[Inhoud]

TIENDE HOOFDSTUK.

DE VALSCHE SPELERS.

In de voornaamste wijk van Londen, in de buurt van Pall Mall, woonde de markies di Sao Balbo. Rondom de kleine villa, die midden in een prachtigen tuin lag, heerschte bijna altijd zulk een rust en stilte, dat de meeste der voorbijgangers dachten, dat het huis onbewoond was.

Van binnen was het kleine gebouw met groote weelde ingericht.

Twee negers zorgden voor de bediening. Hij had deze beide zwartjes, naar hij vertelde, meegebracht uit zijn geboorteland.

Op de eerste verdieping bevond zich de studeerkamer van den markies. Ook hier heerschte een Sybaritische weelde. Aan de muren zag men overal wapens en zeldzame jachttropheeën.

Bij het genot van een goed glas cognac en een fijne havanna zat de Zuid-Amerikaan te praten met zijn vriend Rudge Fitzgerald. [26]

„Je bent vandaag zoo somber, mijn lieve Charly,” sprak Lord Lister, want dit was de ware naam van den markies, „het komt mij bijna voor, alsof je geen vertrouwen meer stelt in je besten vriend.”

Zwijgend schudde de ander het hoofd.

„Heb je bij het spel verloren?” vroeg di Sao Balbo, alias Lord Lister na een kleine pauze.

Charly knikte.

„Veel?” vroeg zijn vriend.

„Zeer veel!” antwoordde Charly op doffen toon.

„Ik mag toch zeker wel weten, hoe groot het bedrag is?”

Maar de jongste der twee had blijkbaar den moed niet om het bedrag te noemen.

„Ik zal maar bij duizend pond beginnen?”

Rudge haalde zwijgend de schouders op.

„Mooi—meer dus!”

En de Braziliaan keek zijn jongen vriend een poosje peinzend aan, waarop hij sprak:

„Ik begrijp er niets van, beste jongen. Wij kennen elkaar nu reeds vrij lang en je moest toch weten, dat ik in elk geval bereid ben je te helpen … Ik verzoek je dus nogmaals om mij te vertellen, hoeveel je verloren hebt!”

Charly aarzelde nog eenige oogenblikken, waarna hij op klankloozen toon sprak:

„Over de tienduizend pond.”

„Hm,—hm,” bromde de Lord, „dat is ongeveer een kwart milioen francs.… ik reken nog altijd met Fransche munt sinds mijn laatste verblijf in Parijs, waaraan ik steeds gaarne terug denk …

Ja, dat is een hoop geld, maar daar het eereschulden zijn, moet je ze dadelijk betalen!”

„Ik bezit echter niets meer!” klonk het op wanhopigen toon van de lippen van den jongen man.

„Nu,” sprak Lord Lister onverschillig, „gelukkig dan maar, dat ik op het oogenblik beter bij kas ben!”

Bij die woorden nam hij een zware portefeuille uit zijn borstzak en telde twaalf biljetten van duizend pond voor zijn vriend uit op het kleine Perzische rooktafeltje, dat met goud en paarlemoer was ingelegd.

Hij wilde zijn portefeuille reeds weer wegbergen toen hij zich bedacht en met de woorden:

„Maar dan heb je nog een beetje bedrijfskapitaal ook noodig!” nog drie biljetten van vijftig pond voor den jongen Fitzgerald neerlegde.

Deze hield zijn aristocratisch blond gelaat afgewend, terwijl zijn breede borst zwoegde van aandoening.

Plotseling sloeg hij zijn beide armen om den hals van zijn vriend en bedankte hem met van ontroering trillende stem.

De markies, wiens door de zon gebruind gelaat van voldoening straalde, klopte zijn jongen vriend zachtjes op den rug en sprak op ernstiger toon:

„Nu wij dus een eind hebben gemaakt aan deze onbeduidende geschiedenis, zou ik—je geen verwijt: willen maken, wel neen.… Je weet wel, dat ik niet van zedepreeken houd en ik begrijp dat elke hartstochtelijke speler op een gegeven oogenblik pech kan hebben. Wij hangen allen af van het toeval.…!

Maar toch, ik beken het je eerlijk, komt mij dit geval verdacht voor!

Je hebt natuurlijk gespeeld in de „Four-in-hand-club” en daar verloren, nietwaar?”

De jongste bevestigde het vermoeden van zijn vriend.

„Welnu,” sprak de markies, „ik heb deze club ook leeren kennen en als je mijn raad had gevolgd, had je daar je geluk niet meer beproefd. Ikzelf speel daar nooit meer.”

Verschrikt en verbaasd keek Fitzgerald zijn vriend aan, terwijl hij vroeg:

„Maar het zijn toch alleen heeren uit de eerste kringen, die daar komen? Er is geen enkele bij, dien men van een oneerlijke handeling zou mogen verdenken!”

„Dat is bij het spel heel bijzonder,” meende de markies.

„Eerlijke menschen worden, als zij de kaarten, in de hand hebben, soms binnen een maand de gevaarlijkste bedriegers. Maar buitendien zal ik je dadelijk [27]den naam noemen van een der heeren leden, die tot de grootste schurken behoort: kolonel Goal.”

„Maar ik bid je, hoe kun je zooiets beweren?”

„Ik beweer alleen dat, wat ik bewijzen kan en ik zal nooit iemand ten onrechte verdacht maken. Maar wij zuilen er niet over twisten. Je moet nu in elk geval naar de Club om je schulden te betalen en misschien was je zelfs van plan, revanche te nemen. Daarvoor waarschuw ik je! Laat dat alsjeblieft aan mij over. Ik geloof, dat ik je de voldoening zal kunnen geven, hen, die niet tot de eerlijke spelers behooren, nog hedenavond te ontmaskeren.

Onderweg zal ik je nog een paar namen noemen, die, dunkt mij, geen al te eerlijken klank hebben …”

Een half uur later traden de beide vrienden de speelzaal der „Four-in-hand-club” binnen.

De eerste, die de vrienden in de speelzaal tegenkwam, was kolonel Goal, die met groote hartelijkheid, alsof nooit het minste tusschen hem en den markies ware voorgevallen, dezen en ook zijn vriend de hand schudde. Den vorigen nacht was de kolonel als bankhouder de voornaamste schuldeischer van Fitzgerald geworden.

Deze haastte zich nu, zijn verplichtingen jegens den overste te voldoen. Dit geschiedde met een onverschilligheid, alsof hij den ouden heer een lucifer aanbood en met even nonchalant gebaar liet de geslepen vos het bankpapier in zijn portefeuille verdwijnen.

De heeren zaten in groepjes te zamen, pratend en rookend, maar het duurde niet lang of de zucht naar het spel werd hun te sterk.

De groene tafeltjes werden door de kellners gereed gezet en de zware lampen tot vlak boven de tafeltjes naar beneden gehaald, zoodat de spelers zelf in halfdonker zaten en de uitdrukking van hun gezichten zelfs voor den naastbijzittende verborgen bleef.

De markies en zijn vriend hadden tegenover den bankhouder plaats genomen en keken eerst, zonder eraan mee te doen, naar het bacaratspel. De medespelenden hadden geloot en de kolonel had de bank gekregen.

Het was een gelukkig toeval, dat de kolonel tegenover den markies kwam te zitten.

Het spel begon en daar, zooals dit gewoonlijk het geval schijnt te zijn, in het begin de inzet klein was, was de stemming aanvankelijk nog vrij lusteloos. Nu zette echter een der heeren voor het eerst een biljet in van twintig pond, eenige andere spelers volgden zijn voorbeeld en zoodoende bevond zich plotseling een aanzienlijk bedrag in den pot.

De markies had geen oog van den bankhouder af. Hij zag duidelijk, hoe kolonel Goal een der kaarten in beide handen dicht bij den rand van de tafel hield. De oude geroutineerde speler scheen in tweestrijd, of hij er nog een kaart bij zou nemen, wat gevaarlijk kon zijn, daar het bij het bacaratspel regel is, dat men zoo mogelijk negen punten, maar vooral niet meer mag hebben.

De bankhouder scheen zich niet op zijn gemak te gevoelen onder de doordringende blikken van den Zuid-Amerikaan. Hij legde plotseling zijn kaarten open en had acht punten.

Dat was de zoogenaamde „kleine slag”. Daar echter verschillende spelers negen en dus den „grooten slag” hadden, had de bankhouder verloren.

In de vroolijke opgewondenheid, die steeds onder de medespelenden heerscht, wanneer de bankhouder een groot bedrag moet bijbetalen, had misschien niemand hunner gelet op het vaalbleeke gelaat van den overste.

Ook de markies deed, alsof hij het niet merkte en lachte beleefd.

Hierop begon het spel opnieuw. Nu stond de markies op, terwijl zijn jongere vriend zijn plaats innam. Di Sao Balbo verliet de speelzaal door de rechterdeur; blijkbaar ging hij naar het aangrenzende vertrek, om zich aan het welvoorziene buffet te goed te doen.

Het spel werd voortgezet en Het was alsof nu het geluk den bankhouder toelachte, want hij won nu alle grootere sommen, terwijl de kleinere bedragen grootendeels weer aan de spelers vervielen.

De zaal had echter nog een tweede uitgang, die [28]haar een rooksalon voerde, waar zich tijdens het bacaratspel niemand bevond. Een zware portière sloot den ingang naar de speelzaal af.

Niemand, zelfs niet de wantrouwende kolonel Goal bemerkte, dat, terwijl het spel zijn voortgang nam, de portière een duimbreed van elkaar werd geschoven.

Door die opening loerde het Argusoog van den markies en—hij deed een hoogst merkwaardige ontdekking.

Een paar spelers hadden weer hooge sommen ingezet en een hoop fiches, die aan de kas werden gekocht en ieder een zekere waarde vertegenwoordigden, vulden den pot.

Ook nu keek de bankhouder eerst nadenkend in zijn kaarten, die bestonden uit een vrouw (welke bij dit spel niet meetelt) en een zeven. Intusschen had zijn linker buurman, die gepast had en zijn kaarten bedekt op tafel had gelegd, zijn rechterhand eenige oogenblikken in zijn laag uitgesneden vest verborgen.

De kolonel deed, alsof hij nog steeds nadacht en bewoog daarbij het hoofd vooruit. Hij knikte tweemaal achter elkaar, dit zag de markies duidelijk.…

En plotseling kwam de hand van zijn buurman, natuurlijk de medeplichtige van dezen valschen speler schijnbaar zonder eenig opzet uit het vest te voorschijn en bewoog zich onder den rand van de tafel.

Niemand kon het zien …! Ha! Nu bevond die hand, welke een kaart vasthield, zich onder de beide handen van den bankhouder, die op den rand der tafel rustten en met voorbeeldelooze handigheid, zonder zich te bewegen zelfs, de aangeboden kaart onder de tafel beetpakten.

Dadelijk hierna legde de kolonel zijn kaarten open. hij had negen en dus het spel gewonnen.

Maar hij had geen gelegenheid, zijn winst op te strijken. Want plotseling, alsof hij uit den grond was te voorschijn gekomen, stond de markies di Sao Balbo tusschen den bankhouder en diens medeplichtige.

Met een enkelen ruk had hij dezen laatste het zwarte vest opengerukt, waarop zich aan de verbaasde oogen der aanwezigen twee lange, smalle zakken aan de binnenzijde van het vest vertoonden, die ieder een volledig en blijkbaar in zekere volgorde gerangschikt kaartspel bevatten.

De eigenaar van het vest wilde zich verdedigen, maar een vuistslag van den Braziliaan wierp hem met zijn stoel op den vloer.

Kolonel Goal was kalm blijven zitten, hij hoopte, dat de aandacht niet op hem zou vallen. Maar reeds in het volgende oogenblik begreep hij, hoe hij zich vergiste.

De markies telde de beide kaartspellen door en sprak daarna:

„Mijne heeren, in het eene spel ontbreekt een kaart, het is, zooals gij ziet, de twee. En deze twee”—hij sloeg met zijn hand op de drie door den bankier blootgelegde kaarten—„deze twee ligt hier.…! Het is de „gelukskaart”, waarmee kolonel Goal u zooeven heeft uitgeplunderd.”

Het was goed, dat de markies aan zijn moed ook een groote dosis behendigheid paarde!

De overste had een revolver uit zijn zak te voorschijn gehaald, maar de kogel van het eerste schot, dat de markies handig had afgeweerd, kwam boven in den muur aan de overzijde der zaal terecht.

In het volgende oogenblik was de kolonel op den grond geworpen en ontwapend.

Hij vloekte en schimpte als een bezetene, maar geen enkel zijner woorden maakte eenigen indruk op de aanwezige heeren. Hij noemde den markies een dief en beweerde, dat al de groote, geheimzinnige diefstallen, die in den laatsten tijd gepleegd en niet ontdekt waren, op zijn rekening kwamen.

Hij had evengoed kunnen beweren, dat de koning van Engeland een sluipmoordenaar was. Het eenige resultaat, dat hij bereikte, was, dat men dreigde, hem te zullen vastbinden en knevelen, totdat de politie aanwezig zou zijn.

In werkelijkheid was men echter niet van plan, de overheid in deze zaak te mengen. De heeren waren van meening, dat het in het algemeen belang het beste was, om de beide schurken eenvoudig te laten loopen. [29]

Men stelde hun echter den eisch, dat zij zich nimmer weer in deze wijk der stad zouden vertoonen.

De medeplichtige van den overste sloop naar buiten als een afgeranselde hond, maar de oude militair zelf verliet de zaal met blikken vol haat op den markies en met woeste bedreigingen, die de Braziliaan met een minachtend glimlachje aanhoorde,