Lord Clifford had met de ambtenaren van politie het geheele huis doorzocht. Het resultaat was natuurlijk nul geweest.
Het meest raadselachtige van den millioenendiefstal, zoo vond ieder, was, dat de sleutels der brandkast op dezelfde plaats werden gevonden, waar de Lord ze elken avond neerlegde.
De dief moest ze dus eerst weggehaald en—zeer zeker een waagstuk!—na volbracht daad weer teruggebracht hebben.
Hierover sprak de commissaris juist met Lord Clifford, toen ook Mr. Holliday weer op het tooneel verscheen met de woorden:
„Mijn heeren, wij hebben hier zonder twijfel met een buitengewoon geslepen schurk te doen!”
Na het uitspreken van deze buitengewone woorden legde de dappere man zijn wijsvinger langs zijn neus en vervolgde op gewichtigen toon:
„Want ziet gij, dit is de eerste keer, dat ik mij door een misdadiger heb laten vangen! Deze man behandelde mij als een kip, die men in een zak steekt om haar het schreeuwen te beletten. Ik geloof niet, dat iemand aan mijn bekwaamheden zal twijfelen, maar tegenover zooveel scherpzinnigheid en ongelooflijke brutaliteit sta ik zelfs machteloos.”
De beide andere heeren onderdrukten met moeite een glimlach.
Hier sprak Lord Clifford:
„Is het niet merkwaardig, dat de voorspelling van onzen lieven vriend, den markies di Sao Balbo, nu toch is uitgekomen?”
De commissaris, die een zeer intelligent uiterlijk had, vroeg:
„Pardon Mylord, maar waar het een dergelijke zaak betreft, is iedere kleinigheid van beteekenis. Wat was dat met die voorspelling …?”
„O,” viel Mr. Holliday hem niet zeer beleefd in de rede, „dat is zoo’n soort humbug, een zoogenaamde séance, welke deze heer hier gehouden heeft.”
De commissaris, die zijn collega blijkbaar reeds naar waarde wist te schatten, nam geen notitie van diens uitval en sprak:
„U zoudt mij ten zeerste verplichten, Mylord, door mij meer bijzonderheden hiervan te willen meedeelen en vooral als ik den heer, wien dit alles aangaat, zelf zou mogen spreken.”
„Dat kan heel gemakkelijk,” antwoordde de Lord, „want daar komt hij juist.”
Hij wees naar den markies, die uit de bibliotheek kwam.
De heeren begroetten elkaar met een beleefde buiging. De Lord stelde den commissaris voor en deze vroeg naar de bijzonderheden van de séance.
„Gij zijt spiritist, mijnheer?”
De markies knikte toestemmend.
„Inderdaad. Men houdt mij over het algemeen voor een buitengewoon geschikt medium om als bemiddelaar op te treden tusschen de ons omringende geesten en hen, die nog genoodzaakt zijn het sterfelijk omhulsel te dragen.”
„En dus behoort u tot hen, die volkomen gelooven in deze merkwaardige wetenschap?”
„Ik meen, u daarop het antwoord reeds te hebben gegeven,” sprak de markies op eenigszins koeleren toon. [23]
„Zeker, zeker!” meende de beambte. „U moet mij mijn vragen ten goede houden.”
„Natuurlijk,” viel de markies hem op zijn gewonen beleefden toon in de rede. „Als gij wilt, zal ik u uw taak gemakkelijker maken door u een uitvoerige beschrijving te geven van de séance, die ik voor Lord Clifford en zijn gasten heb mogen houden.”
De commissaris luisterde met gespannen aandacht en uitte daarna den wensch, het tooneel der zitting persoonlijk te mogen bezichtigen.
Terwijl de heeren naar boven gingen, vroeg de commissaris nogmaals aan den markies:
„Het is u dus niet mogelijk, een verklaring te geven voor de verschijning van den dwerg?”
De markies di Sao Balbo haalde de schouders op en sprak:
„Voor ons spiritisten is de verklaring voldoende, dat een der geesten van onze dierbare afgestorvenen zich dermate materialiseert, dat wij hem kunnen waarnemen met onze zwakke menschelijke zintuigen. Dat de geest de gestalte van een dwerg aannam, is toeval, in elk geval hebben wij noch het recht, noch de macht om de geheimzinnige redenen hiervan uit te vorschen.
„Ons, spiritisten, is het feit voldoende!”
De commissaris liet niet blijken, welken indruk de woorden van den markies op hem hadden gemaakt.
Hij onderzocht vluchtig het vertrek waar de séance zich had afgespeeld, en begaf zich hierop weer met de heeren naar beneden, waar in een der kamers het ontbijt gereed stond.
Nu verschenen ook Sir Edward Touston en Rudge Fitzgerald, die het plan opperden om na het ontbijt naar Londen terug te keeren. Ook de overige gasten, waaronder kolonel Goal en de markies di Sao Balbo, bestelden hun rijtuigen.
Alleen Miss Florence beloofde haar vriendin Lilith Clifford om nog eenige dagen in het gastvrije huis te blijven en—tot verbazing van de meeste aanwezigen—kolonel Goal scheen het plan van zijn nicht, die hij anders nooit alleen liet, goed te keuren.
Hij bekommerde er zich ook niet om, toen zij na het ontbijt aan den arm van haar vriendin verdween. Eerst toen onmiddellijk daarna ook de markies de eetzaal verliet, werd hij onrustig.
En hij had zich niet vergist in zijn veronderstelling, dat de blonde Florence en de Zuid-Amerikaan boven in de gang afscheid van elkaar namen.
Zij stonden, gedeeltelijk verborgen achter de zware gordijnen van een der ramen, sprakeloos tegenover elkaar en hielden elkaars handen vast.
Florence snikte en fluisterde, hoe zwaar haar het afscheid viel en hoe somber zij de toekomst inzag.
Hij troostte haar met een innemenden lach op het schoone gelaat en herhaalde steeds weer, dat zij elkaar spoedig zouden weerzien.
Zij vergaten alles om zich heen en hoorden niet, dat zachte schreden naderden.
Twee van haat fonkelende oogen waren op hen gericht en de kleine, sierlijke gestalte van Mrs. Mabel Morton boog zich met inspanning voorover om de woorden af te luisteren, welke de twee tot elkaar spraken.
Het gelukte haar niet, maar wat zij zag, was voldoende om haar jaloezie op te wekken.
Plotseling kwam een gedachte in haar op.
Onhoorbaar en onopgemerkt ging zij weder naar beneden, waar zij naast Lady Clifford in de eetzaal plaats nam en met vleiende stem fluisterde zij tot de vriendelijke dame:
„Lieve mevrouw, vindt u het goed, dat ik, nu mijn lieve vriendin Florence Goal, nog bij u blijft, ook nog niet vertrek? Ik heb wel is waar bevel gegeven mijn koffer te pakken en ik vrees ook, dat gij door het ongeluk, dat u getroffen heeft, uwe gasten misschien liever zaagt vertrekken.…”
Zij zweeg en keek bedeesd voor zich. De oude dame haastte zich om vol innige hartelijkheid te verzekeren, dat Mrs. Morton altijd een welkome gast in Rastinghouse was!
Deze diefstal was weliswaar een onaangename geschiedenis, maar Mrs. Morton mocht blijven, zoolang zij wilde.
En dus bleef zij, het kleine wraakzuchtige wezen, dat in haar jeugd in Whitechapel uit de goot was opgeraapt [24]als klein proletariërskind, dat daarna actrice was geworden en nadat zij een massa mannen had geruïneerd, met een ouden, schatrijken patriciër was getrouwd. Hij had van zijn huwelijk niet lang genoten, de dood had hem overvallen.
Mrs. Morton was daarna voorzichtig geworden. Veel te verstandig om haar plaats in voorname kringen op het spel te zetten, deed zij alles om den uiterlijken schijn te bewaren, bezocht trouw de kerk en gaf als de wereld het te weten kwam, groote aalmoezen.
Zoodra het overige gezelschap Rastinghouse had verlaten, zond zij haar kamenier naar Miss Florence met het verzoek of de jonge dame, als zij tijd en lust had, een kwartiertje in de kamer van Mrs. Morton zou willen komen.
Dit kon Mabel Morton, die de oudste der twee en een getrouwde vrouw was, zich wel veroorlooven en Florence nam argeloos de uitnoodiging aan.
Hartelijk begroet door de kleine brunette, nam zij naast deze op de sofa plaats en spoedig zaten beiden gezellig te babbelen over modes, theater en dergelijke onderwerpen.
Mrs. Morton wist het gesprek zeer handig te brengen op het onderwerp, dat haar belang inboezemde en het deed Florence niet onaangenaam aan dat plotseling de markies di Sao Balbo ter sprake kwam.
Mabel Morton vond hem zeer interessant en voornaam en het jonge meisje was het volkomen met haar eens. Maar haar gezichtje kreeg een gespannen, bijna angstige uitdrukking, toen de jonge vrouw opeens sprak:
„Het is jammer, dat men niet weet, wat men aan hem heeft.…! Ik geloof niet, dat hij is voor wien hij zich uitgeeft!”
Een zachte blos kleurde Florences wangen, toen zij antwoordde, dat zij dat niet kon gelooven. Nog nimmer had zij iemand ontmoet, die zulk een gunstigen indruk op haar had gemaakt.
Met een ongeloovigen glimlach antwoordde Mrs. Morton na een kleine pauze:
„Ik wou, dat ik er evenzoo over kon denken als gij, maar tot mijn spijt is dat wat ik weet in lijnrechte tegenspraak met dat wat ik gaarne zou gelooven.”
En vol leedvermaak vervolgde zij:
„Gij stelt ook veel belang in dezen man, nietwaar?”
Florence Goal knikte toestemmend, terwijl haar blauwe oogen vol tranen stonden.
Bij deze openhartige bekentenis veranderde de valsche vriendin van houding en als het sissen van een slang klonk het van haar lippen:
„Ik heb dus gelijk, gij bemint den markies? En als ik u vertel, dat deze man uwe liefde niet waard is, dat hij een misdadiger is, die reeds kennis heeft gemaakt met de politie en met de gevangenis …?”
Bij deze woorden richtte Florence zich in haar volle lengte op.
„Dat is niet waar! Dat is een gemeene leugen!”
Als een wilde kat sprong de kleine vrouw naar haar toe.
„Neem die woorden terug! Ik beveel u om die woorden terug te nemen, als gij niet wilt, dat ik u in het volle gezelschap zal bewijzen, dat ik de waarheid heb gesproken?”
Florence beefde. Haar verstand zei haar, dat zij op dit oogenblik beter deed te zwijgen. In haar snel werkend brein doemden alle bijzonderheden op, die haar onverklaarbaar waren gebleven in het doen en laten van den markies. Vanaf de voorspelling van den diefstal door middel van den dwerg tot het plotselinge opduiken van haar vaders testament, dat blijkbaar ten gevolge van de inbraak in het huis van haar oom in handen van den markies was gekomen, aan dit alles dacht zij nu.
En al verminderde hierdoor haar liefde en haar vertrouwen in den man, dien zij aanbad, ook niet, toch voelde zij met vrouwelijk instinct, dat zij tegenover Mrs. Morton zoo voorzichtig mogelijk moest zijn … Deze vrouw beminde den markies ook, daaraan twijfelde Florence niet meer!
Het blonde meisje overdreef haar droefheid met opzet en liet haar tranen den vrijen loop. Snikkend sprak zij:
„En hoe weet gij dat alles? Hoe komt gij aan deze vreeselijke beschuldigingen, Mrs. Morton?” [25]
Mabel Morton liep in de val. Zij dacht reeds gezegevierd te hebben over dit jonge, onervaren meisje. Zij vertelde, hoe zij de reddende engel was, die den door eigen schuld in het verderf gestorten man vol barmhartigheid de hand had gereikt.
„En dit is mijn dank!” sprak zij eindelijk vol pathos.
„Dit is mijn dank er voor, dat ik hem weer heb opgericht tot hij in betere omgeving is gekomen! Nu wendt hij zich tot u, deze valschaard! En hij vertelt u dezelfde leugenachtige verhalen, waarmee hij eenmaal mij betooverde.…!”
Florence Goal, die er geen oogenblik aan dacht, den geliefde te wantrouwen, speelde haar rol uitstekend. Een zeker voorgevoel zei haar, dat den markies van deze vrouw onheil dreigde en dat zij slechts door list en groote slimheid het onheil van het geliefde hoofd zou kunnen afwenden.
„Wat zal ik doen?” snikte zij. „Geef mij raad, help mij, lieve Mrs. Morton!”
Deze deed alsof zij nadacht.
Eindelijk sprak zij, terwijl zij het weenende meisje met strenge blikken aankeek:
„Het eenige, wat u overblijft, is dezen man op te geven en aan mij over te laten.…! Ik heb hem indertijd gered uit het slijk, waarin hij reeds dreigde te stikken, en ik geloof, dat ik er de kracht toe heb, om hem nog eenmaal op den goeden weg te brengen! Mijn liefde is rein en onzelfzuchtig en ik wil hem tot een beter, gelukkiger mensch maken!”
Het schoone meisje boog deemoedig haar goudblond hoofd en, terwijl zij zich over zichzelf verbaasde, nam zij de handen van de jonge vrouw en drukte ze, als met een zwijgende belofte, aan haar borst.
Daarop scheidden zij, beiden met het vaste voornemen zoo spoedig mogelijk den man te bezoeken, wien haar liefde gold.