[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

IN „BLACK HORSE”.

Tegen den avond van dienzelfden dag had een ondoordringbare mist zich boven Londen samengepakt. De menschen waren omhuld door dikke, zwarte wolken en het was zeer gevaarlijk voor hen, die niet nauwkeurig den weg in deze reuzenstad kenden. Op de hoeken der straten zag men met brandende fakkels voorziene jongens staan, die zich aanboden om de personen, die in den mist mochten zijn verdwaald, weer op den goeden weg te brengen.

Hoe ongelooflijk het ook klinkt, toch is het een feit, dat men op een afstand van drie schreden niets meer kan onderscheiden in dezen ondoordringbaren nevel, die daarenboven de ademhaling bijna onmogelijk maakt.

De couranten bevatten na een dergelijken mist steeds lange lijsten van verongelukte en zoek geraakte personen. En dat is het nog niet alleen, waaraan de Londenaar in die dagen is blootgesteld, maar beschermd door dezen vuilen sluier, die de geheele stad in zijn geheimzinnige ondoordringbaarheid verborgen houdt, loert overal de misdaad!

In het Oostelijk deel der stad ligt de wijk der ellende: Whitechapel. Een net en fatsoenlijk gekleed mensch behoort daar tot de zeldzaamheden; in de goten vindt men beschonken mannen en, wat nog erger is, beschonken vrouwen.

Daar, waar Whitechapel Road eindigt en waar Mile End begint, gaat naar rechts de Sidney Street [10]Op dien hoek, verlicht door een straatlantaarn, stond midden in den nevel, in pikdonkeren nacht, een hooge gestalte in een wijden zwarten mantel.

Het scheen, alsof de man, die op geen vijf pas afstands te zien was, op iemand wachtte.

Een torenklok verkondigde het middernachtelijk uur.

Na eenige oogenblikken ging de onbekende de Sidney-street in, waar hij bij den hoek der eerstvolgende zijstraat weer bleef staan wachten.

Hoewel hij in gedachten verdiept scheen te zijn, ontsnapte het toch niet aan zijn aandacht, dat door den nevel heen iets naderbij kwam.

En plotseling werd hij van twee kanten tegelijk beetgepakt, terwijl men trachtte, hem neer te werpen.

De onbekende verdedigde zich niet, hij bewoog zich nauwelijks, hij sprak slechts een enkel woord.

Even snel als zij hem hadden aangevallen, lieten de aanranders hem los. Een van hen mompelde:

„Vergeef het ons, mijnheer, dat komt van den mist!”

Daarop verdwenen beiden in de duisternis, terwijl zij den eenzamen man, die heilig scheen in de oogen van roovers en moordenaars, alleen achterlieten.

Deze vervolgde zijn weg, totdat hij in een herberg kwam, wier verlichting een zwak schijnsel op straat wierp. Maar hij ging de deur van het gebouw voorbij, liep naar den muur en was opeens verdwenen, als opgeslokt door de zwarte, vochtige wolken.

In de herberg, die bij de misdadigers, welke hier samenkwamen, bekend stond onder den naam „Black Horse” (Het Zwarte Paard), heerschte een vreeselijk lawaai.

Het was een groot vertrek gelijkvloers, dat, gevuld met menschen en sigarenwalm, een helsch schouwspel vertoonde.

Meiden van het minste allooi, met oude, vuile zijden lappen opgedirkt, met rood geschilderde wangen en zwart omrande oogen, hokten hier samen met haar minnaars, van wie geen enkele zijn brood op eerlijke wijze verdiende.

Op een podium achter in de zaal droegen een neger en een negerin schuine liedjes voor, waarbij zij op de banjo speelden. Het schrille, oorverdoovende geluid van het instrument werd echter door het ruwe geschreeuw en het krijschende lachen der gasten overstemd.

Op eenigen afstand daarvan zaten aan een lange tafel verscheiden mannen, die zich bezighielden met allerlei hazardspelletjes. Tusschen hen bevonden zich ook eenige lieden, naar hun roode haren te oordeelen, Ieren, die niet tot de gewone bezoekers behoorden, maar welke hierheen gelokt waren en nu blijkbaar werden uitgeplunderd.

Reeds beschonken door den hun aangeboden jenever en whiskey, volgden de Ieren met starende blikken het verdwijnen van hun zuur verdiende shillingen.

Plotseling echter scheen een van hen argwaan te krijgen. Misschien had hij opgemerkt met welke oneerlijke praktijken de bankhouder zich ophield. De Ier greep, terwijl hij met zijn geheele bovenlijf over de tafel leunde, naar zijn inzet, om zoodoende het geld weer in zijn bezit te krijgen.

Maar de bankhouder, een kerel met een boeventronie, haalde in een oogwenk een lang mes te voorschijn en nagelde daarmee met een enkelen stoot de hand van den Ier op de eikenhouten tafel vast.

De man brulde als een stier, die een bijlslag heeft gekregen! Hij en zijn makker deden alle moeite om de stevig aan de tafel vastzittende hand te bevrijden en nu ontstond een verschrikkelijk tumult, een woeste vechtpartij begon en de beide Ieren, waarvan de eene bijna bewusteloos was geworden door pijn en bloedverlies, werden steeds meer naar den uitgang gedrongen.

Daar weerklonk te midden van het rumoer, het aanhoudend luiden van een bel! Het was, alsof dit geluid verlammend werkte op alle aanwezigen. Angstige stilte volgde op het ongehoorde alarm en toen men de deur weer had gesloten achter de beide naar buiten gedreven Ieren, durfden de gasten slechts nog op fluisterenden toon met elkander te praten.

Hij.…! Hij is er.…! Hij!

De herbergier, wiens buffet met ijzeren rasterwerk was afgesloten—alleen door een kleine opening, die afgesloten kon worden, bediende hij zijn gasten—[11]verliet, nadat hij het loketje gesloten had, zijn plaats achter de toonbank door een zijdeur en liet zijn gasten over aan hun bijgeloovige vrees.

Niet lang daarna kwam de herbergier, wien men „Double” (de dubbele) noemde, waarschijnlijk wegens zijn enormen lichaamsbouw en ongelooflijke kracht, in het lokaal terug, op luiden toon twee namen uitroepende:

Red Bill en Tête Renard!”

De „Rooje” en „Vossekop”, welke laatste op afschuwelijke wijze geleek op het roofdier, waaraan hij zijn bijnaam te danken had, gingen stil en bescheiden naar de kleine deur, die de herbergier voor hen had opengesloten en waren, blijkbaar benijd door hun makkers, een oogenblik later verdwenen.