[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

DE GEHEIMZINNIGE DWERG.

Het diner was afgeloopen en vroolijk lachend en pratend begaven sommige paren zich weer naar de hall.

„Het is mij werkelijk zeer onaangenaam,” sprak Clifford tot Sir Edward Touston, in wiens gezelschap hij van een fijne sigaar genoot.

„Die geheimzinnige dief brengt mij werkelijk in verlegenheid.

Ik heb, zooals gij weet, hier aan den vertegenwoordiger van de Regeering uitgestrekte landerijen verkocht namens onze geheele graafschap. Dit staat in verband met den aanleg van het nieuwe kanaal.

Morgen zal de uitbetaling plaats hebben, van de zeer aanzienlijke geldsom, namelijk 100,000 pond sterling en wel in mijn huis.

Als de verkoop slechts mij zelf aanging, dan zou ik het bedrag eenvoudig op mijn Bank overdragen. Dat is nu echter onmogelijk, omdat ik in dit geval te maken heb met een menigte kleine boeren, die niet tevreden zijn met een stukje papier, een cheque, die zij moeten inlossen.

Die menschen hebben het liefst hun geld aan contanten uitbetaald en daarom ben ik genoodzaakt, het geheele reuzenbedrag juist nu in mijn huis te hebben.

Ik heb natuurlijk een stevige brandkast, maar iedereen weet, dat dergelijke veiligheidsmaatregelen tegenover onze tegenwoordige inbrekers van nul en geener waarde zijn.

Die kerels werken met alle hulpmiddelen der moderne techniek en ik moet u bekennen.…” Lord Clifford sprak met gedempte stem: „Ik ben niet op mijn gemak.…!”

Sir Edward Touston, die vroeger bij de marine had gediend en die een onverstoorbare kalmte bezat, glimlachte.

„Gij zult toch waarschijnlijk al die kletspraatjes niet gelooven, Mylord! Die geheimzinnige schurk is ook maar een doodgewoon mensch. Laat des nachts uw honden los en geef uw bedienden revolvers. Als dat alles nog niet helpt, laat dan een paar Londensche detectives komen, die gij wacht laat houden vóór uw brandkast. De boeren zullen spoedig genoeg hier zijn om hun geld in ontvangst te nemen en dan zijt gij van alles af!”

Lord Clifford schudde het hoofd en op dit oogenblik naderde overste Goal het tweetal, informeerende naar het onderwerp van hun gesprek.

„Wij hebben het juist over dien geheimzinnigen inbreker,” sprak Lord Clifford. „Ik ben toevallig genoodzaakt, veel geld in huis te hebben en dus is het begrijpelijk, dat ik enigszins bezorgd ben!”

„Veel geld?” vroeg overste Goal met van hebzucht fonkelende oogen.

„Ja,” antwoordde Lord Clifford, „ongeveer 100,000 pond.”

Deze woorden brachten een grooten ommekeer te weeg op het gelaat van den ouden kolonel. Begeerig likte hij zijn lippen af en zijn vingers kromden zich krampachtig als wilde hij een flinken greep doen in een reusachtigen zak met goud.

„Ah, 100,000 pond,” ontsnapte het aan zijn lippen, die verdwenen onder een dichte grijze snor.

Deze woorden trokken de aandacht van alle andere aanwezigen. Binnen eenige minuten was ieder op de hoogte van den toestand.

Men lachte en schertste en maakte Lord Clifford tot het onderwerp der algemeene bespotting, waaraan zelfs [7]zijn echtgenoote, een aristocratische bleeke dame, meedeed.

Het meest lachte Lilith, een bekoorlijke brunette, de vriendin van Miss Florence Goal.

Deze beide meisjes—ook Miss Florence scheen weer in een vroolijke stemming te zijn—putten zich uit in fantastische beschrijvingen van een avontuur, dat zij gaarne met den geheimzinnigen dief zouden willen hebben.

„Ik geloof,” sprak Lilith, „dat hij galant genoeg zou zijn om mij niet te bestelen.”

„Zeker!” klonk het nu uit den mond van markies di Sao Balbo, welke tot nu toe alleen met een glimlach aan het gesprek had deelgenomen.

Maar alsof hij reeds spijt had van dit enkele woord, vervolgde hij op onverschilligen toon:

„Want iemand, die zooals men beweert, afstamt uit een der oud-Engelsche families, kan natuurlijk niet anders dan beleefd zijn tegenover dames.”

Maar de anderen schudden het hoofd en beweerden, dat men het er liever niet op aan moest laten komen.

„O!” riep Lilith met een guitig lachje, „daaromtrent zouden wij gauw zekerheid kunnen hebben. De markies heeft ons eergisteren beloofd, een kleine séance in ons midden te zullen houden. Wij roepen eenvoudig den geest op van dezen genialen dief!”

„Maar dat gaat niet!” fluisterde Miss Ellen Graven. „Wij hebben bij ons in Amerika dikwijls met geesten gesproken, maar men kan niet een levend mensch oproepen!”

„Welnu,” meende Sir Edward Touston, „dan zouden we Raffles eerst dood moeten slaan, voordat we zijn geest oproepen!”

Mrs. Mabel Morton echter sprak:

„Ik geloof, dat wij den markies gerust kunnen vertrouwen. Als hij dezen merkwaardigen misdadiger wil laten spreken, kunt gij er van verzekerd zijn, dat hem dit zeer gemakkelijk zal vallen, nietwaar markies?”

De Zuid-Amerikaan dacht even na, daarop boog bij toestemmend het interessante hoofd en sprak, zonder de aanwezigen aan te zien:

„Ik zou het gezelschap dan in elk geval moeten verzoeken, mij te volgen naar de bovenvertrekken van het huis. Toen men mij onlangs verzocht, een séance te houden, heb ik het vertrek aan de zijde van den vijver—ik geloof, dat het een met gele zijde gestoffeerde salon is—daartoe bijzonder geschikt bevonden. Gij moet namelijk weten, dat de geesten volstrekt geen genoegen nemen met iedere kamer. Er zijn bepaalde afmetingen noodig.

De geluiden mogen in een dergelijk vertrek niet al te duidelijk zijn, maar zoo zacht mogelijk klinken, want de geesten houden er niet van, zich al te luide te openbaren.… Alles moet op zachten en gedempten toon toegaan, ook zijn zij gevoelig voor leelijke en schelle kleuren.… Ja, u glimlacht, mijne heeren, maar wie, zooals ik, reeds jarenlang in innig contact staat met hen, die niet meer bij ons zijn, en die ons toch voortdurend omringen, die heeft geleerd, hen te begrijpen en rekening te houden met hun wenschen!

Als de gastheer het toestaat, zullen wij ons naar boven begeven naar dat vertrek!”

Een bijna plechtige stemming had zich meester gemaakt van het kleine gezelschap. De meeste van deze anders zoo spotlustige en oppervlakkige menschen waren onder den indruk van het geheimzinnige, waarmee de overigens zoo verlichte Engelschen zich gaarne omgeven.

Er was misschien niemand onder hen, die de gemeenschap met de onbelichaamde geesten voor onmogelijk hield en de markies di Sao Balbo verzamelde een tamelijk geloovig gezelschap om zich heen, toen men het gele salon had bereikt en de bedienden van den Lord met groote snelheid de meubelen, op enkele stoelen na, hadden verwijderd.

Een kleine tafel, bedekt met een zwart fluweelen kleed, bleef in het midden van het vertrek staan, en daarvoor nam de markies di Sao Balbo plaats, gezeten op een tabouret, waarop hij eenige kussens had gelegd.

Het slot was voorzien van electrisch licht. Een geweldige dynamo, wier geluid verloren ging in de gewelfde kelderruimte, verschafte den stroom, die het geheele kasteel, dat te midden der landelijke eenzaamheid lag, verlichtte. [8]

Behalve een enkele vlam, werden alle lichten uitgedraaid.

Het was volkomen stil in het niet overgroote vertrek, waarin de voorname Engelsche dames en heeren op tamelijken afstand van den markies zaten te wachten op de dingen, die komen zouden.

De kleine, met een tot op den grond afhangend kleed bedekte tafel, ging nu onder de handen van den markies ongeveer een voet de hoogte in en begon met schommelende bewegingen in een halven cirkel om den Zuid-Amerikaan heen te draaien.

Tegelijkertijd vernam men, als uit de diepte komend, een gegons van stemmen, alsof menschen in een vreemde taal een ernstig lied zongen. Dat duurde ongeveer een minuut en hield toen plotseling op, terwijl de tafel weer tot op den vloer neerdaalde en daar bleef staan.

Nu stond de markies op, hij liep naar den muur, waar niemand zat en nam een klein pakje uit zijn zak, waaruit hij, bukkend, op ongeveer twee meter afstand van den muur, een witachtig poeder op den vloer strooide.

Nadat hij dit met een waslucifer in brand had gestoken, sprong hij terug, terwijl het vuur zich bliksemsnel over het poeder verspreidde.

De hiermee gepaard gaande zwakke knal had de dames verschrikt, maar nog voordat zij van de verbazing waren bekomen, zweefden roode, welriekende wolken langs den met zijde bekleeden muur omhoog.

Uit dezen nevel, die langzamerhand wegtrok door een venster, dat de markies had geopend, kwam een klein wezen te voorschijn van nauwelijks een meter lengte, misvormd en gebocheld en met een wanstaltig, buitengewoon leelijk hoofd.

Terwijl hij met boosaardige roofdieroogen het voorname gezelschap opnam, bleef de kleine man tegen den muur staan; daarna keek hij op naar den markies, die plotseling een kleine zweep in de hand hield, waarmee hij den dwerg dreigde. (Zie het titelblad.)

„Wat een verschrikkelijk schepsel!” fluisterde de schoone Lilith, „o, kijk eens hoe vies hij eruit ziet!”

Maar haar vriendin, tot wie deze woorden gericht waren, keek sidderend naar haar oom, kolonel Goal, die in het halfdonker van de kamer veel minder notitie nam van den geheimzinnigen dwerg dan van de mooie Florence, wier gestalte hij met begeerige blikken verslond.

Op dit oogenblik weerklonk de stem van den geesten-bezweerder met bijna onherkenbaren klank. Op bevelenden toon klonk het:

„Vertel ons, wie je bent!”

De dwerg kromde zich als een worm, maar scheen niet van plan om te antwoorden. Eerst toen de markies hem met de zweep dreigde, stiet hij eenige onsamenhangende geluiden, uit, waaruit men alleen kon begrijpen, dat hij „Jim Gocky” heette en weer weg wilde.

„Je blijft!” gebood hem de markies, „en je zult ons zeggen, wat je weet van Raffles, die zich de Groote Onbekende noemt!”

De dwerg grijnsde als een duivel; eindelijk sprak hij:

„.… hij is er.… daar is hij.… en hij is weer verdwenen.…! Als hij komt, luidt de groote bel.… waar geld of schatten verborgen zijn, weet hij ze te vinden.… Hij neemt het van de rijken en geeft het aan de armen.…”

Zonder zich te storen aan de verbaasde uitroepen van de toeschouwers, vroeg de markies verder met de grootste kalmte:

„En kun je ook vertellen, Jim Gocky, waarheen John Raffles zich den eerstvolgenden keer zal begeven?”

De dwerg aarzelde weer, hij scheen weer geen lust te hebben om te antwoorden.

Met een sprong stond de markies naast hem, de zweep snorde door de lucht en de kleine man sloeg als om genade smeekend de handen voor het gelaat Daarop schreeuwde hij:

„Hierheen zal hij komen.…! Hierheen komt hij, reeds morgen.…”

Lord Clifford was opgestaan en sprak met eenigszins onvaste stem tot den markies: [9]

„Zoudt u hem eens willen vragen, wat Raffles hier zal komen doen?”

Maar er was geen woord meer uit den dwerg te krijgen. Hij hurkte op den vloer neer en keek om zich heen als een getergd aapje, dat angstig een uitweg zoekt om te vluchten.

De markies haalde de schouders op, daarop nam hij weer het pakje met het witte poeder uit zijn zak en strooide de rest ervan op dezelfde wijze als daarstraks langs den muur en rondom den dwerg.

Het waslucifertje vlamde op, rozeroode, welriekende wolken stegen op naar het plafond en toen deze waren verdwenen, was er ook van den dwerg niets meer te zien.

Maar een koude tocht trok door de kamer en Sir Edward Touston, de ongeloovigste van het gezelschap, sprak tot zijn vriend Lord Clifford:

„Vanwaar kwam plotseling die koude luchtstroom? De deuren en vensters zijn toch gesloten!”

De dames omringden vol bewondering den markies en vroegen hem om opheldering van het vreemde geval. Deze echter maakte er zich af met een fijnen glimlach. Hij ging naar beneden en verzocht den gastheer, zijn automobiel te laten voorrijden, daar hij nog naar Londen moest, waar hij in de Club werd verwacht

Tegelijk met den Zuid-Amerikaan nam, ondanks het algemeene protest der aanwezigen, diens jonge vriend, Mr. Rudge Fitzgerald, afscheid en eenige minuten later hoorde men het zich verwijderend getuf van den Mercedes-wagen.