De beide mannen volgden als schuwe kinderen den kastelein eene trap op, daarna door een gang weer naar beneden, om vervolgens een andere trap te bestijgen, totdat zij, in een ander gebouw aangekomen, voor een deur bleven staan, waardoor de herbergier verdween.
Toen deze deur weer geopend werd, zagen de mannen het voorste gedeelte van een vertrek, dat met overdadige weelde was ingericht en dat door middel van zware, donkerrood fluwelen gordijnen in twee helften was verdeeld.
Vossekop en de Rooje bleven met onderdanigen eerbied op eenige passen afstand van deze portière staan. Opeens klonk een zilveren bel, dezelfde, die zooeven de geheele misdadigersbende had doen ineenkrimpen van schrik en dit geluid werd driemaal herhaald.
De beide mannen durfden nauwelijks ademhalen.
Hij was in hun nabijheid!
Hij zou hun zijne bevelen geven.…!
Zij wisten, dat zij hem moesten gehoorzamen en dat hun de dood wachtte, als zij zich zouden willen onttrekken aan dat, wat hij van hen eischte.
En zij dachten er geen oogenblik aan, hem ongehoorzaam te zijn. Evenals al hun kameraden vereerden zij dezen geheimzinnigen man, wien geen hunner nog ooit had gezien en die als een God over deze ruwe kerels heerschte.
Zij wisten ook, dat zij niet beter konden doen dan stipt te gehoorzamen. Hij, in wiens dienst zij allen stonden, was mild als een vorst.
Wanneer een van hen allen in moeilijkheden of ellende verkeerde, dan kreeg hij op soms onverklaarbare wijze hulp en bijstand. Hij vond vrienden, waar hij vroeger niemand had gekend. De knapste advocaten namen kosteloos zijn verdediging op zich, als hij voor het gerecht moest komen.
Geraakte hij in de gevangenis, dan werden hem op geheimzinnige wijze allerlei tegemoetkomingen verleend, in sommige gevallen openden zich zelfs de poorten van dit sombere gebouw voor hem of onzichtbare handen verschaften hem in zijn cel de werktuigen met wier behulp hij zich kon bevrijden. [12]
Aan al deze dingen dachten misschien de beide geslepen spitsboeven, toen de zilveren bel weerklonk en een heldere, bijzonder kalme stem achter de rood-fluweelen gordijnen de woorden sprak:
„Ik heb jullie laten roepen, omdat ge nog dezen nacht naar Kilburn moet gaan. Gij moet daar een document gaan halen en het is best mogelijk, dat men het u lastig zal maken. Ik zeg jullie echter bij dezen, dat je alleen dàn levend moogt terugkomen, als ge het document in handen hebt. De inrichting van het huis, waarin zich het stuk bevindt, en alles, wat gij verder nog dient te weten, zal men u dadelijk uiteenzetten!”
Bij de laatste woorden scheen het licht uit te gaan achter de fluweelen portière en een oogenblik stonden de beide boeven in pikdonker. Daarna echter werd het weer helder licht en plotseling stond een kleine, misvormde man voor hen, niet grooter dan een tienjarige knaap, met een afschuwelijk gevormd hoofd en verfoeilijke gelaatstrekken.
Het was dezelfde dwerg, die des avonds in Het slot van Lord Clifford was verschenen en wien markies di Sao Balbo naar den geheimzinnigen Raffles had gevraagd.
De kleine misvormde man gaf den Belg een zwart couvert, dat op de keerzijde voorzien was van de gouden letters „J. R.”
Daarop ging het mannetje naar de deur, opende deze en boog met een hoonenden grijnslach tegen de beide misdadigers, die nu heengingen.
De beide kerels hadden den moed niet, den brief dadelijk te openen. Buiten de deur wachtte de herbergier weer op hen, die hen naar de kroeg teruggeleidde. Hij volgde nu echter een anderen weg.
Eerst toen zij weer in „Black Horse”, de herberg, die als verzamelplaats der misdadigers diende, waren teruggekeerd en in een eenzaam hoekje hadden plaats genomen, maakten zij het couvert open.
Zij vonden daarin een klein briefje, waarop met de schrijfmachine was geschreven:
Kilburn, Gloucester Street 3. Colonel Goal. Gevaarlijke hond. Vanuit den tuin door het raam. Gewapende bediende; onschadelijk maken. Gelijkvloers rechterhand studeerkamer. Schrijftafel, geheim vak document, dadelijk meebrengen.
JOHN C. RAFFLES.
En de twee voor niets terugdeinzende kameraden aarzelden geen oogenblik om het hun gegeven bevel uit te voeren. [13]