[Inhoud]

TWAALFDE HOOFDSTUK.

IN DEN MIST.

Eenige oogenblikken later was John Raffles alleen. Maar de neger kon nog niet lang met de hem toevertrouwde Florence het huis verlaten hebben, toen weer luid en aanhoudend werd gebeld.

Met een schamper lachje en een vastberaden trek op het gelaat riep de markies nu zijn anderen neger; hij sprak een paar woorden tegen hem, waarna de kroeskop wegging om na een korte poos met vier heeren terug te komen.

Het was Lord Clifford, verder de detective, Mr. James Holliday, een Londensch commissaris van politie en een agent in uniform.

„U wenscht, mijne heeren?” vroeg de markies met een beleefden groet, terwijl hij bij zijn schrijftafel bleef staan.

„Daarnaar behoeft u niet lang te vragen,” sprak de detective, die zich nu weer volkomen meester van het terrein gevoelde.

„Gij hebt ons nu lang genoeg voor den gek gehouden, of dacht gij dat wij niet weten, wie de beruchte Raffles is? Hebt u soms liever, dat wij wachten, totdat gij er nog een millioen bij hebt gestolen?”

De markies keek den detective eenige oogenblikken met een medelijdend glimlachje aan, daarop sprak hij tot Lord Clifford:

„Wat deze heer vertelt, interesseert mij niet in het minst. Hij dankt de groote eer, om zich in mijn kamer te mogen bevinden, enkel en alleen aan het gezelschap, waarin hij op het oogenblik is.…..

Maar gij, Mylord, u zou ik willen vragen, wat mij het genoegen en de eer verschaft van uw bezoek en waarom gij in gezelschap van politiebeambten bij mij komt?”

Het was den Lord blijkbaar minder aangenaam, deze vraag te moeten beantwoorden. Hij knikte eenige malen, streek met zijn van briljanten fonkelende hand over zijn dunnen schedel en sprak:

„Ja, inderdaad, het is zeer pijnlijk … maar men [31]verdenkt u … gij zoudt zelf inzien, mijn beste vriend, als gij alle bijzonderheden wist—de verdenking, die op u valt, is zoo sterk …”

„Mag ik vragen, waarvan men mij verdenkt?” klonk het op ijskouden toon terug.

Nu nam de commissaris van politie het woord en op korten, barschen toon sprak hij:

„Gij wordt ervan verdacht, het bedrag, dat Lord Clifford in zijn brandkast bewaarde, daaruit ontvreemd te hebben.”

„Wie verdenkt mij daarvan?”

„Lord Clifford zelf!”

De markies keek den edelman lang en ernstig aan en zei toen niets anders dan:

„O, dat doet mij veel leed!”

En tot den commissaris vervolgde hij op trotschen toon:

„Ik behoef u zeker niet te vertellen, dat de gevangenneming van een Engelschman in zijn huis alleen mogelijk is op een bijzonder, schriftelijk uitgevaardigd bevel van den minister van justitie!”

„Maar gij zijt geen Engelschman,” glimlachte de beambte spottend.

„Dus tegenover een vreemdeling, die de gastvrijheid in uw land geniet, moogt gij u veroorlooven, wat een Engelschman niet zou dulden?”

De commissaris riep nu op ongeduldigen toon:

„Ik wensch niet met u te redetwisten! Marsch, vooruit! Neem uw jas en hoed en volg ons naar Scotland Yard … of moet ik geweld gebruiken?”

De markies ging een stap achteruit; op zijn gelaat lag zulk een dreigende uitdrukking, dat de brutale detective, die de ijzeren handboeien intusschen voor den dag had gehaald, deze zoo gauw mogelijk weer wegborg.

„Ik zal u bewijzen,” sprak de markies, „dat ik weet, wat men de overheid schuldig is, ook al is er een zoo groote vergissing in het spel, als dat hier het geval is! En omdat ik wel begrijp, dat gij mij niet zult toestaan, mij naar mijn kleedkamer te begeven, zal ik mijn bediende bevel geven, mijn kleeren hier te brengen.”

De Braziliaan drukte op de electrische bel; dadelijk daarna verscheen de neger, die na een kort bevel van zijn meester jas en hoed bracht en hem bij het aantrekken hielp.

Hierop zei de markies eenige woorden in het Spaansch tegen den neger, wat de commissaris van politie hem verbood.

De markies zocht nog even in zijn borstzak en mompelde:

„Mijn portefeuille … Ja die heb ik …!”

„Die moest u ons maar meteen geven,” klonk het weer uit den mond van Mr. Holliday, „daarin zal het gestolene geld wel geborgen zijn!”

„Een oogenblik,” antwoordde de markies. „Ik wil nog even een cigarette aansteken.”

Bij deze woorden bukte hij zich naar een klein cigarettenétui op de schrijftafel en drukte tegelijkertijd op een daaronder verborgen veer.

In het volgende oogenblik omgaf diepe duisternis de personen, die zich in het vertrek bevonden.

De commissaris sprong naar voren en trachtte tegelijkertijd zijn electrische zaklantaarn uit zijn jas tevoorschijn te halen, maar hij struikelde over een vooruitgestoken been en Mr. Holliday kreeg een zoo klinkende oorvijg, dat het vuur hem uit de oogen sprong.

Lord Clifford en de politie-agent hielden het voor het verstandigst, rustig te blijven staan.

Men hoorde alleen nog een hoonend:

„Goeden avond, heeren!” uit den mond van den Braziliaan, daarna zich snel verwijderende schreden en een dichtvallende deur, waarnaar de politiebeambten in het pikdonker, dat hen omgaf, lang tevergeefs zochten.

En toen deze deur eindelijk gevonden was, omhulde hen ook buiten de kamer een Egyptische duisternis.

„De kerel heeft de geheele electrische geleiding uitgeschakeld!” riep de detective uit, „maar wacht, heeren, als ik hem te pakken krijg …!”

De anderen konden hun lachen niet bedwingen. [32]Met veel moeite en steeds met hun handen den weg zoekend, bereikten zij eindelijk de straatdeur der villa.

Daar buiten hing de mist, de ondoordringbare, zwarte, reeds dagenlang boven Londen hangende Engelsche mist, die elke achtervolging van den vluchteling onmogelijk maakte.

Zoo ontsnapte Lord Lister, bijgenaamd John Raffles, de groote onbekende, aan zijn vervolgers.

In welke gevaren hij zich daarna weer ging werpen, zullen wij in de volgende afleveringen te weten komen.