[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

De jacht neemt een aanvang.

Ongeveer een half uur nadat de vliegmachine op het weiland was neergestreken, verlieten John Raffles, Charly Brand en James Henderson, de trouwe chauffeur, een man van ontzaglijke lichaamskracht, de loods, waar de vliegmachine was ondergebracht, en waarvan Raffles de deur zorgvuldig sloot.

De drie mannen hadden hun zware vliegkleederen verwisseld tegen andere kleedingstukken, en de gewaande graaf Palmhurst zag er nu ook inderdaad uit als een Engelsche graaf, die over een zeer groot vermogen te beschikken heeft en die in gezelschap van zijn secretaris en zijn bediende voor zijn genoegen reist.

Henderson droeg een groot valies, de secretaris droeg een kleiner en mijnheer de graaf droeg natuurlijk in het geheel niets.

Het drietal bereikte spoedig den breeden straatweg, die naar Cedar Creek voerde, en besteeg daar een van de electrische treinen, die meestal uit twee motorwagens bestaan, en die thans om het half uur reden, ofschoon zij in den drukken seizoentijd iedere vijf minuten van en naar New-York zouden vertrekken.

Een uur later hadden zij de wereldstad bereikt, en voor het station namen zij een huurauto, die hen naar het Astor-Hotel bracht.

Het reisseizoen zou pas over een maand aanbreken, en zoo viel het hen niet al te moeilijk een paar vertrekken op de eerste verdieping van het geweldig groote, weelderig ingerichte hotel te krijgen.

Het liep reeds naar dinertijd, en een half uur later zaten Raffles en Charly tegenover elkaar in de groote eetzaal aan een tafeltje voor twee personen.

Nadat de kelner, die de bestelling had opgenomen, zich weder verwijderd had, begon Raffles:

„Ik behoef je natuurlijk niet te zeggen, Charly, dat ik er niet aan denk, aanstonds weder rechtsomkeert te maken, zonder zelfs een poging te hebben gedaan, het spoor te hervinden van den man, die mij naar het leven staat, die zeker geen seconde zou aarzelen, mij te dooden, als hij er slechts de gelegenheid toe had, en overtuigd was, dat hij John Raffles weer in handen had gekregen.”

„Ik begrijp, wat je bezielt, Raffles, en toch moet ik vreezen, dat het onmogelijk zal blijken, Stanley in deze wereldstad terug te vinden.”

„Niets is onmogelijk, Charly, voor den man, die bezield is met een vasten wil om het doel te bereiken, dat hij zich gesteld heeft,” hernam Raffles en zijn grijze oogen schitterden. „Je kunt het toch niet vergeten zijn, dat het mij hier ongeveer een jaar geleden, in dezelfde stad gelukt is, het raadsel op te lossen van Moloch, den aanvoerder van de bende van het Kwade Oog. De politie zat toen met de handen in het haar, zooals je je wel zult herinneren, niemand had er het flauwste begrip van, wie die geheimzinnige Moloch toch wel kon zijn, en niettemin hebben wij het ontdekt.”

„Jij, Raffles, jij alleen,” weerde Charly af. „Wij waren slechts je gewillige werktuigen, Henderson en ik, maar jij was het denkende hoofd, jij was de man, die tenslotte den Moloch ontmaskerde, de geheele deftige wereld van New-York versteld deed staan, toen je onomstootelijk bewees, dat niemand anders dan de neef van den staalkoning Peter Vandijke de langgezochte aanvoerder was, en ten slotte de bende van het Kwade Oog vernietigd hebt.”

„Wat dit laatste betreft, Charly, neen, ik vrees dat dit niet zoo is. Hoe zou men ook een bende kunnen vernietigen, wanneer men niet alle leden [7]voor hun leven in de gevangenis opsluit, of hen opknoopt, of op den electrischen stoel zet? Al waren er maar twee over gebleven, dan zouden die voldoende zijn geweest, om de kern te vormen van een nieuwe bende misdadigers, die al heel snel in macht zou zijn toegenomen. Het is je natuurlijk evenmin als mij ontgaan, dat in de laatste weken tot zelfs de Europeesche bladen weder volstaan met berichten omtrent tallooze misdaden, die hier te New-York op klaarlichten dag soms worden bedreven, en die voor het meerendeel met moord gepaard gaan. Welnu, ik voor mij ben er vast van overtuigde, dat hier opnieuw een duistere macht aan het werk is, die al die misdaden bestuurt.”

„Geloof je waarlijk?” riep Charly verschrikt uit.

„Ik ben er vast van overtuigd.”

„Maar ik heb toch nergens gelezen, dat de bedrijvers van die misdaden als het ware hun visitekaartje achter laten in den vorm van een papiertje, waarop het Kwade Oog stond afgebeeld, of dat zij hun slachtoffers van te voren waarschuwden, door middel van briefjes, die met zoo’n zelfde embleem waren onderteekend.”

„Ik zeg niet, dat het juist het Kwade Oog moet zijn, er is misschien wel een nieuwe misdadigersorganisatie in het leven geroepen. Zij werkt trouwens blijkbaar nog niet lang, en niemand kan zeggen of die nieuwe bende niet even krachtig zal worden, als diegene, welke wij hier met zulk een succes bestreden hebben. Hoe het ook zij, wij zijn hier nu eenmaal, en ik zal niet rusten, voor ik eenig spoor van dien bandiet terug heb gevonden.”

„Het zal moeilijk zijn, Raffles, wij zijn hier niet in Londen, en wij hebben hier lang niet zooveel gemakkelijke gelegenheden om ons te vermommen, zonder dat het gemerkt wordt.”

„Dat zal je wel meevallen, Charly,” hernam Raffles glimlachend. „Onder in de vliegmachine heb ik onlangs door Henderson een geheime bergplaats laten vervaardigen, en deze bevat op het oogenblik voor elk van ons een drietal vermommingen, kleederen, pruiken en baarden. Ik erken, dat het niet veel is, maar het is toch misschien voldoende om ons van dienst te kunnen zijn.”

„Maar dan zouden wij telkens naar de vliegmachine moeten terugkeeren,” riep Charly uit.

„Niet noodig, Henderson draagt al die dingen in zijn geweldig groot valies bij zich.”

„Wanneer wil je met je onderzoek beginnen?”

„Zoo spoedig mogelijk, van avond nog.”

„Maar wij hebben in ’t geheel geen aanknoopingspunten, Raffles,” vervolgde Charly Brand. „Wij tasten als het ware in het duister en ik voor mij kan volstrekt niet inzien, hoe wij er in deze reusachtige stad in moeten slagen, het spoor van Stanley te hervinden.”

„Als wij geen aanknoopingspunten hebben, Charly,” hernam Raffles bedaard, „dan zullen wij ze maken. Je zult je wel herinneren, dat eenige jaren geleden professor Shydrift, die toen de meester was van het Genootschap van den Gouden Sleutel, een zeer handig middel toepaste, om te ontdekken, wie toch wel die lang gezochte Raffles, de Gentleman-Inbreker kon zijn. Hij liet berichten publiceeren omtrent een schatrijken vreemdeling, voorzien van ettelijke juweelen, die te Londen zou komen, in de verwachting, dat Raffles zeker niet zou nalaten, zijn krachten te beproeven op de brandkast van dien veel te rijken sinjeur, en daarin had hij goed gezien, want gezegde Raffles liep blindelings in den val, dien men zoo handig voor hem had opgezet. De rijkaard was een medeplichtige van de bende, en het scheelde toen maar een haar, of er was voor goed een einde gemaakt aan mijn avontuurlijke loopbaan. Welnu, niets belet ons, iets dergelijks hier toe te passen, rekening houdende met de veranderde omstandigheden.”

„Het idee is in beginsel niet kwaad, ik begrijp alleen maar niet, hoe het in de praktijk kan worden toegepast.”

„Dat is het geringste bezwaar. Er zijn middelen in overvloed, Stanley, of in ieder geval een zijner trawanten hier op ons spoor te brengen, maar daarbij zullen wij niettemin aan de winnende hand zijn, daar wij hen lokken en hun bewegingen kunnen volgen.”

„Denk je, dat Stanley hier in dien korten tijd reeds aansluiting gevonden kan hebben bij de misdadigers, die thans New-York onveilig maken?”

„Thans wellicht nog niet, maar het zal toch zeker niet langer duren dan een paar dagen op zijn hoogst. De schurken hebben een geheim middel, om met elkander in verbinding te komen, nu eens is het een advertentie, die er op het oog heel onschuldig [8]uitziet, en niemands aandacht in het bijzonder zou trekken, dan weer is het een vliegmachine, door een lid van de bende bestuurd, die voor buitenstaanders onbegrijpelijke rookseinen geeft, die mijlen in het rond zijn waar te nemen, of ook wel worden er des nachts, op een vooruit afgesproken plaats vuurpijlen van verschillende kleur afgestoken, die allen hun beteekenis hebben.”

„Indien de politie hier er in zou slagen, Stanley in handen te krijgen, zou de Amerikaansche regeering hem dan uitleveren?”

„Ja, want de delicten, waaraan die ellendeling schuldig staat, roof verzwaard door moord, laten uitlevering toe, volgens de nieuwe tractaten tusschen Engeland en Amerika gesloten.”

„En denk je dat Stanley voor die misdaden zou worden gehangen?”

„Zonder den minsten twijfel,” antwoordde Raffles, „tenminste, wanneer de bewijzen afdoende zijn, en daarvoor zal de politie in Londen wel zorgen.”

„Dan hoop ik alleen maar, dat de politie hier er wat haast achter zet,” hernam Charly droogjes.

„Daarvoor zou het in de eerste plaats noodig zijn, dat zij weet, dat Stanley zich hier bevindt,” kwam Raffles glimlachend.

„Maar dat weet zij nu reeds,” kwam Charly. „Jij hebt zelf daarvoor gezorgd.”

„Op welke wijze dan, als ik vragen mag?”

„Maar jij hebt immers de politie te Londen telefonisch op de hoogte gesteld van de vlucht van Stanley en zelfs den naam van het schip genoemd, waarmede hij vertrokken was, vijf dagen tevoren.”

„Je hebt gelijk, Charly, dat vergat ik. Weliswaar was die telefonische mededeeling anoniem, en de politie behoefde er niet veel geloof aan te hechten, maar het feit, dat de draadlooze verbinding tusschen Londen en het schip verbroken was, moet haar toch tot nadenken hebben gebracht, om er nog van te zwijgen, dat ieder spoor van den schurk te Londen totaal schijnt te zijn uitgewischt.”

Op dit oogenblik kwam de kelner aandragen met het bestelde en de vrienden waren dus genoodzaakt, het onderwerp van hun gesprek te wijzigen.

Maar tegen het einde van het diner vroeg Charly zacht:

„Denk je in dit hotel te blijven?”

„Vooreerst denk ik niet aan verhuizen. Waartoe ook? Wij zijn hier volkomen veilig, en Stanley kan onmogelijk eenig vermoeden van onze aanwezigheid in New-York hebben. Dat is voor ons een groot voordeel, zooals je wel zult inzien. Mochten de omstandigheden het echter noodzakelijk maken, dan belet niets ons, elders een onderdak te gaan zoeken.”

„En vanavond?”

„Vanavond, Charly, zullen wij onzen val opzetten,” antwoordde Raffles, terwijl hij zich achterover in zijn stoel liet vallen, en een sigaret uit zijn gouden koker te voorschijn haalde.

Na haar te hebben aangestoken en vol welbehagen een dikke rookwolk te hebben uitgeblazen, hernam hij:

Ik geloof, dat ik het middel reeds gevonden heb.”

„Ik ben benieuwd om het te vernemen.”

„Wie ter wereld denk je wel, dat Stanley het meest zal haten, op mij na?”

Charly dacht een oogenblik na en antwoordde toen:

„Ik zou bijna zeggen, dat het de vrouw moet zijn, die zijn minnares is geweest, en die zich aan zijn invloed heeft onttrokken, terwijl het voor hem duidelijk moest zijn, dat zij niet zal aarzelen, gebruik te maken van haar kennis van zijn geheele verleden, om hem in het verderf te storten.”

„Zoo is het, Charly. Wanneer die man eenmaal voor den rechter moet verschijnen, dan zou, zelfs als de andere bewijzen onvoldoende waren, de getuigenis van Eleonora Manoury toereikend zijn om hem aan de galg te brengen. Bedenk voorts, dat zij het was, die mij gered heeft, toen ik in zijn huis een eerlijk tweegevecht met hem had aangebonden, en hij mij verraderlijk wilde vermoorden, wat er niet toe zal bijdragen, hem zachtzinniger jegens de ongelukkige vrouw te stemmen, die eenigen tijd onder den invloed van dien man heeft verkeerd.”

„Dat alles is waar, Raffles, maar ik begrijp niet waar je heen wilt, want op dit oogenblik kan Stanley niet anders gelooven, of Eleonora is dood. Jij hebt haar, toen zij in de ziekenzaal van de gevangenis te Londen lag, een middel toegediend, waardoor zij in een toestand geraakte, zoo zeer gelijkend op den dood, dat de autoriteiten haar ook als dood beschouwden.”

„Ja, Charly, ik ben een ezel geweest, want terwijl ik meende, dat men haar naar het kerkhof zou brengen, [9]vanwaar het ons gemakkelijk zou zijn gevallen haar te bevrijden en tot het leven terug te brengen, zoodra de lucht zuiver was, droegen zij haar naar de snijkamer van de universiteit, teneinde daar het merkwaardige geval te onderzoeken, hetgeen slechts zou gaan, wanneer men het lijk opende. Gelukkig zijn wij toen juist bijtijds gekomen, om te beletten, dat die zotte professor met zijn ontleedmes aan het werk toog, en wij hebben Eleonora kunnen bevrijden, toen onze man klaar stond zijn krachten op het als dood neerliggende lichaam te beproeven.”

„Met dat al, Raffles, gelooft Stanley toch, dat zij dood is.”

„Dat kan hij niet langer gelooven, Charly, dan slechts een paar dagen. Je hebt natuurlijk wel eens gehoord van een instelling, die telegraaf heet, en het moet je duidelijk zijn, dat alle nieuwsagentschappen in Londen zich zullen beijveren, het bericht van dien zonderlingen roof van een lijk uit de snijkamer van de universiteit, waarbij de ontvoerders met bommen en revolvers werkten, over te seinen.”

„Welnu?”

„Welnu, de naam van de zoogenaamde doode was bekend, en men weet waarschijnlijk reeds nu te New-York, dat die drie onbekend gebleven mannen een misdadigster ontvoerd hebben, Eleonora Manoury geheeten. Maar wat mijn doodsvijand dan ook moge zijn, een domkop is hij zeker niet. Het moet voor hem aanstonds duidelijk zijn, wie de zoogenaamde lijkenroovers waren, en hij begrijpt natuurlijk wel, dat John Raffles krankzinnig zou moeten zijn, wanneer hij zich al die moeite gaf, zijn leven in de waagschaal te stellen, om een lijk te rooven; hij moet inzien, dat de vrouw slechts schijndood was en dat John Raffles de man geweest moet zijn, die haar in dien toestand bracht.

Kun je die redeneering volgen?”

„Ik volg haar, Raffles, en ik kan haar volkomen billijken,” antwoordde Charly. „Je hebt gelijk, het zou eenvoudig nonsens en tijdverlies beteekend hebben, een doode vrouw te redden.”

„Tenzij Stanley mocht denken, dat ik er bepaald op stond, Eleonora Manoury een Christelijke begrafenis te verschaffen, maar wij zullen nu maar niet aannemen, dat hij plotseling kindsch is geworden. Welnu, Charly, van het oogenblik af, dat Stanley vermoedt of weet dat Eleonora Manoury niet dood is, moet hij haar boven alles vreezen, meer nog dan Raffles. Welk een indruk zou het dus, denk je op dien man maken, wanneer hij plotseling moest vernemen, dat Eleonora Manoury hier was?”

Charly liet zich achterover in zijn stoel vallen, en keek Raffles met wijdgeopende oogen aan, terwijl hij stotterde:

„Hier? Daar is immers geen sprake van! Hoe kan hij gelooven, dat zij hier is?”

„Wel, hij zou het bijvoorbeeld in een krant kunnen lezen,” hernam Raffles bedaard.

„In een krant? Maar mijn hemel, welk blad zou dat kunnen melden, als er geen woord van waar is?” riep Charly in de hoogste verbazing uit.

„O, wij zijn hier in Amerika—en de Amerikaansche pers is in haar eerste leugen stellig niet gestikt,” antwoordde Raffles langs zijn neus weg. „Maar komaan, laten wij hier niet langer blijven, ik zal je spoedig genoeg mijn bedoeling hebben duidelijk gemaakt.”

En Raffles wenkte den kelner, betaalde den man, liet zich hoed en jas brengen, en maakte zich gereed om het hotel te verlaten.

En Charly volgde hem, maar wat Raffles eigenlijk wilde doen, daarvan begreep hij volstrekt niets. [10]