De jonge man in het grijs geruite costuum was opgestaan, had zijn hoed en regenjas van den kapstok genomen, en wendde zich naar de deur, na zijn makkers vaarwel te hebben toegewuifd, en Raffles hoorde hoe een hunner hem spottend achterna riep:
„Durf je Irene niet te laten wachten, Jack?”
De toegeroepene gaf geen antwoord, maar dreigde zijn kameraad lachend met de vuist.
Charly en Raffles waren snel opgestaan, en volgden nu den jongen man, zonder dat het opzien baarde.
Maar in de breede gang gekomen moesten zij zich nog al haasten, want ook de journalist scheen gepresseerd te zijn, hij wilde zeker niet mankeeren aan de afspraak met de jongedame, wier naam zooeven was uitgeroepen.
Maar Raffles en Charly versnelden hun pas en juist in de vestibule van het restaurant haalden zij den jongen man in. Raffles klopte hem op den schouder.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer Jack, was het geloof ik, wanneer uw afspraak u niet bepaald opeischt, zou ik gaarne een kort gesprek met u voeren.”
De jonge man keek Raffles en Charly beurtelings verwonderd en ook wel wat ongeduldig aan, en zeide toen:
„Pardon, maar ik heb niet het genoegen u te kennen.”
„Dan stellen wij u in de gelegenheid kennis met ons te maken, mijnheer Jack,” hernam Raffles rustig. „Ik geloof, dat het u niet zal berouwen, een oogenblik naar mij te luisteren.”
Hij liet zijn stem dalen tot een zacht gefluister, en vervolgde:
„Gij zult er toch zeker niets op tegen hebben, Uw blad een prachtige primeur te verschaffen, die U zeker geen windeieren zal leggen?”
De jeugdige Jack zou geen Amerikaansch journalist moeten zijn, als hij niet aanstonds de ooren had gespitst. [14]
Hij keek Raffles even aandachtig aan, en zeide toen vastbesloten:
„Ik ben tot uw dienst, mijnheer.”
„En Miss Irene?” vroeg Raffles glimlachend.
„Die kan wachten,” antwoordde de jonge man schouderophalend. „Mijn blad gaat altijd voor.”
„Zoo mag ik het hooren, mijnheer.… mijnheer.…
„Mijn naam is Jack Flinton,” zeide de jonge man.
„Nu dan, mijnheer Flinton, wij zouden u gaarne uitnoodigen, ergens een rustig plekje op te zoeken, het is namelijk volstrekt niet noodig, dat derden hooren, wat ik u heb mee te deelen.”
„Het is dus van veel gewicht?” vroeg Flinton, wiens belangstelling was gewekt.
„Van zeer veel gewicht, vooral voor u.”
„Wees dan zoo goed mij te volgen, ik weet in een der dwarsstraten een eenvoudig wijnhuis, waar men mij goed kent en waar men mij gaarne een vertrek ter beschikking zal stellen, waar wij ongestoord kunnen spreken.”
„Wij volgen u, mijnheer Flinton.”
De drie heeren begaven zich op weg, en toen zij tien minuten later een klein, door een Italiaan gedreven wijnhuis bereikten, had nog geen hunner een woord gesproken.
Flinton wisselde eenige woorden met den eigenaar, die er uitzag als een ware Rinaldo Rinaldini, met zijn gitzwarte oogen en zijn verwarden zwarten baard, en wenkte daarop Raffles en Charly, waarop zij aan het einde van de gelagkamer een trap van slechts weinige treden bestegen, die naar een klein opkamertje bleek te voeren, dat slechts door een enkel raam verlicht werd, hetwelk uitzag op een morsige binnenplaats.
De waard bracht een flesch wijn en drie glazen binnen, welke Raffles aanstonds betaalde, ofschoon Flinton reeds naar zijn beurs greep, en deze opende dadelijk de flesch, met behulp van den kurketrekker in zijn zakmes, en met een handigheid en vlugheid, die bewezen, dat hij dit werkje zeer vaak bij de hand had gehad.
De journalist schonk de drie glazen vol, nipte even aan het zijne, en zeide toen:
„Voor wij verder gaan, zou ik gaarne uw naam weten, want als gij mij iets hebt mede te deelen, is het van belang, dat ik dien weet.”
Raffles nam een teug van zijn wijn, glimlachte en zeide:
„Mijn naam, mijnheer Flinton? Och, die doet er waarlijk heel weinig toe. Gij zult dit later zelf moeten toestemmen, als gij vernomen hebt, wat ik u kom vragen.”
„Wat kan dat dan wel zijn, mijnheer?” vroeg Flinton, wiens beroepsijver was gaande gemaakt, en die zeer nieuwsgierig was geworden.
Met de oogen strak gevestigd op den zwarten valschen parel, dien de jonge man in zijn kleurige das droeg, begon Raffles:
„Ik zou u willen verzoeken, mijnheer Flinton, een berichtje in uw avondblad van heden op te nemen, van tamelijk sensationeelen aard.”
Flinton keek Raffles met hoog opgetrokken wenkbrauwen aan, boog zich toen met een ruk voorover tot dat zijn ellebogen op de tafel steunden, en vroeg:
„Een primeur? Een mooie moord? Een inbraak van beteekenis? Een erfenis? Een lijk gevonden? Is er iets niet in orde in Wall Street? Iets gaande met den President misschien?”
Raffles schudde glimlachend het hoofd, en antwoordde:
„Niets van dien aard, mijn waarde heer Flinton. Het betreft de zaak van Eleonore Manoury!”
Nu was dit wel is waar een Engelsch onderwerp, maar de geheimzinnigheid van het geval maakte het toch ook voor Amerikaansche lezers zeer aantrekkelijk, en daarom was Flinton een en al oor en hij herhaalde:
„Eleonore Manoury? De voormalige minnares van dien beruchten misdadiger, Irwin Stanley?”
„Dezelfde, mijnheer Flinton.”
„De vrouw, die eergisteren uit de snijkamer van de Universiteit te Londen geroofd werd door drie onbekende mannen?”
„Juist. Gij gelooft natuurlijk ook, dat die vrouw een lijk was, toen zij door die drie mannen geroofd werd?”
„Natuurlijk geloof ik dat, mijnheer,” antwoordde Flinton in de hoogste verbazing.
„Laat mij u dan uit die dwaling helpen, mijn waarde heer, die vrouw leefde.”
Een oogenblik keek Flinton Raffles achterdochtig aan.
Hij was reeds lang in het journalistenvak, hij was een goed en schrander reporter, en menigmaal waren zich op zijn redactiebureau lieden komen aanmelden, [15]die in vollen ernst een breedvoerig verhaal zeer huiveringwekkend kwamen opdisschen, waarvan bij nader onderzoek letterlijk ieder woord verzonnen bleek te zijn.
De lieden waren dan niets anders dan een soort betrekkelijk ongevaarlijke maniakken, die eenvoudig bezeten waren door den duivel der sensatie, overal misdadigers zagen, en de afschuwelijkste voorvallen uit hun duim zogen om een uur later vast overtuigd te zijn, dat zij zich in waarheid zoo hadden toegedragen, als zij zich verbeeldden.
Alle redactiebureaux ter wereld kennen deze verschijningen, en Raffles begreep eveneens dadelijk wat er in den jongen journalist omging.
„Denk vooral niet, dat ik gek ben, mijnheer Flinton, of zelfs maar een van die dwaze praatjesmakers die alle redactiebureaux afloopen met hun onzinnige verhalen. Wat ik u zeg is de volle waarheid, Eleonore Manoury was niet dood, toen men haar bevrijdde uit de handen van den professor.”
„Maar voor den drommel, hoe kunt gij dat weten?” vroeg Flinton in de hoogste verbazing.
„Ik weet het zoo goed, mijn jonge vriend, omdat ik zelf de man was, die het gewaande lijk stal.”
Dit was bijna meer dan Jack Flinton kon verdragen, al was hij een Amerikaansch journalist en al had hij dus in zijn kort leven reeds heel wat bijgewoond.
Hij liet zich achterover in zijn stoel vallen, en keek Raffles als verwezen aan.
Maar toen maakte een gevoel van toorn zich van hem meester, dat duidelijk op zijn gelaat te lezen viel, men kwam hem hier klaarblijkelijk voor de gek houden, het was waarschijnlijk een laffe grap van eenige collega’s, die deze beide mannen op hem hadden afgestuurd.
Hij sloeg met de vuist op tafel, en riep uit, terwijl hij opsprong en naar zijn hoed greep, dien hij achter zich op de leuning van zijn stoel had gehangen:
„Als gij soms denkt, dat ik lust en tijd heb om naar uw beuzelpraatjes te luisteren, dan vergist gij u. Ik heb de eer u te groeten.”
Maar Raffles, zonder zelfs op te staan, zette de vijf uitgespreide vingers van zijn rechterhand tegen de borst van den jongen man en duwde hem op deze wijze weder op zijn stoel terug, terwijl hij glimlachend zeide:
„Niet zoo haastig, mijn jonge vriend, vooral niet zoo haastig. Ik verzeker u, dat gij u zelf zoudt benadeelen, als gij mij niet tot het einde liet uitspreken. Ik zei u reeds, dat gij niet met een gek te doen had, maar evenmin met een bedrieger.… in de gewone beteekenis van het woord. Met dezen heer, en nog iemand anders, stal ik inderdaad hetgeen de professor beschouwde als het lijk van Eleonore Manoury.”
Nu veranderden eensklaps de trekken van Flinton, want zijn journalistieke flair waarschuwde hem, dat hij hier de hand had gelegd op een bij uitstek interessant geval, waarvan de vermelding hem zeker een goedkeuring, misschien wel opslag zou brengen.
Raffles zag wat er in de ziel van Flinton omging en hernam rustig:
„Misschien verwacht gij nu wel, dat ik u onbetaalbare stof zal leveren voor een opzienbarend artikel, door u in bijzonderheden mee te deelen, hoe ik het plan beraamde, hoe het ten uitvoer werd gebracht en met welk doel ik het deed.”
„Natuurlijk ben ik daar zeer nieuwsgierig naar, mijnheer.”
„Dan spijt het mij, dat ik aan die nieuwsgierigheid niet zal kunnen voldoen, want het gaat voor mij om de zaak zelve en niet om een beschrijving ervan.”
„Maar dan ontrooft gij mij een prachtige gelegenheid om mijn positie te verbeteren, mijnheer!” riep Flinton, teleurgesteld uit.
„Dat is erg jammer, maar ik beloof u, dat ik op een andere wijze die positie veel sneller zal weten te verbeteren, dan gij u thans kunt voorstellen. Mag ik weten hoeveel men u per jaar voor uw arbeid betaald?”
Flinton keek Raffles een weinig verbluft aan en een oogenblik scheen hij te aarzelen, in zijn beroepstrots gekwetst, maar zijn fijne neus scheen toch iets te ruiken, iets wat hem voordeel beloofde, als hij zonder omwegen te werk ging, en daarom antwoordde hij:
„Men betaalt mij drie honderd dollar in de maand, mijnheer.”
Raffles schudde afkeurend het hoofd, liet zijn blikken eens glijden over de fijne kleeren van den jongen journalist, vestigde ze toen weder op den valschen parel, en riep verontwaardigd uit:
„Dat is een hongerloon, mijnheer. Het is mij onbegrijpelijk hoe een jongmensch, dat blijkbaar het [16]goede van deze aarde niet veracht, daarvan kan leven.”
Flinton bromde iets voor zich heen, dat voor een bevestiging van Raffles’ woorden kon worden gehouden, maar wat hij zeide was onverstaanbaar.
Raffles keek hem nog een oogenblik aan, en hernam toen, zijn nagels beschouwend:
„Ik zeide dus, dat ik zoo nauwkeurig op de hoogte ben van het lot van Eleonore Manoury, omdat ik haar zelf heb geroofd.”
Maar eensklaps sprong Flinton op, alsof hij door een schorpioen gestoken was en zijn lippen beefden van drift, toen hij uitriep:
„Geen woord meer, mijnheer! Waar zijn toch mijn hersens? Ik vergat, dat die ontvoering eergisteren heeft plaats gehad. En gij zult toch zeker niet willen beweren, dat gij in twee dagen van Londen naar New-York zijt gekomen?”
„In een halven dag, mijnheer Flinton,” antwoordde Raffles rustig.
Flinton keek Raffles wel een volle minuut achtereen strak aan, stond toen zonder een woord te spreken op, nam heel bedaard zijn hoed en wilde heengaan.
Hij was er nu heel zeker van, dat hij met een waanzinnige of met een potsenmaker te doen had.
Maar Raffles hield hem aan zijn jas terug en dwong hem op deze wijze weder te gaan zitten.
„Kijk mij toch eens goed aan, mijn jonge vriend,” zeide hij, „ga met uw menschenkennis te rade, en erken dan, dat ik er in het geheel niet uitzie als een krankzinnige, en nog veel minder als iemand, die een loopje met u nemen wil. Ga weder zitten en gooi de vijf duizend dollar niet in het water dat is ongeveer anderhalf jaar salaris, welke ik u op een zeer gemakkelijke wijze wil laten verdienen.”
Op het hooren van dit hooge bedrag was het alsof de beenen onder Flinton werden weggeslagen, zoo verbazend snel zonk hij weer op zijn stoel neer, ditmaal blijkbaar vastbesloten om den ander tot het einde te laten uitspreken.
„Vijf duizend dollar?” hernam hij op schorren toon. „En wat zou ik daarvoor moeten doen?”
„Eenvoudig een berichtje opnemen over die bewuste vrouw, mijn waarde heer!”
„Dat bericht zult gij mij geven?”
„Ja!”
„Als gij er zooveel voor over hebt, is er zeker geen woord van waar?”
„Geen lettergreep!”
„Ik ben blij, dat ik althans met een oprecht man te doen heb!” riep Flinton uit, terwijl hij zijn glas wijn in een teug ledigde en het opnieuw vulde. „Kom ter zake, als ik u verzoeken mag.”
Raffles wierp Charly Brand een snellen blik toe, als om hem tot getuige te nemen, dat hij het karakter van dezen jongen man goed beoordeeld had, en hernam toen glimlachend:
„Een oogenblik, mijnheer Flinton. Ik heb ook mijn eergevoel en ik zou niet gaarne zien, dat gij aan mijn waarheidsliefde twijfelde. Ik zeide, dat ik niet in twee dagen, maar in een halven dag, eigenlijk in minder tijd nog, dat wil zeggen in tien uren van Londen naar New-York kwam, gelooft gij mij of niet?”
„Het klinkt buitengewoon, het klinkt haast ongeloofelijk,” stotterde Flinton, „maar.… tegenwoordig, nietwaar.…?”
„Ik zie al wat het is, jonge vriend,” zeide Raffles kalm, „van het oogenblik af, dat ik u vijf duizend dollar wil laten verdienen, laat al het overige u volkomen onverschillig, en als ik u zeide, dat ik verleden week van de maan vertrokken was, zoudt gij goedig ja knikken en bij u zelf denken: laat de onschadelijke gek maar praten, als zijn dollars maar echt zijn.”
Flinton trok op het hooren van deze woorden een zoo verlegen gezicht, dat Charly moeite had een lachbui te smoren en bromde alweer iets in zichzelf, dat voor niemand verstaanbaar was.
Raffles echter vervolgde onverstoorbaar:
„Eigenlijk gezegd, doet het er ook niet toe, of gij mij gelooft. De hoofdzaak is, dat gij mij de belofte geeft, het berichtje te plaatsen, hetwelk ik kant en klaar bij mij heb.”
„Laat eens zien,” zeide Flinton kortaf.
Raffles haalde zijn portefeuille te voorschijn, nam er een stukje papier uit, dat hij openvouwde en stak het Flinton toe, met de woorden:
„Zooals gij ziet, is het met de schrijfmachine geschreven en op juist hetzelfde papier als de politie hier gebruikt, om er het politierapport op te tikken, hetwelk iederen dag in vele exemplaren aan de verschillende dagbladredacties wordt toegezonden en [17]waaruit deze plegen over te nemen, wat hun belangrijk genoeg toeschijnt.”
Flinton had het vel papier aangenomen en overtuigde zich, dat de zonderling, die tegenover hem zat, de waarheid had gesproken.
„Hoe komt gij aan dit papier?” riep hij verbaasd uit. „Het is juist het formaat, dat de politie gebruikt, en in den hoek staat ook het hoofd (DIENST VAN DE POLITIE) gedrukt.”
„Mijnheer Flinton, ik ben overtuigd, dat gij uw beroepsgeheimen hebt, sta mij toe, dat ik er ook de mijne opnahoud en die liever voor mijzelf houd.”
„Maar dat is waar ook, ik weet immers steeds nog niet wie gij zijt,” kwam Flinton.
„Ik moet u herhalen, mijnheer Flinton, dat mijn naam er voorloopig niets toe doet, misschien zult gij dien morgen zelf wel raden of op een andere wijze te weten komen. Ik ben trouwens overtuigd, dat gij scherpzinnig genoeg zult zijn om de ware toedracht der zaak spoedig uit te vinden. En lees nu, wat ik u verzoeken mag!”
De jonge man begon te lezen en zijn wenkbrauwen gingen, hoe verder hij kwam, des te meer de hoogte in, tot zij onder zijn glimmend haar bijna waren verdwenen.
Toen hij gereed was, liet hij de hand op de tafel rusten, waarin hij het papier vasthield en zeide, zich tot Raffles wendend:
„Weet gij wel, mijnheer, dat dit bericht louter fantasie is?”
„Dat zeide ik reeds, mijn jonge vriend,” antwoordde Raffles bedaard. „Het is van a tot z gelogen!”
„Maar het zal aanstonds uitkomen, dat het gelogen is, mijnheer, en men zal het tegenspreken!” riep de journalist verwonderd uit.
„Men zal het in ieder geval niet tegen kunnen spreken voor morgenochtend op zijn allervroegst, en dat is voor mijn doel voldoende,” hernam Raffles koeltjes.
„Ik behoef u zeker niet te zeggen, dat deze falsificatie mij mijn betrekking kan kosten, mijnheer?”
„Daarvoor betaal ik u dan ook vijf duizend dollar!” kwam Raffles. „Ik ben er zeker van, dat een jongmensch als gij gemakkelijk elders weer een plaats krijgt. Bovendien als gij het wat handig aanlegt, behoeft immers niemand het te weten, dat juist gij het bericht hebt geplaatst. Gij zoudt het handig tusschen de copieën kunnen inschuiven, waarmede de copiejongens van de redactieafdeelingen naar de zetterij gaan, en daar er aan uw blad redacteurs, reporters, zetters, correctors, opmakers, drukkerspersoneel en stypeurs, alles wel inbegrepen minstens twee honderd man verbonden zijn, zal het wel zeer moeilijk zijn den waren dader aan te wijzen.”
Flinton dacht even na en zeide toen opgewonden:
„Gij zijt zeker eenigszins thuis in ons vak, zoo zou het waarlijk kunnen gaan.”
„Verder herinner ik u er aan, mijnheer Flinton,” ging Raffles voort, „dat gij in deze zaak zelfs de schoone rol zoudt kunnen spelen, als mijn doel u duidelijk is geworden, want ik ben vast overtuigd, dat gij minstens twee kolommen kunt volschrijven over het onderhoud, dat wij thans voeren, waarvan dan natuurlijk, naar Amerikaansch gebruik, ongeveer een achtste kolom waarheid zal zijn en de rest puur verzinsel. Dat zal ik u echter volstrekt niet kwalijk nemen, vooral niet van het oogenblik af, dat gij mijn waren naam zult kennen.… of raden, en dat kan reeds morgen het geval zijn. Zonder mij te buiten te gaan aan zelfoverschatting, mijn jonge vriend, durf ik u gerust verzekeren, dat gij thans een gesprek hebt gevoerd met.… een persoon van vrij groot belang in zijn land.”
Flinton keek een oogenblik in de groote, staalgrijze oogen, naar het hooge, schrandere voorhoofd, naar den mond met zijn vaste lijnen en naar het klassiek gevormde hoofd met zijn edele trekken, naar de krachtige schouders, de gewelfde borst en de gespierde vingers van den man, die tegenover hem zat.
Nog kon hij zich in de verste verte niet voorstellen, wie deze zonderlinge man mocht zijn, en toch begreep hij instinctief, dat hij een zeer goeden dag had gehad en dat hij misschien binnenkort een serie opzienbarende artikelen uit deze ontmoeting zou kunnen slaan, tenminste wanneer de vreemdeling zweeg over het aanbod van de vijf duizend dollar.
Vastberaden vouwde hij het papier op, stak het in zijn portefeuille, raadpleegde zijn horloge en stak toen zijn rechterhand geopend vooruit, zonder een woord te spreken, maar met een gebaar, dat aan duidelijkheid niets te wenschen overliet en dat in alle landen ter wereld onmiddellijk begrepen wordt.
De portefeuille van Raffles kwam opnieuw te voorschijn en hij nam er tien billetten van vijf honderd [18]dollar uit, welke hij den jongen man ter hand stelde met de woorden:
„Hier hebt gij het geld, ik ben overtuigd dat gij mij niet bedriegen zult en het bericht zult plaatsen. Mocht dat niet het geval zijn, mijnheer Flinton,.… wel gij zoudt uw vijf duizend dollar spoedig weer kwijt zijn en waarschijnlijk nog heel wat meer op den koop toe, neem dat gerust van mij aan!”
„Gij kunt op mij rekenen, mijnheer,” zeide Flinton, die was opgestaan en zijn hoed had gegrepen. „Zie ik u nog terug?”
„Dat is al heel onwaarschijnlijk, mijn jonge vriend,” antwoordde Raffles, en er lag een spottende klank in zijn stem. „Tenminste niet zoo als ik mij thans aan u vertoon.”
„Ik kan natuurlijk op uw stilzwijgendheid rekenen?”
„Ik ben een gentleman, mijnheer Flinton,” was alles wat Raffles antwoordde.
„Ik dank u, het bericht zal in ons avondblad geplaatst worden.”
„Daar reken ik op.”
Flinton boog voor Raffles, vervolgens voor Charly, die al dien tijd geen woord had gesproken, en het volgende oogenblik had hij het kleine vertrekje verlaten.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Dien avond bevatte de „Evening Press” met een paar vet gedrukte „hoofdjes” er boven, en op een goed zichtbare plaats, Flinton had waarschijnlijk erg zijn best willen doen, het volgende bericht:
„De politie in onze stad is door een gelukkig toeval op het spoor gekomen van een door de Engelsche Justitie gezochte misdadigster, onder omstandigheden, die aan een sensatieroman doen denken.
Vroeg in den morgen van heden, toen het nog duister was, vernamen eenige patrouilleerende agenten te Hoboken het snorren van een vliegmachineschroef boven hun hoofd.
Zij wijdden er in het begin geen aandacht aan, maar spoedig werd hun aandacht getrokken door het onregelmatig kletterend geluid, dat er op scheen te wijzen, dat er iets met den motor niet in orde was.
En spoedig genoeg zou het blijken, dat de wakkere ordebewaarders goed gehoord hadden.
In de lucht vertoonde zich een vliegmachine, die zich daar blijkbaar slechts met moeite handhaafde, en snel de oppervlakte van de aarde naderde.
In het steeds toenemende daglicht konden zij zien, dat de schroef nu in het geheel niet meer draaide, en de bestuurder deed blijkbaar wanhopige pogingen, om de vliegmachine des ondanks veilig te doen landen, door haar in een grooten spiraal te laten dalen.
Dit ging ook goed, totdat de machine zich ongeveer vijftig meter boven den grond bevond, toen echter schoot zij schuins naar den bodem, en met luid geraas van brekend metaal en houtwerk, kwam zij terecht op een stuk bouwland.
Zoo haastig hun beenen hen wilden dragen, ijlden de vier politiemannen naar de plek waar de machine was neergekomen, en toen zij die bereikten, zagen zij tot hun verwondering, hoe een man, blijkbaar zooeven uit de half vernielde machine gestapt, zich in allerijl verwijderde.
Zij wijdden echter geen aandacht meer aan den luchtreiziger, meenende, dat de schrik hem zoodanig had aangegrepen, dat hij niet meer wist, wat hij deed, en in de vlucht zijn heil had willen zoeken.
En pas later zou blijken, dat zij daar niet goed aan gedaan hadden.…
Naast het onbruikbaar geworden vliegtuig van eigenaardigen vorm vonden zij een nog jonge, bevallige vrouw, met de rechterhand omzwachteld en die blijkbaar bewusteloos was, waarschijnlijk half verdoofd door den val, daar haar lichaam geen wonden vertoonde.
Een eind verder lag een nog jonge man op den rug uitgestrekt, eveneens bewusteloos, maar die tamelijk spoedig weder tot zich zelf kwam, en toen een tamelijk verward verhaal deed over de zoo noodlottig geëindigde vlucht.
Daar de vrouw niet uit haar bewusteloosheid ontwaakte, werd er een brancard gehaald, en zij werd naar het ziekenhuis vervoerd, ofschoon de jonge man zich daar tegen verzette.
Hijzelf was in staat, zich zonder hulp naar een hotel te begeven, en verklaarde, dat hij zoo spoedig mogelijk naar zijn reisgezellin zou komen omzien.
Maar wie schetst de verbazing van den brigadier, [19]die aan het hoofd van de patrouille stond, toen hij in de helder verlichte kamer van den ziekenhuisdirecteur de vrouw herkende, die hij zooeven had afgeleverd, het was Eleonore Manoury, een langgezochte Engelsche misdadigster, wier signalement reeds eenige weken te voren naar alle hoofdsteden der wereld was gezonden, benevens een radiografisch overgebracht portret.
Maar deze verbazing werd tot ontsteltenis, ja tot ongeloof, toen men zich herinnerde, dat Eleonore Manoury nog pas den dag te voren geroofd was uit de snijkamer van de Universiteit te Londen.
Was het dan mogelijk, dat de ontvoerders van de jonge vrouw haar in dien korten tijd, in nog geen halven dag, van Londen naar New-York hadden kunnen overbrengen?
Het leek volkomen onaannemelijk, en men moest dus wel aan een frappante gelijkenis denken.
Maar nog in den loop van den morgen bleek twijfelen niet meer mogelijk te zijn.
Na de wisseling van een aantal telegrammen met de politieautoriteiten te Londen kwam het onomstootelijk vast te staan, dat de vrouw, die men bij de vernielde vliegmachine had gevonden, inderdaad niemand anders kon zijn dan Eleonore Manoury.
Het is dus nu wel zeker, dat er een vliegmachine bestaan heeft, zoo verwonderlijk snel, dat zij den overtocht over den Oceaan binnen tien uur kan volbrengen.
Helaas is de motor volkomen vernield, en daar de uitvinder de vlucht heeft genomen, zal het moeielijk vallen, dienaangaande iets zekers te ontdekken.
Het spreekt vanzelf, dat Eleonore Manoury, zoodra zij uit haar bewusteloosheid ontwaakte, naar het politiebureau werd overgebracht, in de Een en twintigste Straat gelegen, vanwaar zij reeds morgenochtend naar de gevangenis zal worden gevoerd in afwachting van hare uitlevering aan de Engelsche Justitie.
Wat de jonge man aangaat, men stelde een val op, en toen hij zich, van geen gevaar bewust, aan het ziekenhuis kwam aanmelden, werd hij overvallen en na een hevige worsteling onschadelijk gemaakt.
Hij weigerde echter hardnekkig zijn naam te noemen, evenmin als dien van zijn medereiziger, maar de politie meent grondige redenen te hebben voor de veronderstelling, dat zij een zeer goeden slag geslagen heeft en den medeplichtige heeft weten onschadelijk te maken, van een man, wiens naam wij echter thans nog niet mogen noemen, maar die in Londen maar al te wel bekend is in politiekringen.
In onze volgende editie zullen wij nader terugkomen op deze geheimzinnige zaak.”
[20]