Men had gelachen in de villa Van Lord Clifford om de voorspellingen van het mannetje, wiens verschijning verschillende leden van het gezelschap, dat de séance had bijgewoond, toeschreven aan een handig goochelkunstje van den markies di Sao Balbo.
Dergelijke spiritistische séances worden dikwijls gehouden in Engelsche gezelschappen en de soms zeer verrassende resultaten verbazen niemand meer.
Al naarmate het publiek minder of meer goedgeloovig is, beschouwt men ze als werkelijke uitingen van de geestenwereld, of wel men ziet er slechts de goedgelukte kunstjes in van een soort toovenaar of goochelaar.
Toch had Lord Clifford, die onmetelijk rijk was, maar die niet veel lust gevoelde om een zoo groote som te verliezen, een beroemd detective bij zich laten komen.
Met groote gastvrijheid stelde hij Mr. Holliday, den detective, aan zijn logé’s voor, welke geen van allen lieten merken, hoe weinig deze corpulente persoon met zijn zelfbewusten blik deze fijnbeschaafde aristocraten in hun midden welkom was.
Het was het uurtje van de five o’clock tea en de dames hadden zich in haar lichte avondtoiletten reeds in de hal verzameld. Slechts Miss Florence Goal, de nicht van den overste, en deze zelf ontbraken nog.
Markies di Sao Balbo onderhield zich met den detective, die hem lange verhalen deed over zijn voortdurend succes.
„Ik ben dezen Grooten Onbekende reeds lang op het spoor”, snoefde hij, „en ik kan u verzekeren, heer markies, dat de kerel eigenlijk een groote stommerd is. Hij vertelt van te voren, waar hij zal komen stelen! Daarenboven geeft hij overal brieven af! Zijn zwarte brieven zijn reeds berucht geworden!
„Geloof mij, heer markies, het kan niet zoo heel moeilijk zijn, om zulk een onvoorzichtigen misdadiger te ontmaskeren.…!”
Een ironisch lachje speelde om den mond van den markies, toen hij antwoordde:
„Voor zoover ik weet, voert deze geheimzinnige persoon zijn praktijken reeds meer dan een jaar lang uit. Mij dunkt, Mr. Holliday, dat gij en uw collega’s gelegenheid genoeg hebt gehad om den Grooten Onbekende in uw bezit te krijgen.”
De detective lachte gemaakt en sprak:
„Zeer juist, zeer juist! Maar het is heel moeilijk om toegang te verkrijgen tot de aristocratische gezelschappen. Men roept mijn hulp eerst dan in, als de diefstal reeds gepleegd is en als het spoor van den dief verloren is gegaan. Het is juist zoo merkwaardig dat deze man altijd soirées, jachtpartijen of bals uitzoekt om zijn slag te slaan.”
De markies knikte toestemmend.
„Nu, deze keer zal het beter gaan. Onze gastheer heeft tijdig aan u gedacht en juist u hier laten komen, omdat gij als zeer bekwaam bekend zijt! Ik hoop, dat gij ons het genoegen zult doen, den dief, als hij ten minste komt, in ons bijzijn te vangen.”
Na deze woorden verdween de markies met een hoofdknik door de zware pluche gordijnen naar de aangrenzende bibliotheek. Hij wist, dat dit vertrek een uitgang had naar een zijgang, waardoor men ook naar de bovenverdieping kon komen. Zonder dat zijn schreden hoorbaar waren op de dikke loopers, spoedde [14]hij zich naar boven, waar hij geruischloos naar de deur van Florence’s kamer sloop.
Zijn hart was vervuld van medelijden met het jonge meisje, wier groote, zielvolle oogen steeds vol droefheid op hem gericht waren en hij vreesde voor haar, sinds hij gisteren had vernomen, welk een hardnekkigen vijand zij in haar oom bezat.
Een geruimen tijd hoorde hij niets. Daarop echter vernam hij zuchten en kermen en het kwam hem voor, als hoorde hij Florence’s zachte stem en daartusschen dreigende woorden van den ouden overste.
Opeens klonk daar binnen een gil, de markies opende de deur en trad de kamer binnen, waarin hij den overste bij een tafel zag staan. Zijn rechterhand bloedde, terwijl Miss Florence doodsbleek, met groote, angstige oogen een eind van haar oom verwijderd, tegen een kast leunde.
„Wat wilt gij hier?” beet de oude kolonel den markies toe.
„Ik vraag excuus, als ik stoor”, antwoordde deze, „maar ik hoorde den hulpkreet van een vrouw en meende misschien van dienst te kunnen zijn.”
„Niemand verlangt uw hulp, gij zijt een indringer!” riep de kolonel uit. „Ik begrijp niet, hoe men zoo onbeschaamd kan zijn, zonder toestemming de kamer van een ander binnen te dringen.”
De markies zag, dat bij het jonge meisje een kleine dolk op den vloer lag. Hij begreep uit de houding dezer twee menschen, uit de gewonde hand van den overste en de doodelijke bleekheid, die het schoone gelaat van Miss Florence bedekte, wat hier gebeurd was: De overste had getracht, geweld te gebruiken om zijn nicht tot zijn slachtoffer te maken en het arme meisje, wie niets anders overbleef, had zich van een wapen bediend, dat zij als laatste verdedigingsmiddel steeds bij zich droeg.
De rijzige man met het trotsche gelaat wisselde een langen blik van verstandhouding met Florence Goal en ging daarna naar de deur terug, terwijl hij sprak:
„Het gezelschap is reeds in de hall bijeen en men mist u reeds, kolonel! Veroorloof mij u den raad te geven, niet al te lang meer hier boven te blijven!”
De overste wilde een onaangenaam antwoord geven, maar in de donkere oogen tegenover hem lag zulk een gebiedende uitdrukking, dat de oude militair zich met een minachtend schouderophalen omdraaide en het aan zijn nicht overliet, te antwoorden:
„Oom en ik verzoeken u, heer markies, ons nog eenige oogenblikken te willen verontschuldigen. Wij zullen dadelijk komen.”
Toen na een korte poos—de markies was weer in de hall teruggekeerd en stond met den gastheer te praten—kolonel Goal en zijn nicht tusschen de gasten waren verschenen, bemerkte markies di Sao Balbo, dat de hand van den overste met een breede streep pleister was bedekt.
Hij glimlachte even en bewonderde den heldenmoed van het geliefde meisje, dat met het wapen in de hand haar eer verdedigde.
Er werd gemusiceerd en eenige der heeren, waaronder ook Sir Edward Touston, begaven zich naar het rooksalon, om daar een partij piquet te spelen, waaraan echter de overste geen deel nam.
Deze waakte met Argusoogen over zijn nicht en de Zuid-Amerikaan had zoodoende geen gelegenheid, het jonge meisje te naderen.
Mr. James Holliday, de detective, had het hoogste woord. Hij onderhield de dames met afschuwelijke rooververhalen, waarin hijzelf steeds de voornaamste rol speelde.
In den loop van den avond zocht Mrs. Morton den markies te naderen.
Hij zat in een fauteuil en bekeek een portefeuille met kopergravures, die kiekjes voorstelden uit de Schotsche Hooglanden, toen hij plotseling door een bekende stem zijn naam hoorde uitspreken.
„Raoul.…! Hoe lang denk je, dat ik nog geduld zal hebben.…? Ik wil alles voor je doen! Zelfs mijn met moeite veroverde plaats in deze gezelschappen wil ik prijs geven! Ik wil alleen jou hebben.…! Maar zonder jou kan en wil ik niet leven. Zeg mij dus, hoe je erover denkt, of.…”
Door haar gloeienden hartstocht overmand, was hij niet in staat, nog een woord te zeggen. [15]
De markies had met een koel glimlachje haar Mabel Morton geluisterd en, terwijl hij schijnbaar vol aandacht naar de Schotsche Hooglanden keek, antwoordde hij, even zacht als zij had gesproken:
„Wat wilt gij eigenlijk van mij?”
De kleine, gevulde gestalte, die haar donkergelokt hoofd over de platen had gebogen, beefde zoo, dat hij het aan haar arm merkte, die den zijne aanraakte. En bijna gevoelde hij medelijden met haar.
Maar daarop gleed zijn blik snel en onmerkbaar naar de andere zijde van het vertrek, waar Florence Goal en Lilith Clifford bij elkaar stonden, een heerlijk contrast samen vormend van goudblond en kastanjebruin.
En met hetzelfde koude glimlachje op zijn gebruind gelaat fluisterde hij:
„Doe wat u goeddunkt. Ik hoop, dat men uw verhalen zal gelooven!”
Daarop stond hij met een beleefde buiging op en ging met een vastberaden trek op het gelaat naar de beide jonge meisjes, die hem met een vroolijken lach verwelkomden.
De thee werd rondgediend en men nam van de sandwiches en gebakjes, die de bedienden presenteerden, terwijl de liefhebbers van alcoholische dranken zich te goed konden doen aan velerlei fijne merken.
Tegen tien uur nam kolonel Goal afscheid en Florence moest zijn gebiedenden wenk om hem te volgen, gehoorzamen. Maar toen zij dicht langs den markies heenging, hoorde zij de fluisterende woorden uit zijn mond:
„Vrees niets, ik waak!”
Zij groette hem met een glimlachende buiging van haar mooi kopje.
De andere dames volgden spoedig daarop en ook eenige heeren trokken zich op hun kamers terug; andere bleven nog in het rooksalon, waar gespeeld werd. Hierheen begaf zich ook de markies di Sao Balbo.
Alleen de detective en Lord Clifford bleven in de hall achter.
„Het blijft dus bij onze afspraak”, zei de Lord, „en ik hoop, dat gij alle mogelijke maatregelen genomen zult hebben, Mr. Holliday.”
Deze knikte toestemmend.
„Zeker, Mylord, mijn beide helpers moeten dadelijk komen!”
Tegelijkertijd hoorde men het verwijderd geluid van de bel en onmiddellijk daarop kondigde een bediende twee heeren aan, die Mr. Holliday wenschten te spreken.
„Daar zijn zij!” riep deze op gewichtigen toon uit.
Eenige oogenblikken later leidde de bediende twee niet zeer elegant gekleede heeren binnen, die naar hun uiterlijk veel overeenkomst hadden met oude, afgedankte soldaten van het koloniale leger. Het waren lange, magere kerels met diepliggende oogen in de geelbruine gezichten. Zij zagen er beiden naar uit, alsof zij niet vies waren van een flinken borrel.
De Lord gaf bevel, beiden mannen te eten en te drinken te geven in de dienstbodenvertrekken natuurlijk.
Toen hij weer met Mr. Holliday alleen was, vroeg hij:
„Gij wenscht dus zelf mijn studeerkamer te bewaken?”
„Ja, ik zelf denk daar te blijven. Mijn beide speurhonden zet ik in de bibliotheek en de hall. Zoodoende kan niemand mij naderen, of hij moet hen eerst passeeren. En ik verzeker u, Mylord, dat die twee stevige vuisten hebben! En al was John Raffles een spook, of al kwam hij door den muur of het raam, dan toch zou hij eerst mij voorbij moeten. En ik, Mylord, ik.… Kijk mij eens aan; zooals ik hier voor u sta, zal ik met dezen kerel, met dezen schurk, dezen belachelijken spitsboef het eerste honderdtal misdadigers volmaken, die ik reeds achter de tralies heb gebracht!”
Onaangenaam aangedaan door deze groote zelfingenomenheid, nam Lord Clifford afscheid van den detective, die nu door de bibliotheek naar de studeerkamer van den Lord ging, waar diens brandkast zich bevond.
Daar nam Holliday plaats in een stoel bij het vuur, zette zijn groote voeten op het koperen hekje rondom [16]den haard en begon zijn taak. Hij hoorde, hoe de gasten van den Lord zich in de bibliotheek nog op luiden toon met elkaar onderhielden, hoe daarna de piquetspelers opstonden en zich langzaam verwijderden.
Langzamerhand werd het al stiller en stiller in het huis, ook de bedienden, die nog het een en ander moesten opruimen, schenen zich nu ter ruste te hebben begeven.