De lange gang, waarop de logeerkamers uitkwamen, was flauw verlicht door een lamp met donkergroen glas. Achter de deuren der vertrekken hoorde men nauwelijks nog eenig geluid, misschien een enkele zucht, in een benauwden droom geslaakt.
Het geheele huis scheen in diepe rust gezonken te zijn.
Plotseling was het, alsof uit de donkere schaduwen, die den muur bedekten, een hooge, slanke, in het zwart gekleede gestalte te voorschijn kwam, welke snel en zonder eenig geluid te maken, zich over den dikken ganglooper voortbewoog.
Aan de andere zijde der trap bevonden zich eenige deuren, waarheen de geheimzinnige nachtwandelaar zich begaf. Het geheele lichaam van den man was gehuld in een zwart, nauwsluitend tricot en zijn oogen schitterden door de openingen van een zwart fluweelen masker, dat het geheele hoofd omsloot.
Hij verdween in de vertrekken, welke Lord Clifford zelf bewoonde.
Na geruimen tijd verscheen hij weer, terwijl hij in zijn rechterhand den sleutelbos hield, dien Lord Clifford elken avond, voordat hij ging slapen, naast een geladen revolver op zijn nachttafeltje legde.
De nachtelijke wandelaar ging door de gang terug tot aan het licht, dat hij snel uitdraaide. Nu keek alleen nog het zwakke maanlicht door de hooge vensters naar binnen.
Daarop gleed de zwarte gedaante de trap af, die naar beneden leidde.
Hij had wel gehoord, dat Holliday den Lord had verteld, hoe hij een zijner lieden zou plaatsen in de hall, terwijl de ander in de bibliotheek moest waken en de detective zelf het zich behaaglijk zou maken in de studeerkamer van zijn Lordschap!
Het fijnste oor had niet het minste geluid kunnen vernemen, toen de in het zwarte tricot gekleede gedaante de trap afging. Maar voor den braven dienaar der geheime politie, die in een grooten leunstoel in de hall sluimerde, had men zich niet eens in acht behoeven te nemen.
De zwarte gedaante stond dicht naast den slapende, een onaangename, zoetachtige lucht omgaf den slapenden beambte en de ademhaling van den man werd al flauwer en flauwer.…..
De deur naar de bibliotheek was niet geheel gesloten. De nachtelijke wandelaar opende haar zoo behoedzaam, dat het totaal onhoorbaar was. Maar ook hier had hij zich die moeite wel kunnen besparen, want de tweede helper van Mister Holliday lag eveneens in de armen van Morpheus. Ook hij was na eenige seconden verdoofd. [17]
„Zou de dappere Holliday misschien ook den slaap des rechtvaardigen slapen?” dacht de indringer. Hij haalde een zwarten doek uit zijn tricot te voorschijn, dien hij langzaam en zonder geluid te maken uit elkaar vouwde; nu naderde hij de deur, waarachter Holliday met den slaap worstelde.
Een oogenblik wachtte de donkere gedaante, daarop draaide hij met vaste hand de deur open. In het volgende oogenblik was hij in de studeerkamer en had hij de deur weer achter zich dichtgetrokken. Hij hoorde, dat de detective uit zijn stoel opsprong, maar reeds fluisterde de binnenkomende:
„Sst, Mr. Holliday, ik ben het, Lord Clifford …! Maak geen licht.…! Ik hoorde daar juist een verdacht geluid en daarom kwam ik hier.… Neen, maak geen licht,” herhaalde hij, daar het hem voorkwam, alsof de detective iets uit zijn zak wilde halen, waarschijnlijk een lantaarn.
Nu kwam de detective, blijkbaar volkomen gerustgesteld, dichterbij, want de stem, die hij hoorde, was zoo sprekend die van den Lord, dat hij geen wantrouwen koesterde.
Hij naderde de donkere gestalte, die hij niet kon onderscheiden, nog meer en greep met een onderdrukten kreet van schrik en ontsteltenis om zich heen—
Een dichte, zwarte doek bedekte plotseling zijn hoofd en werd met een handigen zwaai om zijn hals vastgeknoopt. Op hetzelfde oogenblik wierp een vuist, tegen wier kracht geen verdediging mogelijk was, hem op den vloer neer en een stem, die den armen man de haren te berge deed rijzen, fluisterde hem toe:
„Geef geen enkel geluid, als je leven je lief is.…!”
Daarop voelde de detective, dat een zacht kussen onder zijn hoofd werd geschoven en daar zijn tegenstander hem met het gelaat naar beneden had gelegd, werd elk geluid, dat hij zou kunnen geven, verstomd.
Mr. Holliday, die zijn leven zeer lief had, had trouwens niet den moed, een kik te geven. Hij had duidelijk den kouden dolk in zijn hals gevoeld, die zeker in zijn vleesch geboord zou worden, als hij zich niet rustig hield
Daarop meende de detective te bemerken, dat de kamer verlicht werd. Hij hoorde een geluid, alsof de indringer met de brandkast bezig was. Maar alles geschiedde met ongehoorde snelheid. Het was den armen man, alsof slechts enkele seconden verloopen waren, daarop klonk weer die vreeselijke stem dicht aan zijn oor:
„Pas op, dat je niet om hulp schreeuwt, voordat er een uur is voorbijgegaan!”
Het duurde lang, voordat Holliday, die als bedwelmd op den vloer lag, een besluit kon nemen. Toch behaalde de zucht naar zelfbehoud de overwinning op zijn plichtsgevoel. Bovendien zou hij van het gestolen geld toch niets meer kunnen redden. Want hij geloofde stellig, dat hij het slachtoffer was geworden van een meer dan brutalen inbreker. Dit zou hij ook aan den heer des huizes meedeelen en zoodoende zijn nederlaag zooveel mogelijk verklaren.
Maar langzamerhand werd het hem bijna onmogelijk, nog adem te halen en de vrees van te zullen stikken gaf hem de kracht om zich met een geweldige beweging om te keeren en eerst onbestemde, doffe geluiden, daarna echter een heesch gebrul uit te stooten om de bewoners van het huis te wekken.
Hij hoorde boven zich schreden, daarop zag hij door den dikken doek, dat het licht om hem heen werd, men schreeuwde, men vroeg en eindelijk werd hij bevrijd.
Sir Edward Touston en Mr. Fitzgerald stonden met eenige bedienden om hem heen en het duurde niet lang, of ook Lord Clifford was beneden gekomen met bleek gelaat. Op angstigen toon deed hij den detective zooveel vragen, dat deze geen enkele kon beantwoorden.
In de aangrenzende vertrekken waren bedienden bezig, de helpers van Holliday weer tot bewustzijn te brengen.
„Maar Goddank!” riep Lord Clifford uit, „of gij zelf of onze tusschenkomst heeft den diefstal verhinderd!”
De detective, dien men nu ook bevrijd had van de hand- en voetboeien, die de misdadiger uit de zakken [18]der twee helpers had genomen, om ze daarna op deze origineele manier te gebruiken, keek met een blik vol wanhoop en angst naar de brandkast, die gesloten en onaangeroerd scheen te zijn.
Hopende, dat hij zich had vergist, toen hij het rinkelen der sleutels had gehoord, sprak Holliday geen woord, maar Sir Edward uitte de veronderstelling, dat de dief misschien de kast had geopend en weer gesloten.
Een der bedienden werd onmiddellijk naar de slaapkamer van den Lord gezonden en toen daarna de brandkast werd opengesloten, zag Lord Clifford, die ondanks zijn goede opvoeding een groven vloek uitstiet, dat de groote geldsom tot den laatsten penny gestolen was.
Een oogenblik scheen het, alsof hij al zijn toorn zou uitstorten op het hoofd van den detective, daarop echter beheerschte de werkelijk voorname man zich en sprak alleen:
„Ik had ook op mijzelf moeten vertrouwen!”
Nu wendde hij zich tot zijn gasten—zelfs de dames waren, zonder in dit kritieke oogenblik al te veel op haar kleeding te letten, naar beneden gekomen—en sprak tot hen:
„Het doet mij zeer veel leed, dat gij in uw nachtrust gestoord zijt, maar ik verzoek u, u gerust te stellen, het zal ons hopelijk gelukken, den misdadiger op het spoor te komen en hem het gestolene weer afhandig te maken.”
Een der heeren trad naar het venster en opende de gordijnen. Op de groote grasperken vin het park scheen het maanlicht roet zijn spookachtig schijnsel als een vervolg op de geheimzinnigheden van dezen nacht.
Buiten werd luid aan de bel van het tuinhek getrokken. Nieuwe schrik en ontsteltenis teekende zich af op de gezichten der aanwezigen. Twee bedienden gingen samen eenigszins aarzelend naar buiten om te zien, wat er was. Toen zij weer binnenkwamen, brachten zij een telegram mee, afgezonden door het politiebureau te Kilburn en bestemd voor kolonel Goal.
De oude overste brak het met bevende handen open en las, nadat hij radeloos om zich heen had gekeken, met doodsbleek gelaat en halfluide stem den inhoud voor:
„Hedennacht ingebroken in uw villa. Bedienden verdoofd en geboeid, van misdadigers geen spoor.” [19]