In de ruime vestibule van het groote hotel stond Raffles een oogenblik en raadpleegde zijn horloge.
Het was bijna negen uur.
Raffles bromde iets voor zich heen, scheen een oogenblik na te denken, en zeide toen:
„Ik geloof, dat jij zeer sterk bent, Charly, op het gebied van de journalistiek, nietwaar?”
„Dat is te zeggen,” stamelde Charly, verrast door het onverwachte van deze vraag, „ik kan mij niet herinneren, dat ik ooit een woord in een blad geschreven heb, behalve een jaar of tien geleden, toen ik eens een ingezonden stukje aan de „Times” heb gezonden, naar ik meen in verband met de nieuwe Zondagswet, ik kende je toen nog niet.”
„Je schijnt de bedoeling van mijn vraag verkeerd te hebben begrepen. Misschien heb ik haar ook niet duidelijk gesteld. Ik wilde alleen maar weten of je op de hoogte bent van het verschijnen van de groote bladen in de verschillende landen der wereld.”
„Nu, dat is wel wat veel gevergd,” antwoordde Charly lachend. „Maar ik mag toch wel zeggen, dat ik het van de meeste landen wel weet.”
„Van de Vereenigde Staten bijvoorbeeld?”
„Ja, ook van Amerika. De gewone dagbladen verschijnen hier voor de overgroote meerderheid uitsluitend als ochtendbladen. Er zijn er slechts zeer weinig, die een ochtend en een avondeditie hebben, en dan zijn er ook nog een paar, die alleen des avonds verschijnen.”
„Dat is dus ongeveer zooals bij ons,” hernam Raffles peinzend. „Gaat die verhouding hier ook in New-York op?”
„Ja, er komen hier in het geheel ongeveer tachtig dagbladen uit. Daarvan zijn twee en zeventig ochtendbladen, vijf bladen die ’s ochtends en ’s avonds uitkomen en drie alleen des avonds verschijnen.”
„Dat is jammer,” mompelde Raffles. „Het was voor mijn plannen gemakkelijker geweest.… enfin, men moet roeien met de riemen, die men heeft. Hoe laat verschijnen die avondbladen ongeveer?”
„Ze zijn reeds om half vijf aan de verschillende stations te krijgen.”
„Hier bestaat natuurlijk ook het instituut van de extra-editie?”
„Zeker, maar die verschijnen alleen als het hoogst gewichtige zaken betreft, een moordaanslag op den president, den dood van een invloedrijk monarch, of van een groot Amerikaansch staatsman, een spoorwegongeluk met minstens veertig dooden, een noodlottige aardbeving, of iets dergelijks.”
Raffles scheen nog een oogenblik te aarzelen, en zeide toen:
„Wel, dan komt er van werken van avond niet veel meer, dan zullen wij ons maar liever terugtrekken naar een of ander variété-theater, de specialiteiten zijn in dit land van den eersten rang, en wij zullen ons dan eenige uren kunnen amuseeren. Bovendien zijn wij beiden vermoeid van de lange reis en een weinig rust zal ons goed doen.”
En zoo lieten de beide vrienden een auto voorkomen, en zich naar het Olympic rijden, waar dien avond juist een nieuw programma werd gespeeld.
Wat Henderson betreft, hij slenterde wat rond door de schitterend verlichte straten, staarde naar de ontzaglijke lichtreclames, die de oogen pijn deden door hun gloed, maar verwijderde zich, op verlangen van Raffles, niet te ver van het hotel.
De beide mannen keerden omstreeks elf uur in den avond weder naar hun hotel terug, en begaven [11]zich ter ruste, om zich te herstellen van de vermoeienissen der lange en gevaarvolle lucht reis.
Den volgenden morgen echter stonden zij om acht uur weder op, namen een bad, kleedden zich, ontbeten snel en lieten een huurauto voorkomen.
Alvorens den chauffeur het adres op te geven, vroeg Raffles op zachten toon, zich naar Charly voorover buigend, die reeds in de auto zat:
„Hoe heet het blad ook weer?”
„The Evening Press!”
„Waar is het ergens?”
„In de twee en twintigste straat, dicht bij de Broadway.”
„Broadway, twee en twintigste straat,” riep Raffles den chauffeur toe, en daarop stapte hij in en zette zich naast Charly neder.
Een half uur later hield de auto stil op den hoek van de beroemde New-Yorksche winkelstraat van de twee en twintigste straat.
Raffles zond den chauffeur weg, na hem te hebben betaald, en de beide vrienden wandelden de twee en twintigste straat verder in, tot zij een groot gebouw van grijzen steen hadden bereikt, waarvan de groote deuren wagenwijd openstonden, en op welks plat dak in reusachtige letters, die des avonds electrisch verlicht werden, het woord „Evening Press” te lezen stond.
Raffles stond even stil, en vroeg aan Charly:
„Tot hoe laat kan men in deze stad en voor een avondblad als dit copie ter zetterij geven?”
„De vorm sluit meestal om half vier, zooals men dat noemt, maar het is mogelijk, in de zoogenaamde „Stop Press” wat wij Inlandsch noemen, ook na dien tijd, zelfs nog onder het afdrukken van de krant zeer kleine berichten te doen opnemen. Hiertoe bevindt zich in de zinken rol, welke een geheele krantenpagina bevat, een los stuk, wat de vakman „wit” noemt, en dat men er uit kan nemen, door de pers een oogenblik te laten stilstaan, en dan kan men op dat gedeelte een klein stukje zetsel met stalen klampen vastzetten, waarop men de pers opnieuw laat draaien, maar nu vindt men in de plaats van het brok wit, een klein berichtje.”
„Voor groote berichten is dus waarschijnlijk nooit plaats?”
„Neen, het segment is nooit grooter dan een halve kolom, daar men anders moeite zou hebben met het vastzetten.”
„Ik dank je voor deze technische uiteenzetting, Charly, die mij van veel nut is. Wij zullen dus goed doen, zoolang mogelijk te wachten, en ik weet daartoe geen betere plek dan het restaurant daarginds, dat schuin tegenover het redactiebureau is gelegen.”
De beide vrienden wachtten een oogenblik af, dat een verkeersagent de onophoudelijke file van voertuigen van allerlei aard een oogenblik liet stilhouden, om de zeer drukke straat over te steken, waarop zij het restaurant binnen traden, waar zij een plaatsje zochten dicht bij het raam van de lunchzaal op de eerste verdieping, vanwaar men een voortreffelijk gezicht had op het grootste gedeelte van de drukke zijstraat, breeder dan menig hoofdstraat eener Europeesche metropool, breeder dan het Strand, dan de Friederichstrasse te Berlijn, dan de Rue Royale te Parijs.
Het was nog zeer stil in het restaurant, wegens het vroege uur en er waren zoo goed als geen bezoekers.
Raffles knoopte een praatje aan met den kelner, een Italiaan, en het duurde niet lang of hij had vernomen, dat vele journalisten van de „Evening Press” de gewoonte hadden in dit restaurant te komen lunchen.
Toen de kelner zich weder verwijderd had, zeide Charly, die nog altijd niet wist wat Raffles voornemens was:
„Ik mag gekielhaald worden, als ik begrijp, wat je eigenlijk van de „Evening Press” wil!”
„O, het is heel eenvoudig, Charly, zij moet een berichtje opnemen van mijn hand.”
„Maar steek dan eenvoudig de straat over en bied het aan!” riep Charly verwonderd uit.
„Dat zou ik wel doen, mijn waarde, wanneer mijn bericht niet van bijzonderen aard was,” hernam Raffles glimlachend. „Want zooveel weet ik ook wel van de Amerikaansche bladen, dat zij, evenmin als eenig ander blad ter wereld, een bericht van een haar geheel onbekend persoon zullen opnemen, zonder eerst een deugdelijke bevestiging ervan te hebben verkregen. Men schrikt er hier al evenzeer voor terug, een bericht te plaatsen, dat later moet worden herroepen, als in de oude wereld.” [12]
„Je bericht berust dus op fantasie?”
„Het is van A tot Z gelogen,” antwoordde Raffles bedaard.
„Maar dan zal het blad het nooit opnemen!”
„Goedwillig waarschijnlijk niet, en daarom heb ik juist de medewerking noodig van een der heeren redacteurs.”
„Denk je dat je met domooren te doen hebt, Raffles, en dat je een man van de „Evening Press” een leugenachtig bericht op de mouw kan spelden?”
„Wacht eens even, mijn waarde, voor ons beiden is het leugenachtig, maar niets belet een buitenstaander het voor de zuivere waarheid aan te nemen. Zeg mij eens, is de „Evening Press” nog al op sensatie belust?”
„Wat dat betreft, met de Globe mee spant het in dat opzicht wel ongeveer de kroon.”
„Het kon niet mooier,” hernam Raffles. „Maar laten wij nu maar een kleine wandeling maken, wanneer de heeren redacteuren hier toch komen lunchen, zal ik hen niet misloopen.”
De beide vrienden dronken hun glas witten wijn leeg, stonden op, en daar zij zich tamelijk dicht in de buurt van het Centrum Park bevonden, wandelden zij een paar uren rond in dit schoonste park van New-York, gedeeltelijk met huizen bezet, en begaven zich om twaalf uur weder naar het restaurant in de twee en twintigste straat.
Zij hadden nauwelijks weder dicht bij een der ramen plaats genomen, of er verscheen een troepje, voor het meerendeel nog jonge lieden, in de wijdgeopende deuren van het redactiebureau, dat een gunstig oogenblik afwachtte en daarop haastig schuins de straat overstak, in de richting van het restaurant.
En het volgende oogenblik leek het wel, alsof alle huizen en wolkenkrabbers in de straat letterlijk menschen uitbraakten, die bij honderden en duizenden de straat vulden, als mieren dooreen krioelden en zich repten, alsof zij werden voortgezweept.
Dat waren de tallooze winkeljuffrouwen, klerken, typistes en stenografen, dagbladredacteuren en kantoorloopers, bureau-chefs en schrijvers, die klokslag half een bij duizenden hunne kantoren verlieten, om in een der bars, restaurants of lunchrooms te gaan twaalfuren.
Het was een merkwaardig gezicht, zooals daar eensklaps de straat als het ware volstroomde met een menigte, die eenige minuten achtereen als zinneloos dooreenwemelde, en zich daarop als bij tooverslag weder oploste, de verschillende eetgelegenheden hadden haar opgeslokt.
Het restaurant, waar Raffles en Charly hadden plaats genomen, werd bestormd door een luidruchtige schaar jonge lieden van beiderlei geslacht, snaterend, lachend, verheugd, dat zij gedurende ruim een uur aan de muffe lucht van het kantoor waren ontsnapt.
In een oogwenk waren alle tafeltjes bezet, en de kelners liepen als hazen heen on weer, voor zoover de jonge lieden zich niet zelf bedienden aan het buffet, en betaalden met penningen van verschillende bedragen, welke zij zich aan de kas hadden verschaft.
Niet ver van de beide vrienden had een half dozijn jonge mannen plaats genomen, wier levendige gebaren aanstonds verrieden, dat zij tot het geslacht der reporters behoorden.
Raffles had hen aanstonds herkend, het waren de redacteurs van de „Evening Press”.
Hij beschouwde hen geruimen tijd, totdat Charly vroeg:
„Wat zoek je eigenlijk?”
„Ik zoek onder hen naar den mam, dien ik hebben moet. Ik bestudeer de gelaatstrekken, laat mij nog een oogenblik begaan.”
Na tien minuten scheen Raffles gevonden te hebben wat hij zocht, en hij bleef nu een jongen man van een jaar of dertig in het oog houden, tamelijk opzichtig gekleed, met glanzend zwart haar, zorgvuldig gescheiden, een bloem in het knoopsgat, en die de eene sigaret na de andere rookte, zelfs onder het eten door.
„Dien moet ik hebben,” zeide hij halfluid, „dien knaap daarginds met zijn grijs geruit pak.”
„Waarom juist hem?” vroeg Charly nieuwsgierig.
„Zie je niet, dat hij versche zalm besteld heeft?”
„Ja, dat zie ik, wat zou dat?”
„Een journalist, Charly, die in dezen tijd van het jaar versche zalm eet, leeft boven zijn stand, neem dat maar gerust van mij aan. Hij drinkt er bovendien witten wijn bij, en die is in deze gelegenheid ook niet wat men goedkoop noemt. Is „Evening Press” een eersterangs blad?” [13]
„Volstrekt niet. Het behoort tot de derderangs bladen, maar het wordt toch zeer veel gelezen, vanwege de sensatieartikelen, waarin het blad een bolleboos is.”
„De salarissen zullen er dus wel niet zoo heel erg hoog zijn?”
„Goede Amerikaansche journalisten verdienen over het algemeen meer dan de Europeesche, en de zeer goede kunnen gerust welgesteld worden genoemd, maar toch blijft er ook voor de Amerikaansche krantenmenschen in dat opzicht nog heel wat te wenschen over.”
„Dank je. Maar daar gaat onze man, hij mag mij niet ontsnappen, kom mee!”