[Inhoud]
HET EINDE VAN IRWIN STANLEY.

HET EINDE VAN IRWIN STANLEY.

HOOFDSTUK I.

Wat Raffles naar Amerika bracht.

Omstreeks drie uur in den middag vloog een vliegmachine met zeer groote snelheid over de huizenzee van New-York, in een richting van het Zuid-Westen naar het Zuid-Oosten, maar op zulk een groote hoogte, dat het zelfs aan de bewoners der bovenste verdiepingen van de hoogste wolkenkrabbers moeilijk zou zijn gevallen de machine met het bloote oog te onderscheiden.

Zoo was het ook niet mogelijk te oordeelen over de werkelijke snelheid van het toestel, die inderdaad alles te boven ging, wat men tot dusverre op dit gebied aanschouwd had.

Slechts zeer weinige lieden, die hun vak door en door kenden, en die de snelheid van vliegmachines zelfs op zeer grooten afstand konden taxeeren, zouden tot hun verbazing hebben geconstateerd, dat het kleine stipje daar boven New-York zich verplaatste met een fabelachtige snelheid, welke de vijf honderd kilometer per uur moesten naderen, en misschien wel overtreffen.

En dit zou hen zoo onmogelijk, onwaarschijnlijk en onaannemelijk toeschijnen, dat zij eerder geloofd zouden hebben aan een klein gebrek in hun gezichtsvermogen, dan aan de werkelijkheid van hetgeen zij meenden op te merken.

En toch behoefden zelfs de vaklieden zich niet zoo zeer te verbazen, want het was nog niet eens zoo lang geleden, dat de befaamde Fransche vlieger Sadi Lecointe met zijn vliegmachine, voorzien van een motor van bijna drie honderd paardenkrachten, een snelheid wist te ontwikkelen van omstreeks drie honderd achttien kilometer per uur, waaraan aanstonds moet worden toegevoegd, dat deze ontzaglijke vaart slechts gedurende enkele minuten werd volgehouden.

Het vliegtuig zette dus koers in Zuid-Oostelijke richting, en zoodra het zich niet meer boven New-York bevond, matigde het aanzienlijk zijn vaart en daalde tegelijker tijd.

Rechts breidde thans de Oceaan zich uit, onvergelijkelijk schoon onder de stralen van een vroege lentezon, links waren bosschen, weiden, heuvelen [2]en dalen zichtbaar, maar ook ontelbare fabrieksschoorsteenen, waaruit dikke rookwolken hemelwaarts stegen.

De vliegmachine had een hoogte van ongeveer duizend meter bereikt, en hoewel de snelheid nog altijd zeer groot was, bedroeg zij thans toch zeker nog geen twee honderd kilometer.

Het toestel leek wel van metaal vervaardigd te zijn, met inbegrip van de beide draagvlakken, want het glansde als dof gepolijsd zilver in de stralen van de zon.

De bestuurder der machine, die geheel vooraan in de gemakkelijk ingerichte kajuit zat, zocht nu de kust op en volgde deze over een lengte van eenige kilometers.

De lucht was zoo helder, dat men tot op zeer verren afstand kon zien, en met behulp van den kijker zou men op zijn minst een half dozijn van die druk bezochte badplaatsen kunnen ontwaren, waar de Amerikaansche business-men des zomers verpoozing gaan zoeken van hun inspannenden arbeid, of er vrouw en kinderen heenzenden, en zelf in de stad blijven zwoegen tot des Zaterdagsmiddags, om dan per auto snel vrouw en kroost te gaan opzoeken, en pas des Maandagsmorgens weder te vertrekken.

En steeds scheen het glinsterende dubbelspoor van den electrischen trein, welke al deze badplaatsen onderling en met New-York verbond, de luchtreizigers te vergezellen.

Soms schoot een dier electrische wagens onder de vliegmachine voorbij, maar alleen wanneer men er een tegemoet vloog, want geen enkele van die wagens, hoe hard zij ook reden, was in staat, het vliegtuig bij te houden, laat staan het in te halen.

Dicht bij een van deze badplaatsen, die nu nog geheel verlaten waren, en in den winterslaap verzonken schenen, liet de bestuurder de vliegmachine nog meer dalen tot op een hoogte van vijf honderd meter, en cirkelde daar eenigen tijd rond, als om naar een gunstige landingsplaats uit te zien.

Die was nu niet zoo moeielijk te vinden, wanneer men zich tot het strand bepaalde, want dit was zoo vlak als een kolfbaan en breed genoeg om desnoods aan twintig toestellen te veroorloven, naast elkander neer te strijken.

Maar het strand scheen den bestuurder niet aan te trekken, want hij richtte het toestel meer landwaarts, en plotseling scheen hij te ontdekken, wat hij noodig had; het was een fraaie boerderij, op ongeveer een kwartier gaans van de badplaats gelegen aan een goeden straatweg, met boomen omzoomd, die thans nog hun kale takken omhoog staken, maar die zeker in den zomer dezen weg zouden beschaduwen, en tot een aangename wandelplaats voor de badgasten zouden maken.

Deze boerderij stond dicht bij den weg, maar daarachter strekte zich een schier onafzienbaar weiland uit, waarop vee graasde, en waarop eenige zeer groote schuren stonden.

Niet zoodra had de bestuurder een en ander opgemerkt of hij liet de machine als het ware omlaag duikelen, en liet haar daarop in een koenen spiraal met afgezetten motor dalen, waarop het vliegtuig zich, alsof het een levend wezen, een reusachtige libel was, op het nog schrale gras van de weide neerzetten.

Verschrikt sprongen eenige kalveren onder het maken van dwaze sprongen, uiteen, en een aantal weinig dappere koeien gingen haastig op den loop, onder luid geloei en terwijl zij driftig met hun staart zwaaiden, hunne wijze, om hun misnoegen over deze onverwachtsche stoornis kenbaar te maken.

De landing had plaats gehad op nauwelijks honderd passen van de groote boerenhofstede, en dadelijk kwam er een gansche zwerm menschen uit dit huis te voorschijn, aangevoerd door een jong meisje, wier goudblond haar in twee lange vlechten achter haar aan golfden, die waarschijnlijk aan een ongeluk hadden gedacht.

Intusschen waren de luchtreizigers uitgestapt.

Zij bleken drie in getal te zijn, en waren in dikke pelsen gehuld, waarvan zij zich juist ontdeden, toen het groepje menschen de machine omringden, en de drie mannen verbaasd en ook wel wat verschrikt aanstaarden.

„Kunnen wij u van dienst zijn, mijnheer?” vroeg het jonge meisje, dat naar voren was getreden, en terwijl zij zich wendde tot een van de luchtvaarders, een rijzig, krachtig gebouwd man, van wiens gelaat thans nog weinig te zien was, door den geweldigen bril voorzien van dikke glazen, welke met bont omzoomd waren en het gelaat voor een groot deel verborgen.

De aangesprokene nam zijn bril af, ontknoopte het [3]riempje van den bril, nam hem af en vertoonde nu een fijnbesneden, krachtig geteekend gelaat, waarin twee grijze oogen met doordringenden, stoutmoedigen blik schitterden.

Hij keek het bevallige jonge meisje even aan en gaf toen ten antwoord: „Gij drijft de vergevensgezindheid ten top, Miss! Wij komen hier ongevraagd op uw weiland neerstrijken, wij maken uw koeien aan het schrikken, en gij vraagt, waarmee gij ons van dienst kunt zijn!”

„O, het heeft niets te beteekenen!” riep het jonge meisje met een vroolijk lachje uit. „Zij zullen wel spoedig weer van den schrik bekomen zijn en aan het gras valt niets te bederven. Wij dachten eigenlijk dat er een ongeluk met de machine gebeurde, omdat zij zoo snel en onverwachts daalde. Er is toch niets aan gebroken?”

„Neen, Miss!” antwoordde de ander glimlachend. „Er is niets gebroken en toch zou ik u gaarne om uw toestemming willen verzoeken, mijn machine hier ergens te mogen laten, want ik veronderstel, dat ik het voorrecht heb het woord te richten tot de lieftallige dochter van den eigenaar of den pachter van gindsche hoeve?”

„Ja, mijnheer, ik ben Mary Cooper, en mijn vader is de eigenaar van de hoeve daarginds; alles wat gij hier in het rond ziet, behoort hem toe. En wat het bewaren van uw vliegmachine betreft, ik denk wel, dat dat zal gaan, want ik zie, dat zij niet heel groot is, en er staat wel hier of daar een schuur ledig.”

„Dat gebouwtje behoeft zelfs niet groot te zijn, Miss Cooper, want als het noodig is, kan ik zeer gemakkelijk de vleugels van het toestel verwijderen, zoodat ik aan een groote auto-garage reeds genoeg zou hebben. Ik behoef u zeker niet te zeggen, dat ik gaarne bereid ben uw vader schadeloos te stellen voor de moeite, welke ik hem veroorzaak.”

„Daar spreken wij later wel over, mijnheer.…?”

Het meisje voltooide den zin niet, maar keek den luchtreiziger vragend aan.

„Ik ben graaf Palmhurst, Miss!” antwoordde deze. „Ik vertoef sedert eenige maanden in Amerika, ik wil er meer van zien, dan met een auto of met een trein mogelijk is, en daarom heb ik mij mijn vliegmachine laten toezenden, en nu toer ik hier maar wat boven uw schoon land rond. Thans echter roepen mij ernstige zaken naar New-York, en daar ik mijn vliegmachine steeds bij de hand wil hebben, zocht ik naar een goede gelegenheid in de buurt van de stad, om haar onder dak te brengen.”

„Dan behoeft gij u niet verder bezorgd te maken, graaf,” hernam Mary Cooper. „Gij kunt uw toestel gerust bij ons laten, het zal hier even veilig zijn als alles wat onszelf toebehoort.”

„Dan blijft mij niets anders over, Miss, dan u dank te zeggen voor uw bereidwilligheid, natuurlijk vooropgesteld, dat uw vader instemt met hetgeen gij ons beloofd hebt.”

„O, vader wil alles wat ik wil,” hernam het meisje met een guitig lachje.

„Dan is alles in de beste orde, Miss, en ik heb niets anders te doen, dan u te vragen, hoe de badplaats heet, op een kwartier afstands ongeveer van hier gelegen.”

„Wel, graaf, dat is Cedar Creek, des zomers een van de meest bezochte badplaatsen ten Zuiden van New-York. Met den electrischen trein kunt gij de stad in ongeveer een uur tijds bereiken. En nu zullen wij eerst uw machine eens veilig gaan opbergen, als gij het goed vindt. Komt mannen, helpt eens een handje!”

Dit laatste werd gezegd tot een dozijn veldarbeiders, die eveneens nieuwsgierig waren komen toeloopen.

En nu zette de stoet zich in beweging.

Vooraan liep het jonge meisje met de handen op den rug en opziende naar den Engelschen graaf, die kalm naast haar stapte, een sigaret rookend, en zijn muts in de handen, zoodat de wind met zijn haren stoeide, die aan de slapen heel even begonnen te grijzen.

Daarna kwamen eenige dienstboden en vervolgens de vliegmachine, geduwd en getrokken door een half dozijn veldarbeiders, onder de aanwijzingen van een van de drie luchtvaarders, een herculisch gebouwd man, die er uitzag, alsof hij in staat was het vliegtuig desnoods geheel alleen voort te duwen.

Tien minuten later was het toestel veilig ondergebracht in een soort bergloods, voorzien van dubbele deuren, waarin het juist bleek te passen, maar niet dan nadat men er de vleugels van had losgemaakt en tegen de zijwanden had geplaatst.

Graaf Palmhurst klom vervolgens op de machine, scheen iets te verrichten, waarbij hij een Engelschen [4]sleutel en een schroevedraaier noodig had, klauterde toen weer naar beneden en wendde zich toen tot het jonge meisje met de opmerking:

„Nu heb ik u niets anders meer te vragen, Miss, dan verlof om ons in deze loods even te mogen verkleeden, met de kleeren, die ik aan boord heb, en u dank te zeggen voor uw bereidwilligheid, om mijn machine te bewaren.”

„Dat verlof is u toegestaan, graaf,” riep Mary Cooper uit, terwijl zij hem de kleine gebruinde hand toestak om vervolgens weg te snellen, nadat zij aan den luchtvaarder den sleutel van de loods had overhandigd.

Deze wachtte tot er niemand in de omgeving meer te zien was, keek toen den reus en zijn derden metgezel, een jonge man met een vroolijk rond gelaat en blauwe oogen met een zonderlingen glimlach aan en zeide:

„Daar zijn wij!”

„Ja, op vijftig kilometer afstand van New-York, nadat wij tien uren geleden bij Londen opstegen,” antwoordde de jonge man. „En waarvoor dit alles? Om niets, wij kwamen juist een half uur te laat en op dit oogenblik heeft je doodsvijand, Irwin Stanley, de meester van het Genootschap van den Gouden Sleutel, zich al opgelost in de misdadigerswereld van New-York.”

John Raffles, want graaf Palmhurst was inderdaad niemand anders dan de befaamde Gentleman-Inbreker, antwoordde niet aanstonds, maar stond in diep gepeins verzonken, terwijl hij zich langzaam van zijn zwaren pelsjekker ontdeed.

Toen zeide hij:

„Het is waar, onze overtocht is in zooverre vruchteloos geweest, dat wij juist New-York bereikten, toen het kleine stoombootje de reizigers van de Mauritania van Ellis Island naar New-York overbracht, van hetzelfde schip, waarmede die schurk van een Stanley de vlucht nam, juist toen wij op het punt stonden, eindelijk de politie op het spoor te brengen van den gevaarlijksten misdadiger, die er in vele tientallen jaren geleefd heeft.”

„Hij had allang aan den galg moeten bengelen, Mylord,” liet de zware stem zich hooren van den reusachtigen metgezel van Raffles.

„Ik ben het volmaakt met je eens, Henderson,” hernam Raffles droogjes. „En dat zou hij ook al gedaan hebben, als men hem maar had kunnen vatten. Maar reeds vele weken achtereen voer ik strijd met dezen man, met dien sluwen aanvoerder van de grootste misdadigersorganisatie, welke ik ken en in dien betrekkelijk korten tijd is hij mij reeds herhaalde malen ontsnapt.”

„En daarbij heb jij zelf, Raffles, ettelijke malen in gevaar verkeerd, door den ellendeling te worden vermoord, en alles wel beschouwd, heb je het slechts aan Eleonora Manoury te danken, dat je nu nog leeft.”

„Dat zal ik ook nimmer vergeten, Charly, wees daar maar zeker van,” hernam Raffles kortaf.

„Dat heb je immers al getoond, door ook haar eenige malen te ontrukken aan de wraakzucht van den man, die haar in het verderf had gestort, en haar tot een misdadigster had gemaakt,” hernam Charly Brand, de trouwe metgezel van den Grooten Onbekende, en die hem ook thans hierheen vergezeld had om deel te nemen aan de jacht op Irwin Stanley, den vierden meester van het Genootschap van den Gouden Sleutel, welks drie vorige aanvoerders allen door toedoen van John Raffles hun leven van misdaad en moord met den dood hadden geboet.

In een lange reeks gevaarvolle avonturen had Raffles zich met dezen nieuwen tegenstander gemeten, en het was al heel spoedig gebleken, dat de Gentleman-Dief en Irwin Stanley wat sluwheid en dapperheid betreft aan elkander gewaagd waren.

Maar een ding had Raffles op zijn vreeselijken vijand voor, van Irwin Stanley was de identiteit bekend, zijn signalement was thans over de geheele wereld verspreid, en van zijn vermommingskunst had Raffles geen grooten dunk, terwijl hijzelf voor zijn vijand een raadselachtig wezen moest zijn, van wiens waren naam of verblijfplaats Stanley niets kon weten.

Raffles had ten slotte de voormalige minnares van Stanley aan diens invloed weten te onttrekken, en deze vrouw was het geweest, die hem had medegedeeld, dat Stanley naar Amerika de wijk had genomen, om zich aan de wrekende hand van de Engelsche justitie te onttrekken en zich te voegen bij zijn makkers in Amerika, waar het zeker lang niet zoo gemakkelijk zou zijn, hem terug te vinden.

Helaas had de jonge, ongelukkige vrouw Raffles deze mededeeling pas kunnen doen, nadat er reeds [5]zes dagen verstreken waren sedert het vertrek van de Mauritania, met welk vaartuig de meester naar New-York was vertrokken, en hoewel Raffles zich gehaast had de politie te waarschuwen, die draadloos verbinding had trachten te krijgen met de Mauritania, was hij er op deze wijze niet in kunnen slagen den misdadiger onschadelijk te maken, daar op de een of andere geheimzinnige wijze de draadlooze aansluiting verbroken was, en er bleef nu niets anders over, dan in allerijl met de wonderbaarlijke vliegmachine, die aan het schrandere brein van Raffles ontsproten was, de Mauritania na te gaan.

Wij zagen reeds met welken uitslag, de vliegmachine bereikte New-York een uur te laat, juist toen de reizigers aan wal werden gebracht. [6]