[Inhoud]

Eene straat.

FAUST. MEPHISTOPHELES.

FAUST.

Hoe is het? Lukt het haast? Spreek op!

MEPHISTOPHELES.

Ah, bravo! Stijgt uw drift ten top?

In kort zal Grete de uwe wezen.

Van avond ziet gij haar bij hare buurvriendin.

Die Martha is als uitgelezen

Voor koppelaarster of Heidin.

FAUST.

Heel goed.

MEPHISTOPHELES.

Heel goed. Maar ook van ons wordt iets verwacht.

FAUST.

Nu, de eene dienst is de andre waard.

MEPHISTOPHELES.

Wij levren een bewijsje, geldig en van kracht,

Dat Zwaardman’s leden rusten, kalm en zacht,

Te Padua in heilige aard.

[118]

FAUST.

Uitmuntend! Laten wij ons daadlijk derwaarts spoên!

MEPHISTOPHELES.

Sancta simplicitas! daarom is ’t niet te doen;

Getuig slechts, zij het mis of raak.

FAUST.

Als gij niets beters weet, dan komt niets van de zaak.

MEPHISTOPHELES.

O heilge man, ’t is om te beven!

Zou dit dan ’t eerst zijn in uw leven,

Dat gij een valsch getuignis hebt gegeven?

Hebt gij wat God is, wat de wereld en haar streven,

Waardoor de mensch tot goed of kwaad wordt aangedreven,

Dan niet met kracht en klem betoogd,

Om ’t even of gij waarheid spraakt of loogt?

En wilt gij ’t gul en gaaf belijden,

Zult gij er dan wel tegen strijden,

Dat ge er niet meer van dan van Zwaardman’s sterfuur wist?

FAUST.

Gij zijt en blijft een loognaar, een sophist.

MEPHISTOPHELES.

Ja, als men niet wat dieper door kon dringen;

Want zult gij niet vóór alle dingen

Op morgen, als ik ’t wel beschouw,

Uw Grete zweren liefde en trouw?

FAUST.

En wel van harte.

MEPHISTOPHELES.

En wel van harte. Goed gedaan! [119]

Dan krijgt men eeuwge trouw en liefde

En mingloed, die u ’t hart doorgriefde:

Maar zal dat juist ook zoo van harte gaan?

FAUST.

Laat af! Als ik voor mijn gevoel

Voor dat wat in mijn binnenst’ woel’

Naar namen zoek, maar geen er vinde,

Dan door de wereld zwerf als een gejaagde hinde,

Mij met het zoeken naar doeltrefbre woorden kwel,

En dezen gloed, waarvan ik blake,

Oneindig noem en nooit verzake,

Is dat dan duivelsch logenspel?

MEPHISTOPHELES.

’k Heb toch gelijk.

FAUST.

’k Heb toch gelijk. Men heeft altijd gehoord:

Wie onder edelen of boeren

Gelijk wil hebben en zijn tong maar weet te roeren,

Behoudt het laatste woord.

Maar kom nu! ’k Ben het praten moê;

Gij hebt gelijk: het ligt er eenmaal toe.

[120]

[Inhoud]

Martha’s tuin.

MARGARETA, aan den arm van FAUST, MARTHA, aan dien van MEPHISTOPHELES, op en neder wandelende.

MARGARETA.

Ik voel, mijnheer, uw gunstbetoon,

En dankbaarheid moet mij betamen;

Een reiziger is dit gewoon

En wil geen meisje als ik beschamen.

Ik weet zeer goed, dat zulk een schrander man

Mijn beuzelpraat niet onderhouden kan.

FAUST.

Een blik, een woord van u is meer mij waard

Dan alle wijsheid op deze aard.

Hij kust hare hand.

MARGARETA.

Laat af, mijnheer, mijn hand te kussen!

Ze is voor uw lippen veel te min;

’k Heb altijd wat te doen, en ondertusschen

Is ’t moeder somtijds nog niet naar den zin.

Zij gaan voorbij.

MARTHA.

En gij, mijnheer, gij reist zoo altijd voort?

[121]

MEPHISTOPHELES.

Ach, dat beroep en pligt mij daartoe drijven!

Met hoeveel smart verlaat men menig oord,

Waar men zoo gaarne nog zou blijven!

MARTHA.

O, als men jong is, kan ’t nog gaan,

De wereld te bezien in alle hoeken;

Maar eindlijk komen toch de dagen aan,

Dat men alleen den weg naar ’t graf moet zoeken,

En dit is niemand aan te raân.

MEPHISTOPHELES.

’k Zie mij met smart die dagen wenken.

MARTHA.

Daarom, wil u in tijds bedenken!

Zij gaan voorbij.

MARGARETA.

Ja, uit het oog is uit het hart!

Gij kunt, terwijl ik hier moet blijven,

Met vrienden u den tijd verdrijven,

Verstandiger dan ik; dat voel ’k met smart.

FAUST.

Hoor, kindlief! wat verstand soms wordt geheeten,

Is dikwijls niets dan ijdelheid.

Het schoonste, wat Natuur verspreidt,

Is onschuld en eenvoudigheid,

Twee gaven, die haar waarde zelf niet weten.

MARGARETA.

O denk aan mij slechts nu en dan!

Ik denk aan u gewis zoo vaak ik kan.

[122]

FAUST.

Gij zijt waarschijnlijk veel allen?

MARGARETA.

Ja; ons gezin is wel slechts kleen,

Maar toch, ik heb mijn bezigheên.

Wij houden er geen meid op na;

’k Moet koken, loopen, vroeg en spa,

En moeder is in alle dingen

Precies, tot zelfs in beuzelingen.

Niet dat zij zich behelpen moet,

O neen, wij kunnen ’t vrij wel stellen.

Mijn vader liet, ik wil ’t u wel vertellen,

Een huisje en tuintje na, en ook wat geld en goed.

Toch heb ik nu vrij stille dagen.

Mijn broeder is soldaat; mijn zusje is dood.

Ik had met haar wel altijd zorg en nood,

Maar gaarne heb ik die gedragen,

Zoo lief was mij het kind.

FAUST.

Zoo lief was mij het kind. Een engel zoo als gij!

MARGARETA.

Ik voedde ’t op, en hartlijk minde ’t mij.

’t Was na mijns vaders dood geboren.

Mijn moeder achtten wij verloren,

Zoo lag zij toen op ’t ziekbed neêr.

Maar toch herstelde zij al langzaam meer en meer.

Haar krachten konden echter niet gedoogen

Het arme wurmpje zelf te zogen,

En toen heb ik het jonge bloed

Met melk en water opgevoed.

’t Was in mijn arm of op mijn schoot;

Het lachte, dartelde en werd groot.

[123]

FAUST.

Dat waren wis voor u gelukkige uren!

MARGARETA.

O ja, maar ook veel leeds moest ik verduren.

Het wiegje naast mijn bed behield ik steeds in ’t oog,

En als mijn zusje zich bewoog,

Was ik ook wakker. ’t Kind begon te fleemen;

’t Moest drinken, of ik moest het bij mij nemen;

En hielp dit niet, dan was ik niet zoo goed,

Of ’k moest het bed uit, al zijn dagen,

En ’t kind al wandlend door de kamer dragen;

Dan werd het eindlijk weder zoet.

’k Moest ook reeds vroeg mij met de wasch bemoeijen,

Dan weêr aan ’t melken van de koeijen,

Dan naar de markt—ik had maar zelden rust;

Maar dit geeft etenstrek en ’s avonds slapenslust.

Zij gaan voorbij.

MARTHA.

Wij, arme vrouwen, zijn er slecht aan toe;

Och, oude vrijers zijn zoo moeilijk te bekeeren!

MEPHISTOPHELES.

Dit hangt maar af van ’t wie en hoe.

O! menigeen zou gaarne willen leeren!

MARTHA.

Zeg op, mijnheer! Hebt gij nog niets gevonden?

Heeft zich uw hart nog niet verbonden?

MEPHISTOPHELES.

Het spreekwoord zegt: Een eigen haard

En brave vrouw zijn goud en paarlen waard.

[124]

MARTHA.

Ik meen: werdt gij nog nooit bekropen door verlangen?

MEPHISTOPHELES.

Men heeft mij overal zeer vriendelijk ontvangen.

MARTHA.

Ik wilde zeggen, of ’t nooit ernst werd in uw hart.

MEPHISTOPHELES.

Met vrouwen schertst men niet; zoo iets baart ligt haar smart.

MARTHA.

Och, gij begrijpt mij niet!

MEPHISTOPHELES.

Och, gij begrijpt mij niet! Voorwaar, dat spijt mij zeer;

Doch ik begrijp—dat gij zeer goed zijt, op mijne eer!

Zij gaan voorbij.

FAUST.

Gij kendet mij, o engel, daadlijk weder,

Toen ik dit tuintje binnen kwam?

MARGARETA.

Zaagt gij het niet? Ik sloeg mijne oogen neder.

FAUST.

En gij vergeeft de vrijheid, die ik nam,

Toen ge uit de kerk kwaamt, naar ik reken,

En ik op straat u aan dorst spreken?

MARGARETA.

Ik was ontsteld, toen gij me uw arm kwaamt biên;

Geen mensch kon immer me iets ten laste leggen. [125]

“Ha!” dacht ik: “hij zal zeker zeggen,

“Dat hij iets onbehoorlijks heeft gezien,

“En schijnt wel niet veel morgenspraken

“Met zulk een meisje als gij te maken.”

Guluit gezegd, ik vroeg me een poos,

Wat me in mijn hart zoo daadlijk voor u won;

Maar zeker was ik op mij zelve boos,

Dat ik op u niet boozer worden kon.

FAUST.

Lief meisje!

MARGARETA.

Lief meisje! Wacht eens!

Zij plukt eene bloem, en trekt de blaadjes een voor een af.

FAUST.

Lief meisje! Wacht eens! Zeg, wat dat beduidt!

MARGARETA.

’t Is voor mijzelve iets.

FAUST.

’t Is voor mijzelve iets. Hoe?

MARGARETA.

’t Is voor mijzelve iets. Hoe? Loop heen! Gij lacht mij uit!

FAUST.

Wat prevelt gij?

MARGARETA, half hoorbaar.

Wat prevelt gij? Hij mint mij—mint mij niet!

FAUST.

O, wie u, meisje, zoo bespiedt.…

[126]

MARGARETA gaat voort.

Hij mint mij—niet—hij mint mij—niet.

Het laatste blaadje afplukkende, vol vreugde.

Hij mint mij!

FAUST.

Hij mint mij! Ja, mijn kind! O laat dees bloemenspraak

De godspraak zijn, die ons gelukkig maak’!

Weet gij wel wat het zegt, dat ik van liefde blaak?

Hij grijpt hare beide handen.

MARGARETA.

Het duizelt mij!

FAUST.

Vrees niets! Laat deze blik,

Laat deze handdruk u verklaren

Wat onuitspreeklijk is:

Geheel zich toe te wijden, en een heil

Te smaken, dat eeuwig zijn moet;

Ja, eeuwig; want het einde zou vertwijfling zijn.

O neen! Geen einde! Neen, geen einde!

MARGARETA drukt hem de handen, maakt zich los, en loopt heen. Hij staat een oogenblik in gedachten; dan volgt hij haar.

MARTHA, aankomende.

Het wordt al donker!

MEPHISTOPHELES.

Het wordt al donker! Ja, en tijd dat wij vertrekken.

MARTHA.

’k Zou gaarne uw bijzijn willen rekken, [127]

Maar ’t is hier stil om dezen tijd,

En juist een plaats, waar zekre lieden

Een ander, uit nieuwsgierigheid of nijd,

Wel wilden nagaan en bespieden.

Maar waar zou nu ons paartje zijn gebleven?

MEPHISTOPHELES.

Ik zag ze in gindsche laan zoo even.

MARTHA.

Hij mag, naar ’t schijnt, haar zeer wel lijden.

MEPHISTOPHELES.

En zij hem ook. Dat gaat zoo te alle tijden.

[128]

[Inhoud]

Een tuinhuisje.

MARGARETA springt binnen, verbergt zich achter de deur, houdt haren vinger op de lippen, en kijkt door de reet.

MARGARETA.

Hij komt!

FAUST, binnenkomende.

Hij komt! Hoe is het? Fopt gij mij?

Dat ’s mis!

Hij kust haar.

MARGARETA, hem omhelzende en den kus teruggevende.

Dat ’s mis! O beste man! van harte min ik u!

Mephistopheles klopt aan.

FAUST, met den voet stampende.

Wie daar?

MEPHISTOPHELES.

Wie daar? Goed vriend.

FAUST.

Wie daar? Goed vriend. Een dier!

[129]

MEPHISTOPHELES.

Wie daar? Goed vriend. Een dier! ’t Is nu wel tijd van scheiden.

MARTHA, binnenkomende.

Ja, ’t is al laat, mijnheer!

FAUST tegen Margareta.

Ja, ’t is al laat, mijnheer! Mag ik u niet geleiden?

MARGARETA.

Neen, moeder zou … vaarwel!

FAUST.

Neen, moeder zou … vaarwel! Zeg! wanneer zie ’k u weêr?

Wel nu.…?

MARTHA.

Vaarwel!

MARGARETA.

Vaarwel! Tot wederziens, mijnheer!

Faust en Mephistopheles vertrekken.

MARGARETA.

Daar gaat hij! Ach, wat zulk een man

Niet alles, alles denken kan,

Daar ik vol schaamte voor hem sta

En zeg op alle dingen ja!

Ik ben toch een onnoozel kind,

En weet niet wat hij aan mij vindt!

Vertrekt.

[130]

[Inhoud]

Eene spelonk in een boschrijk gebergte.

FAUST alleen.

Verheven geest! gij gaaft mij, gaaft mij alles

Waarom ik bad! Gij hebt niet vruchteloos

Uw aangezigt in ’t vuur mij toegewend!

Gij gaaft natuur mij tot een koningrijk,

En kracht om haar te voelen, te genieten.

Geen koel bewonderend bezoek voldoet u;

O neen! ’t was mij vergund in uwe borst

Als in den boezem van een vriend te staren.

Gij liet de rijen van de levenden voorbij

Mijn blik gaan, en gij leerdet mij mijn broeders

In ’t stille woud, in lucht en water kennen.

En als in ’t bosch de stormwind giert en loeit,

De pijnboom in zijn val meêdoogenloos

Nabuurge takken, stammen medesleept,

En aller val luid door ’t gebergte dondert—

Dan voert gij me in een veilige spelonk,

Laat dan mijzelv’ mij zien, en veel geheime

En diepe wondren doen zich voor mij op.

En rijst voor mijnen blik de reine maan,

Tot kalmte stemmend opwaarts,—zweven mij

Van rotsgevaarten, uit het vochtig bosch,

De schimmen uit den voortijd voor mijn blik,

En temperen mijn lust tot verder dringen.

O, dat volmaaktheid nooit den mensch ten deel valt,

Gevoel ik nu. Gij gaaft bij deze vreugde, [131]

Die mij de goden na en nader brengt,

Mij den gezel, dien ik reeds nu niet meer

Ontberen kan, ofschoon hij, koud en ruw

Mij voor mijzelv’ vernedert, en uw gaven

Slechts met een enkel woord in rook verandert.

Hij wakkert in mijn borst een wilde vlam

Naar ’t schoone, lieve beeld behendig aan.

Zoo hol ik van begeerte tot genot,

En in ’t genot versmacht ik naar begeerte!

MEPHISTOPHELES, aankomende.

Dat leven is u nu toch niet meer vreemd;

Maar hoe kan ’t langer u bekoren?

’t Is goed dat men er eens de proef van neemt;

Maar spoedig wil men van iets anders hooren.

FAUST.

’k Wou dat ge iets beters hadt te doen,

Dan mij altijd te komen plagen!

MEPHISTOPHELES.

Nu, nu! Gij hebt, naar ’k mag bevroên,

In ernst niet over mij te klagen!

Aan klanten, barsch en dol als gij,

Is waarlijk weinig te verbeuren:

Den ganschen dag is ’t suklarij;

En wat hem al of niet gevallig zij,

Kan men mijnheer niet aan den neus bespeuren.

FAUST.

Dat is nu juist de regte toon!

Hij wil een dankje nog, voor al zijn kwellen.

MEPHISTOPHELES.

Hoe hadt gij, arme wereldzoon,

Het zonder mij toch kunnen stellen? [132]

Van al het gekke en onbekookte,

Dat in uw doctorhersens spookte,

Genas ik u, en gij, mijnheer,

Waart zonder mij op de aard niet meer.

Waartoe in holen en spelonken

Dan in gepeinzen weggezonken?

Wat hebt ge aan mos of ander vochtig kruid,

En slurpt daar als een pad uw voedsel uit?

’t Is wel een aardig tijdverdrijf!

U steekt de doctor nog in ’t lijf.

FAUST.

Beseft gij, welke nieuwe levenskracht

Ik hier vergaar in eenzaamheid en nacht?

Zoudt gij het slechts bevroeden kunnen,

Gij waart in staat om mijn geluk mij niet te gunnen.

MEPHISTOPHELES.

Het is wat moois, op bergen en in holen

Bij nacht en ontij’ rond te dolen,

En aarde en hemel aan zijn borst te vlijen,

En tot een godheid dan zich uit te laten dijen,

Het merg der aard al vorschend te doorwoelen,

’t Zesdaagsche werk in zijne borst te voelen,

In trotschen waan wat weet ik te genieten,

Dan liefdedronken alles te overvlieten,

Ontslagen van alle aardsche boeijen,

Van hoogre aanschouwing overvloeijen,

En dan—met Grete u te bemoeijen!

FAUST.

Foei! schaam u!

MEPHISTOPHELES.

Foei! schaam u! Ja, dat wil u niet bekoren!

Gij hebt wel regt een “foei!” te laten hooren! [133]

’t Past voor geen kuische en zedige ooren,

Wat kuische harten niet ontberen kunnen.

Doch kort en goed, ik wil ’t vermaak u gunnen,

Zoo nu en dan uzelv’ wat wijs te maken.

Maar lang toch duren nooit die zaken;

Gij zijt weldra weêr de oude mensch;

Gij laat u spoedig weêr bepraten

En wordt alras weêr uitgelaten

In dolheid zonder perk of grens.

Genoeg! Uw liefje zit daar binnen;

Zij smacht naar u; geen oogenblik

Verdwijnt uw beeld haar uit de zinnen;

Zij mint u tot den laatsten snik.

Eerst kwam uw liefdedrift gevloten

Gelijk gesmolten sneeuw, die ’t beekje zwellen doet;

Gij hebt die haar in ’t hart gegoten:

Nu heeft de bergstroom uitgewoed.

Mij dunkt, in plaats van rond te zwerven

In bosch of grot, zou ’t beter zijn,

Dat zulk een heer het maagdelijn

’t Loon voor haar liefde deed verwerven.

De tijd valt haar verschriklijk lang,

Zij staat aan ’t venster, ziet als graauwe vlekken

De wolken over d’ ouden stadsmuur trekken.

“Was ik een vogeltje!” Dit ’s haar gezang

Des daags, ja halve nachten lang.

Ze is vrolijk soms, dan droevig weêr,

Terwijl ze in stilte treurt en kwijnt;

Dan is ’t weêr beter, naar het schijnt.

Naar u verlangt zij zeer.

FAUST.

O slang! o slang!

MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.

Ik wed, vriend, dat ik u nu vang!

[134]

FAUST.

Vervloekte! ga terstond me uit de oogen!

Noem nooit weêr zulk een meisje, als dit,

En breng den lust tot haar bezit

Mij niet weêr voor den geest, gij vader van de logen!

MEPHISTOPHELES.

Wat wilt ge dan? Zij denkt dat gij haar nu ontvliedt,

En ’t heeft er wel iets van; of is ’t misschien zoo niet?

FAUST.

Waar ’k me ook bevind’, zij wordt door mij bewaakt;

Ik kan haar nooit vergeten, nooit ontberen;

Ja, ik benijd het ligchaam onzes Heeren,

Als ’t door haar lip wordt aangeraakt!

MEPHISTOPHELES.

Zeer wel, mijn vriend! Ik heb u vaak benijd,

Omdat ge een mensch als andre menschen zijt.

FAUST.

Ga mij uit de oogen, koppelaar!

MEPHISTOPHELES.

Ga mij uit de oogen, koppelaar! Wat maakt ge een leven!

De god, die knaap en meisje schiep,

Wist dat hij ook de drift in ’t aanzijn riep,

Hun zelf gelegenheid te geven,

’t Is eenmaal zoo; ga nu maar heen:

Zijt ge eenmaal met uw liefje alleen,

Dan loopt ge toch geen doodsgevaar.

FAUST.

O, welk een hemel is het in hare armen!

Mogt ik me aan hare borst verwarmen! [135]

Wat is het leven zonder haar!

Ben ik de vlugtling niet? niet de onbesuisde?

Niet de onmensch, nimmer hollens moê,

Die als een waterval van rots tot rotsen bruisde,

Begeerig woedend naar den afgrond toe?

En zijwaarts zij met kinderlijke zinnen

In ’t hutjen op een heuvelkling,

En al haar zorgen, haar beminnen

Besloten in haar kleinen kring!

En mij, den godverzaker! Was het niet genoeg,

Dat ik een rotsstuk greep, en ’t heil aan splintren sloeg?

Hoe kon een God dit ooit gehengen!

U, hel, moest ik dit offer brengen!

Help, duivel, mij den tijd verkorten!

Wat wezen moet, zij ras gedaan!

Moge ook haar lot op mij in puin ter nederstorten,

En zij met mij te gronde gaan!

MEPHISTOPHELES.

Wat kookt het en wat gloeit het weêr!

Loop heen en troost u, goede heer!

Waar zulk een hoofd geen uitkomst ziet,

Daar is ’t gedaan, en anders niet.

Hij leve, die zich ferm houdt als een man!

Gij hebt den duivel toch nu taamlijk ingezogen.

’t Armzaligst, wat men vinden kan,

Dat is een duivel, die tot wanhoop wordt bewogen.

[136]

[Inhoud]

Margareta’s kamer.

MARGARETA aan het spinnewiel alleen.

Hoe klopt mij ’t harte!

O nimmermeer,

O nergens vind ik

De ruste weêr!

Ach! ruste vind ik

Bij hem alleen;

Al de andre wereld

Biedt mij er geen.

Mijn hoofd verwart zich

Door ’t geen ik lij,

En al mijn zinnen

Begeven mij.

Hoe klopt mij ’t harte!

O nimmermeer,

O nergens vind ik

De ruste weêr!

Naar hem slechts staar ik

Het venster uit;

’k Zoek hem, wanneer ik

Mijn kamer sluit.

[137]

Zijn gang en houding,

’t Is alles pracht,

Zijn blik, waarmeê hij

Mij tegenlacht.

En o, zijn woorden

Zijn mij een lust!

Hoe drukt zijn hand mij,

Als hij mij kust!

Hoe klopt mij ’t harte!

O nimmermeer,

O nergens vind ik

De ruste weêr!

Hoe hijgt mijn boezem

Alleen naar hem!

Mogt ik hem grijpen

Met tooverklem!

Mogt ik hem kussen

Naar hartelust!

O, stierf ik dan ook,

Ik stierf gerust!

[138]

[Inhoud]

Martha’s tuin.

MARGARETA. FAUST.

MARGARETA.

Beloof mij, Hendrik …

FAUST.

Beloof mij, Hendrik … Wat ik kan.

MARGARETA.

Zeg! Hoe is ’t met uw godsdienst toch gesteld?

Gij zijt een hartlijk goede man,

Maar ’t schijnt toch, of gij ’t kerkgaan niet veel telt.

FAUST.

Hoor, kind! gij weet, ik meen het met u goed.

’k Heb alles veil voor wie ik liefheb, lijf en bloed,

En niemand wil ’k zijn kerkgeloof ontrooven.

MARGARETA.

Dat ’s niet genoeg; men moet ook zelf gelooven.

FAUST.

Moet men?

MARGARETA.

Moet men? Ach, kon ik ’t u in ’t hart maar prenten!

Gij toch vereert niet eens de heilge sacramenten.

[139]

FAUST.

’k Vereer ze.

MARGARETA.

’k Vereer ze. Ja, maar geen verlangen drijft u aan.

Ter mis, ter biecht zijt ge in geen langen tijd gegaan.

O spreek! Gelooft ge aan God?

FAUST.

Mijn lief! Wie kan beweren

Dat hij aan God gelooft! Vraagt geestelijke heeren,

En ach! hun antwoord schijnt slechts spot

Op onze vraag te zijn.

MARGARETA.

Op onze vraag te zijn. O! dus gelooft gij niet?

FAUST.

Versta mij wel, beminde Margariet!

Wie mag hem noemen?

Wie op ’t geloof aan hem zich ooit beroemen?

Wie mensch nog heeten

En zich vermeten

Te zeggen: Ik geloof hem niet?

Hij, de Alomvatter,

Hij, de Albehouder,

Omvat hij en behoudt hij niet

U, mij, zichzelv’?

Welft zich de hemel niet daarboven?

Ligt de aarde niet beneden vast?

En rijzen, vriendlijk blikkend,

Niet eeuwge sterren daar omhoog?

Staar ik niet oog in oog u,

En dringt niet alles

Naar ’t hoofd u en naar ’t harte, [140]

En weeft in eeuwige geheimnis

Onzigtbaar zigtbaar nevens u?

Vervul daarvan uw hart, hoe groot het zij,

En als ge wegsmelt in ’t gevoel van zaligheid,

Noem ’t vrij dan zoo ge wilt:

Noem het geluk, of hart, of liefde, of God!

Ik heb geen naam er voor; gevoel is alles;

De naam is klank en rook, omwolkte hemelgloed.

MARGARETA.

Dit alles is zeer fraai en goed;

Ook drukt de priester ’t mij zoo op ’t gemoed,

Schoon juist niet met de zelfde woorden.

FAUST.

Zoo hier als ook in andere oorden

Belijden het de harten al te maal,

Doch ieder in zijn eigen taal:

Waarom dus ik niet in de mijne?

MARGARETA.

’t Is mooglijk dat het nog iets schijne,

Als men ’t zoo hoort; maar—wees niet boos er om!—

Gij toch, gij hebt geen Christendom.

FAUST.

Maar, kind.…

MARGARETA.

Maar, kind.… Het baart mijn ziel verdriet,

Dat ze u in zulk gezelschap ziet.

FAUST.

Hoe dat?

MARGARETA.

Hoe dat? De man, die altijd bij u is, [141]

Wekt mij slechts haat en ergernis;

Niets heeft nog in geheel mijn leven

Mij zulk een steek in ’t hart gegeven

Als zijn bespiênde en valsche blik.

FAUST.

Mijn lieve kind, verban uw schrik!

MARGARETA.

Zijn bijzijn baart mij veel verdriets.

’k Heb anders tegen niemand iets;

Maar even als ’k naar u verlang,

Zoo word ik altijd voor hem bang.

Dat hij een schelm is, schijnt mij zeker toe,

En God vergeve mij, zoo ik hem onregt doe!

FAUST.

Zulk volkje moet er ook al wezen!

MARGARETA.

Het brengt mij toch in angst en vreezen.

Wanneer hij inkomt ieder keer,

Ziet hij altijd met spot ter neêr

Op alles wat zijn blik ontmoet;

Men ziet dat niets hem aandeel nemen doet.

Het staat op ’t voorhoofd hem geschreven,

Dat liefde hem niet is gegeven.

’t Is mij zoo wél aan uwen arm;

Het hart wordt mij van vreugde warm;

Maar angst baart mij zijn blik, zoo valsch en koel.

FAUST.

O engel, met uw fijn gevoel!

MARGARETA.

Dit denkbeeld tast me altijd zoo aan, [142]

Dat ik, wanneer hij komt, soms waan

U niet te minnen, beste man,

Ja, dat ik zelfs niet bidden kan.

Dit brengt mijn binnenste aan het woelen:

Gij, Hendrik, moet dit ook gevoelen!

FAUST.

Ik weet dat gij niet graag hem ziet!

MARGARETA.

Ik moet nu weg.

FAUST.

Ik moet nu weg. Kan ik dan niet

Een uurtje lang met u alleen zijn,

Opdat we eens zamen mogten één zijn?

MARGARETA.

Ach! zoo ik nu alleen maar sliep,

Dan liet ik u van nacht wel binnen;

Maar als eens moeder ’t hoorde en riep,

O wat, wat zou ik dan beginnen!

Ik was van schrik wis daadlijk dood.

FAUST.

Neen, engel! neen, dat heeft geen nood!

Hier is een fleschje. Een dropje of drie

In haren drank gedaan, en zie!

Zij slaapt gerust en houdt zich stil.

MARGARETA.

Wat doe ik niet om uwentwil!

Het zal haar, hoop ik, toch niet schaden?

FAUST.

Zou ik dan, liefje, u zoo iets raden?

[143]

MARGARETA.

Zie ik u, beste man, slechts aan,

’k Weet niet wat mij zoo tot u drijft;

’k Heb reeds zoo veel voor u gedaan,

Dat mij haast niets meer overblijft.

Vertrekt.

MEPHISTOPHELES, binnenkomende.

Is ’t madeliefje weg?

FAUST.

Is ’t madeliefje weg? Dus weêr gespioneerd?

MEPHISTOPHELES.

Ik heb maar al te wel vernomen,

Dat u de les daar werd geleerd:

Ik hoop, het moge u wel bekomen!

Het schijnt, dat het de meisjes intresseert,

Of iemand van het oud geloof is,

Daar hij dan zeker ook voor haar niet doof is.

FAUST.

Gij, wangedrocht! gij ziet niet in,

Hoe deze ziel, zoo trouw en goed,

Vol van geloof en heilgen zin,

Die haar bezielen, nu bevroedt,

Dat zij mij reeds verloren achten moet!

MEPHISTOPHELES.

Gij bovenzinlijk, zinlijk kreatuur,

Een meisje heeft u bij den sik!

FAUST.

Gij misgeboort’ van drek en vuur!

[144]

MEPHISTOPHELES.

De physiognomie verstaat zij op een prik:

Als ik er ben, wordt ze altoos bang te moê,

Zij weet, bekent ze, zelf niet hoe.

’t Schijnt, dat zij een genie in mij bevroedt,

Of zelfs wel denkt, dat ik de duivel wezen moet.

Nu, heden nacht.…?

FAUST.

Nu, heden nacht.…? Dat raakt u niets!

MEPHISTOPHELES.

’k Heb mijn pleizier toch in zoo iets.

[145]

[Inhoud]

Bij den put.

GRETE en LIJSJE, met kruiken.

LIJSJE.

Zeg! Hebt ge dat van Bertha al gehoord?

GRETE.

Ik spreek geen menschen haast; ik hoor geen woord.

LIJSJE.

Sybille deelde mij haar staat meê:

Daar is het nu ook al zoo laat meê!

Ja, ’t ligt er toe!

GRETE.

Ja, ’t ligt er toe! Wat dan?

LIJSJE.

Ja, ’t ligt er toe! Wat dan? O weet,

Zij voedt nu twee, wanneer zij drinkt en eet.

GRETE zucht.

LIJSJE.

Ja, daarop is het eindlijk neêrgekomen.

Hoe lang heeft haar die vent niet ingenomen!

’t Was uitgaan zondags keurigjes en net;

Het kon niet op van al de pret.

Zij waren de eerste van de paartjes, [146]

En dat was altijd wijn en taartjes!

Haar air—o, ’t was niet uit te staan!

Zich niet te schamen—denk eens aan,

Presentjes van hem aan te nemen—

En nu is ’t pruilen, zuchten, teemen!

GRETE.

Dat arme ding!

LIJSJE.

Dat arme ding! Beklaagt ge nog die prij?

Wanneer wij sponnen, ik of gij,

En moeder niemand in woû laten,

Stond zij met haar galant te praten,

En bij de deur of in den gang

Viel beide nooit de tijd te lang.

Nu mag zij vrij, dat komt er van.

Ten kinderdoop gaan zonder man.

GRETE.

’k Denk toch, dat hij haar trouwen zal?

LIJSJE.

Ja, dan was hij wel stapelmal!

Hij is een flinke hekkenspringer,

En krijgt er tien aan ieder vinger.

Ook is hij weg.

GRETE.

Ook is hij weg. Dat is niet mooi.

LIJSJE.

Krijgt zij hem—o, dan heeft men het gegooi!

’k Verzeker u, de jonge snaken

Die zullen ’t kerkgaan zuur haar maken.

Vertrekt.

[147]

GRETE, naar huis gaande.

Hoe heb ook ik niet vaak gesmaald,

Als soms een meisje eens had gefaald!

Hoe heb ik bij eens anders zonden

Geen woorden soms genoeg gevonden!

Wat scheen me een misstap zwart en groot,

En toch stond ik er ook voor bloot!

Maar—drukt het nu me ook op ’t gemoed—

Hij was zoo lief! Hij was zoo goed!

[148]