Kolonel Goal had naar aanleiding van dit telegram reeds in den nacht willen vertrekken en slechts met moeite liet hij zich door zijn vriend Lord Clifford overhalen om tenminste het aanbreken van den dag af te wachten.
Het was nog geen zes uur toen de oude overste weer in de hall verscheen. Hij wilde zelfs niet eerst ontbijten, maar zijn nicht dacht hierover anders en ondanks de tot spoed aanmanende woorden van den ouden heer, begaf zij zich naar de eetzaal, waar zij langzaam haar chocolade dronk, terwijl zij haar groote blauwe oogen steeds vol verwachting op de deur had gericht.
Maar hij, dien zij verwachtte, de markies, kwam niet en zuchtend moest het jonge meisje eindelijk opstaan om zich voor de reis te gaan kleeden, toen buiten luide stemmen werden vernomen en de commissaris van politie met twee gendarmen binnentrad.
Lord Clifford had reeds in den nacht aangifte van den diefstal gedaan, zoodat de snelle bemiddeling der autoriteiten niet te verwonderen was.
De commissaris ging rechtstreeks naar den kolonel toe, die in reisgewaad gereed stond om te vertrekken en sprak na een beleefde begroeting:
„Het spijt mij zeer, mijnheer, dat ik u in uw plannen moet dwarsboomen. Ik moet tot mijn leedwezen het bevel geven, dat niemand dit huis mag verlaten. Hopelijk zult gij begrijpen, dat hierin geen persoonlijke verdachtmaking jegens u ligt opgesloten. Ik doe slechts mijn plicht.”
Als oud soldaat, die de discipline kent, zag de overste wel in, dat hij dit bevel moest gehoorzamen. Met groote stappen liep hij de hall door, af en toe met dreigende blikken naar zijn nicht kijkende, op wier schoon gelaat een soort van leedvermaak was te lezen over dit plotselinge oponthoud.
Nu verscheen ook Lord Clifford. Hij verwelkomde den commissaris en verontschuldigde zich tegenover kolonel Goal over dit onaangename intermezzo.
„O, die tijd zal den overste wellicht niet al te lang vallen, daar ik hem juist om een onderhoud wilde vragen.…”
Het was de markies di Sao Balbo, die deze woorden had gesproken. Hij glimlachte daarbij beleefd en vervolgde:
„Gij zult u herinneren, kolonel, dat wij gisteravond een zeer interessante kwestie behandelden en ten slotte afspraken om dit onderhoud te gelegener tijd te vervolgen.…”
Overste Goal zette een verbaasd gezicht bij de woorden van den Zuid-Amerikaan, hij kon zich niet herinneren, den vorigen avond bijzonder gewichtige dingen met den markies besproken te hebben.
Beide heeren begaven zich naar de bibliotheek. Met een uitnoodigende handbeweging op een stoel wijzende, sprak de markies:
„Mag ik u verzoeken, plaats te nemen?”
De overste keek hem met onrustigen blik aan en het was zeker niet zijn zuiver geweten, dat hem zoo weinig op zijn gemak deed zijn.
Langzaam nam de markies een groot couvert uit zijn borstzak en sprak met gedempte stem:
„Kunt u vermoeden, mijnheer, wat ik hier in deze enveloppe voor u heb?”
Met een vlugge beweging stond de kolonel op, terwijl hij antwoordde: [20]
„Mijnheer, ik ben werkelijk niet in een stemming om mij door u raadsels te laten opgeven! Wilt u een ouden man voor den gek houden? Of vindt gij, dat ik nog niet genoeg op de proef ben gesteld door de vreeselijke tijding, die ik hedennacht ontving?”
Met een koel lachje sprak de markies, terwijl hij met een gouden pennemesje het couvert opensneed:
„Bedoelt u misschien met die vreeselijke tijding het bericht van de kneveling van dien ouden schurk, die al uw schandelijke daden in de hand werkt en u steeds in alles heeft geholpen?”
Overste Goal staarde den markies aan met een gelaat, dat donkerrood was geworden van woede. Maar met nog steeds gedempte stem sprak hij:
„Wat wilt gij daarmede zeggen? Wat beteekenen deze grove beleedigingen van een man, op wien niets te zeggen valt en die mijn trouwe bediende is?”
De markies knikte bedaard met het hoofd:
„Dat is best mogelijk, hij was onder anderen ook zulk een handig vervalscher van handschriften, dat hij gemakkelijk dit testament kon ontwerpen en van de prachtig nagemaakte handteekening van uw broeder heeft kunnen voorzien. Een schurkenstreek, waarvoor de dochter van Mr. Goal—ik bedoel Miss Florence—haar geheele vermogen verloor en aan u werd overgeleverd.”
Met een heeschen lach riep de kolonel uit:
„Maar gij zijt krankzinnig! Men zal u in een gekkenhuis opsluiten, of dacht gij werkelijk, dat gij ooit iemand zoudt vinden, die uw onzin gelooft?”
De markies bleef buitengewoon kalm.
„In elk geval zal men toch het door een getuige erkende handschrift van uw broeder wel gelooven, Mr. Goal! Men zal u het vermogen, dat gij uw nicht hebt ontstolen, weer ontnemen en gijzelf zult in New-Castle met geschoren hoofd in de cel van het tuchthuis zitten. Hier, kijk eens.…!”
Met zijn blanke vingers hield de markies den kolonel het echte testament voor, dat de oude huichelaar had verdonkeremaand en waarin Miss Florence als universeel erfgename werd benoemd.
De oude man stond als door den bliksem getroffen. Hij beefde over alle leden. Haat, woede en doodelijke angst stonden op zijn gelaat te lezen.
„Zal ik met dit testament naar den rechter gaan? Of wilt gij liever het gestolene vrijwillig teruggeven aan uw nicht?”
Met een hoonende, geslepen uitdrukking op het gelaat vroeg de kolonel:
„Hoe komt gij aan dit testament, mijn waarde? Ik weet zeker, dat ik het zelf in het geheime vak van mijn schrijftafel heb gelegd!
„Ah, nu begrijp ik ook van wien de inbraak is uitgegaan, die in mijn huis in Kilburn is gepleegd! Gij zijt het dus geweest die mijn armen Bob hebt laten knevelen! En dan …”
Zijn gelaat kreeg een waarlijk duivelsche uitdrukking:
„Dan zijt gij de.…”
Met een enkele beweging stond de markies vlak voor hem:
„Geen woord meer! Geen woord, zeg ik u! Wie ik ben, gaat u niet aan en heeft met deze zaak niets te maken! Maar wie gij zijt, dat zou het gezelschap, dat hier ten huize van Lord Clifford verzameld is, bijzonder interesseeren! En ik zeg u, heer overste, gij zult uw titel niet lang meer dragen, als gij de voorwaarden niet aaneemt, die ik u zal stellen.”
„Wat wilt gij dan?” vroeg de oude dief op doffen toon. „Maak het kort!”
„Vóór alles de teruggave van het vermogen van Miss Florence Goal, dan, dat gij onmiddellijk ophoudt met deze jonge dame op schandelijke wijze lastig te vallen!”
De markies wees op de gewonde hand van den overste en vervolgde:
„Als Miss Florence niet zooveel moed en karakter had getoond, om zich met het wapen in de hand te verdedigen.…”
„Dan,” viel de overste hem grijnslachend in de rede, „dan was zij nu mijn geliefde en dan ging het u nog niets aan.
„Zoo!” vervolgde hij tandeknarsend, „is dat domme schaap verliefd op u! Dan is de eenige reden, waarom gij mijn schrijftafel hebt laten openbreken, [21]dat gij zelf begeerig zijt naar het vermogen van Florence!”
De markies antwoordde hierop niets. Na eenige oogenblikken sprak hij:
„Ik stel u dus de volgende voorwaarden overste: Zoodra de politie het toestaat, vertrekt gij dadelijk naar Kilburn en legt aan een notaris, wiens adres gij mij omgaand meedeelt, het onaangeroerde vermogen van uw nicht over.
„En wat de persoon van de jonge dame zelf betreft, verzeker ik u, dat de minste moeite, die gij doet om op de een of andere manier weer met Miss Florence in relatie te komen, geen ander resultaat zou hebben dan uw onmiddellijke inhechtenisneming. Aan datzelfde stelt gij u bloot, als gij een mijner andere bevelen niet strikt nakomt. Denk hieraan!”
Met fier opgericht hoofd wilde de markies het vertrek verlaten, toen hij zich bij de deur nog iets scheen te herinneren. Hij keerde zich om en sprak:
„Wat uw bediende Bob aangaat, gij weet heel goed, dat die kerel reeds lang den strop heeft verdiend. Door dezen schurk zijn ontelbare menschen tot den bedelstaf gebracht, wier geld gij hebt geofferd aan den speelduivel. Door hem zijn zoovele vrouwelijke wezens ten ondergegaan, vrouwen, die hij u als slachtoffers uwer schandelijke daden in de armen voerde!
„Gij zult hem uit uw dienst ontslaan. Maar hij heeft, naar ik meen te weten, een nog jonge vrouw en verscheiden kleine kinderen. Het is niet meer dan plicht, dat gij zorgt voor de familie van hem, die u steeds zoo ijverig heeft geholpen bij al uw schurkenstreken.
„Ik kan u daartoe echter niet dwingen en ik weet wel, dat gij u niet aan dergelijke verplichtingen zult storen. Daarom zal ik die zorg op mij nemen. Voor één ding echter waarschuw ik u, oude heer!”
Dreigend keek de markies den kolonel aan en deze sloeg zijn oogen neer voor de van toorn vlammende blikken van zijn vijand:
„Meen niet, kolonel, dat gij een valsch spel met mij kunt spelen, al zoudt gij het nog zoo handig aanleggen om mij in de val te lokken. Ik zou ongetwijfeld begrijpen, wie de oorzaak van die daad was en niemand anders dan gij zelf zou de vergelding ervoor krijgen!”
„Zijt gij klaar?” vroeg de kolonel op woedenden toon.
„Zeker” knikte de markies, „en ik hoop zelfs, dat ik nooit weer een enkel woord met u zal behoeven te wisselen!”
„Ik ook!” bromde de oude man en die twee woorden waren blijkbaar eerlijk gemeend. [22]