[Inhoud]

ELFDE HOOFDSTUK.

JALOEZIE EN WRAAK.

Nadat gedurende den nacht de mist was opgetrokken, bedekte hij nu weer opnieuw de reuzenstad. Des middags om twaalf uur kon men, hoewel alle lantarens brandden, zelfs op de groote pleinen geen hand voor oogen zien. Pikzwarte duisternis omgaf Londen; de voertuigen in de breede straten moesten blijven staan, waar zij zich toevallig bevonden en ook voor voetgangers kon de weg nergens gevaarlijker zijn dan in de straten dezer wereldstad.

Bij zulk weer blijft natuurlijk ieder, die eenigszins kan, veilig in huis, en men verwacht geen bezoekers.

En daarom verbaasde het den markies di Sao Balbo des te meer, toen de electrische bel luid en aanhoudend weerklonk.

Op een wenk van zijn meester snelde een der beide negers naar buiten en dadelijk daarna keerde Sam terug met iemand, dien hij meer droeg dan geleidde.

De markies, die op den drempel der kamer stond, durfde zijn oogen niet gelooven, toen hij in het vrouwelijk wezen, dat, in doeken en shawl gehuld, bijna bewusteloos op een stoel neerzonk, zijn vriendin Florence Goal herkende.

Hij beval den neger, opwekkende dranken te brengen, en toen daarop de Braziliaan het meisje had gelaafd en naar het brandende haardvuur geleid, was zij, met inspanning van al haar krachten, weldra weer zichzelf meester.

„Gij moet weg!” riep zij, angstig uit, „dadelijk …! Men is u op het spoor!”

Hij glimlachte.

„Vertel mij alles,” verzocht hij met groote kalmte.

„Ach!” riep zij uit, „als er niet zoo’n zware mist hing, zouden zij reeds lang hier zijn om u naar de gevangenis te brengen!”

Op rustigen toon, die in deze omstandigheden zeker bewonderenswaardig was, antwoordde hij:

„Ik kom niet in de gevangenis, dat laat ik aan anderen over!

Maar kom, wij willen naar mijn studeerkamer gaan, daar is het gezelliger …!”

Haar waarschuwing en haar angst, niets scheen indruk op hem te maken.

„Maar hoort gij mij dan niet,” smeekte zij weer, „men is u op het spoor, men weet alles en achtervolgt u, Mrs. Morton.…..”

Glimlachend viel hij haar in de rede. [30]

„Zoo, zij heeft dus toch gebabbeld, die kleine heks.…! Dus ook gij weet nu, wie ik ben.…?”

Het schoone meisje zweeg, droevig voor zich uit starend in het gouden licht van een schemerlamp, die op de schrijftafel van den markies stond.

„Dus zijt gij er toch achter gekomen!” sprak de markies lachend. „En nu komt men om mij gevangen te nemen, nietwaar?”

„Ja!” Zij keek hem met haar groote oogen smeekend aan. „Vlucht, zoolang het nog kan! Ik blijf hier en zal u bericht zenden van alles, wat er gebeurt!”

„Gij zijt zoo goed!” fluisterde hij. „Maar nu verzoek ik u om u weer gereed te maken om heen te gaan!”

De markies drukte op een knop, dadelijk daarna kwam Sam binnen met de kleeren van het jonge meisje; toen zij gereed was, hulde de Braziliaan haar zelf nog in een zachten, met bont gevoerden mantel.