u eerst op het volgende attent maken; het kapitaal, dat ik noodig heb, is zeer groot. Omdat ik niets bezit, moet gij het geld verschaffen, waarvoor gij de helft van de totale opbrengst krijgt. Ik verplicht mij om, vanaf den tienden dag nadat gij het kapitaal hebt gestort, u wekelijks minstens 150 biljetten van 500 francs te bezorgen. Deze biljetten zullen steeds verschillende controle-nummers hebben, opdat er bij het wisselen geen bezwaren zullen worden gemaakt.
„Het bedrijf zal 52 weken, geen dag langer, worden voortgezet, want wij moeten er rekening mee houden, dat na ongeveer 1 jaar de vervalsching aan het licht zal komen. Als dan de vervaardiging reeds zoolang heeft opgehouden, is ontdekking niet meer te vreezen, en onze oogst zal voldoende zijn.”
Wat deze huurder vertelde, klonk zoo verleidelijk en de proefneming van zoo even was zoo schitterend geslaagd, dat Menuisier met heesche stem vroeg:
„Hoeveel geld hebt gij noodig, mijnheer Rapin?”
De schilder keek Menuisier lang en strak aan. Daarop noemde hij, elke lettergreep met nadruk uitsprekend, de som:
„Zes-maal-honderd-duizend-francs.” [30]
„Is dat niet wat veel?” vroeg de ander aarzelend.
„Het is een bagatel, vergeleken bij hetgeen gij er voor zult terug ontvangen,” antwoordde Rapin kalm.
„Waarvoor hebt gij zooveel noodig?” vroeg Menuisier.
„Dat zeg ik u niet, dat is mijn geheim,” klonk het uit den mond van den schilder.
Na een korte pauze sprak Menuisier:
„Ik zal u hedenavond het geld brengen.”
Rapin stond op.
„Goed,” zei hij, „ik verwacht u, het is vandaag de 12e. Den 22en zal ik met alle voorbereidingen gereed zijn en den 29en ontvangt u de eerste levering van minstens 150 exemplaren.”
Menuisier ging heen en toen hij om 7 uur des avonds terugkeerde, overhandigde hij zijn huurder het geld in zes pakjes, die ieder honderd biljetten van 1000 francs bevatten.
Rapin telde het na en stak bedaard het geld in zijn zak.
„Zullen wij een schriftelijke overeenkomst maken?” vroeg Menuisier op bescheiden toon.
„Met genoegen,” verklaarde zijn huurder onverschillig en dadelijk schreef hij een contract, dat beide onderteekenden.
Op den avond van dienzelfden dag liet de rijke Amerikaan Harrison den heer Komartscheff en diens dochter bij zich komen en overhandigde hij hun ten behoeve hunner menschlievende bemoeiingen een som van viermaal honderdduizend francs.
Sprakeloos van verbazing was de oude Komartscheff nauwelijks in staat, zijn dank onder woorden te brengen.
Tatiana boog zich om de hand van den weldoener te kussen.
Harrison echter richtte het jonge meisje weer op.
„Gij behoeft mij niet te bedanken, ik ben gelukkig geweest in mijn speculaties, dat is alles!”
En, terwijl hij Tatiana’s blonde lokken streelde, vervolgde hij op zachten toon:
„En gij, kindlief, spaar uw kussen voor iemand anders.”
Een blos verfde de wangen van het mooie meisje. Zij had gezien, hoe Harrison bij deze woorden naar Mc. Allan had gekeken, die getuige was van het gesprek.
Met een goedigen glimlach sprak Harrison:
„Ja, kinderen, voor mij behoef je het niet te verbergen, ik heb het allang begrepen.”
Daarop ging hij met Komartscheff heen, de beide jonge menschen met hun geluk alleen latend.
Eerst na middernacht kwam Donald Harrison weer thuis. Dadelijk begaf hij zich naar het vertrek, dat in verbinding stond met de onderaardsche gang.
Hij draaide het electrische licht op en keek rond in de kamer, die er nu nog kaler uitzag dan toen Komartscheff hier zijn laboratorium had gehad.
„Nu zal ik alles weer naar hier terugbrengen,” klonk het van zijn lippen. Hij nam uit een kleerkast, die in een hoek der kamer stond, een lang niet nieuw costuum en een langharige pruik.
Nu begon de gedaanteverwisseling en na eenige minuten was de zorgvuldig gekleede Donald Harrison veranderd in den slordigen schilder Rapin, denzelfden Rapin, die van den heer Menuisier zesmaal honderdduizend francs had ontvangen.
Hij nam plaats aan een tafeltje, dat hem als schrijfbureau diende en begon een brief. Toen hij hiermee gereed was, sloot hij hem in een couvert en schreef daarop met groote duidelijke letters het adres.
Hij stak der brief in een zijzak van zijn jas en opende den schoorsteenmantel. Bij het licht van zijn zaklantaarn verdween hij langs de steenen trap naar de onderaardsche gang.
Na weinige minuten had hij den anderen uitgang bij het gebouw in de Rue Bayen bereikt.
Ook hier opende hij de geheime deur, tegelijkertijd stak hij zijn lantaarn in den zak en trad de kamer binnen.
Mijnheer Rapin, de huurder van den heer Emile Menuisier, stond weer in het vertrek, waarin de valsche bankbiljetten werden vervaardigd en met een zegevierend lachje keek hij om zich heen, naar de vele voorwerpen die hem hier zulke uitstekende diensten hadden bewezen. Weer moest Raffles lachen bij de gedachte aan de weinige moeite die hij had gehad om den ouden woekeraar erin te laten vliegen. [31]
Maar hij had nu geen tijd om zich lang aan dergelijke overpeinzingen over te geven. Hij onderzocht nog eens of de gordijnen goed gesloten waren, daarop stak hij licht aan!
Het huis en de tuin lagen in diepe rust en niemand hoorde hem.
Raffles haalde een kleinen schroevendraaier te voorschijn en begon zoo geruischloos mogelijk te werken. Voorzichtig draaide hij de schroeven los, waarmede de gedeelten van de steendrukpers waren verbonden. Hij nam alles uit elkaar en zette de verschillende stukken op den grond bij den schoorsteen neer.
Hij was op deze wijze ongeveer een uur bezig geweest en keek nu eens rond in de kamer, die kaal en leeg was. Van alle meubelen waren alleen het bed en het kleine tafeltje, waarop de lamp stond, in hun geheel gebleven. De andere voorwerpen lagen, in stukken uit elkaar genomen, bij den schoorsteenmantel op den grond.
De nachtelijke arbeider opende nu weer de geheime deur en droeg alle stukken naar beneden in de onderaardsche gang.
Daarna keerde hij voor het laatst nog eens in de kamer terug. Uit zijn zak nam hij den brief en legde dezen midden op het kleine tafeltje, waarna hij de lamp opnam en zachtjes verdween achter den schoorsteen die hij zorgvuldig weer sloot.
Terwijl hij de lamp op de steenen trap zette, keek hij eenige oogenblikken naar de op den vochtigen bodem der gang staande onderdeelen van het vreemdsoortige meubilair, dat hij als Rapin in deze woning had gebracht.
Om dit alles weer over te brengen naar de vroegere werkkamer van Komartscheff kon wel tot den volgenden dag wachten.
Nu had hij behoefte aan rust, die hij wèl verdiend had.
En snel liep Raffles terug door de onderaardsche gang, glimlachend bij de gedachte aan het gezicht, dat Menuisier zou zetten als hij den voor hem achtergelaten brief zou lezen.
De nacht, die volgde op het sluiten van het contract met zijn huurder, bracht ook den heer Menuisier geen slaap. Maar nu was het niet de ongerustheid over een onopgelost geheim, wat hem den slaap roofde, nu was het zijn groote hebzucht, die weldra op de schitterendste wijze bevredigd zou worden.
Reeds om 5 uur stond hij op om den tuin in te gaan, maar geen enkel geluid kwam uit het tuinhuis en hij had den moed niet aan de deur te kloppen.
Misschien sliep de heer Rapin en zou hij een dergelijke stoornis kwalijk nemen.
Rusteloos liep hij zijn huis door en elk half uur stond hij weer aan de deur van Rapin’s woning te luisteren.
Maar alles bleef stil en Menuisier werd steeds onrustiger. Hij raakte geen voedsel aan en toen het twee uur in den middag was geworden, kon hij het niet langer uithouden.
Hij klopte zacht op de deur van het tuinhuis.
Niemand antwoordde.
Menuisier klopte harder, maar weer zonder resultaat.
Hij beukte nu met beide vuisten op de deur, maar daar binnen bewoog zich niets.
Angstig geworden door deze doodelijke stilte, stond de oude gierigaard radeloos te wachten.
Opeens bedacht hij, dat de reservesleutels van het tuinhuis in zijn bezit waren. Zoo snel als hij kon, snelde hij naar huis terug en eenige minuten later stond hij weer aan de deur van zijn huurder met een grooten sleutelbos in de hand.
Nogmaals klopte hij zoo hard hij kon en toen weer niemand opende, ontsloot hij de deur.
Voorzichtig trad hij binnen.
Toen hij op den drempel stond van het vertrek, waar den vorigen dag de overeenkomst was gesloten, verbleekte hij van schrik.
De kamer was leeg, alleen het bed en een klein tafeltje stonden in een hoek.
De drukmachine en alle andere voorwerpen, waarover hij zich den vorigen dag zoozeer had verbaasd, waren verdwenen en van Rapin, den huurder, was geen spoor te ontdekken.
De knieën van den ouden man beefden, toen hij de [32]kamer verder binnentrad. Hij trok de gordijnen open en nu zag hij een brief op het tafeltje liggen.
De brief was geadresseerd:
Aan den Heer Menuisier,
Woekeraar en Gierigaard.
Met trillende handen opende hij het couvert.
Hij las:
Ik ben ijdel genoeg om aan te nemen, dat mijn naam ook bij u bekend is. Ik, die uw tuinhuis huurde onder de vermomming van een arm schilder, ik ben Raffles, naar wien de politie van alle landen zoekt.
En, nadat ik u heb medegedeeld met wien gij te doen hebt, zal het u niet verbazen, dat ik mij geroepen voelde, om ook jegens u recht te plegen, door u een deel afhandig te maken van uw geld, waaraan het bloed en de tranen van ontelbare ongelukkigen kleven.
Daarbij hebt gij mij, zoo dom mogelijk, de behulpzame hand geboden, want de biljetten, die ik u gaf om in te wisselen, waren echt en doordat gij u schriftelijk—ik heb het bewijs in handen!—tot medeplichtige hebt gemaakt van een voorgenomen misdrijf, namelijk het vervalschen van bankpapier, hebt gij uzelf den pas afgesneden, om de hulp der politie in te roepen.
Gij ziet dus, dat gij aan alle kanten in de val zijt geloopen.
Ik weet, dat ik u slechts een deel van uw vermogen heb ontnomen, dat, wat gij hebt overgehouden, is voldoende om in uwe behoeften te voorzien.
Leef wel en denk nog eens aan uw compagnon
JOHN C. RAFFLES.
Het schemerde den ouden vrek voor de oogen, een kreet van machtelooze woede kwam van zijn lippen en bewusteloos zakte hij ineen.
Zoo vond de oude Coralie hem, die hem naar zijn kamer sleepte, waar Menuisier uit zijn onmacht ontwaakte.
Sinds dien dag bleef het tuinhuis in de Rue Bayen onbewoond, de heer Menuisier rilde reeds bij de gedachte, ooit weer een vreemdeling in zijn huis op te nemen.
De groote onbekende echter vervolgde weer zijn eigen weg.
Wat hij eenigen tijd later in Londen uitvoerde en beleefde, hooren de lezers in de volgende aflevering.