Dit bericht stond, zooals gezegd, in het avondblad van de „Evening Press”, welk blad reeds om half vijf aan de stations der Subways en der electrische treinen, benevens aan alle kiosken verkrijgbaar was.
En Raffles lachte tevreden toen hij het bericht onder de oogen kreeg. Flinton had er geen woord, geen lettergreep, geen leesteeken aan veranderd.
Raffles en Charly bevonden zich op dat oogenblik in de groote conversatiezaal van het Astor-Hotel, die met waarlijk vorstelijke weelde was ingericht, maar waarop zich op dat uur slechts weinig personen bevonden.
Na het bericht zelf te hebben gelezen, gaf hij het blad glimlachend aan Charly, die het op zijn beurt las, het blad langzaam opvouwde en het naast zich neerlegde.
Daarop zeide hij, terwijl hij zijn stem zooveel mogelijk dempte:
„Ik heb nu het bericht gelezen, Raffles, maar om je de gulle waarheid te zeggen, ik begrijp er nog altijd het doel en de strekking niet van.”
„Ik denk, Charly, dat je door de boomen het bosch niet gezien hebt, zooals men dat noemt,” antwoordde Raffles kalm. „Laat ik je zeggen, dat het heele bericht slechts draait, om een enkelen zin, dien je tegen het einde van het stuk zult hebben aangetroffen, de rest is bijzaak, hoewel ze natuurlijk onvermijdelijk was.”
„Welke is die zin?”
„Hij heeft betrekking op het overbrengen van Eleonore naar de gevangenis.”
„Ik begrijp niet.…”
„Mijn hemel, het is toch duidelijk genoeg,” riep Raffles eenigszins ongeduldig uit. „Stanley is hier, dat staat als een paal boven water. Om hem hier te gaan zoeken, te midden van een bevolking van drie millioen zielen, is waanzin, vooral, wanneer hij zich de eerste weken goed verborgen houdt. Men moest hem dus uit zijn tent lokken. Welnu, daarom is dat bericht opgesteld. Wanneer hij weet dat Eleonore Manoury hier is, zal hij worden aangetrokken naar de plaats, waar zij zich bevindt, als een stuk ijzer door de magneet. Bedenk eens wat het voor hem zeggen wil, als die vrouw eenmaal in de gevangenis zit, en vandaar naar Londen wordt overgebracht, om door den rechter te worden gehoord. Wat zou hij dan moeten vreezen, denk je?”
„Natuurlijk, dat zij zelf verloren zijnde, alles zal mededeelen, wat zij omtrent dien schurk weet, en dat zal wel zijn geheele verleden van misdaad en bloed zijn,” antwoordde Charly, die licht in de duisternis begon te zien.
„Zoo is het, mijn waarde. Niet alleen de wraakzucht, maar ook de zucht tot zelfbehoud, zullen er hem toe dwingen, al het mogelijke te doen, om te beletten, dat de ongelukkige vrouw spreekt. Wanneer zij echter eenmaal in de gevangenis is opgesloten, is zij aan zijn wrekende hand onttrokken en daarom moet hij tot iederen prijs trachten, haar in handen te krijgen, of haar te dooden, voor zij naar de gevangenis wordt overgebracht. Welnu, daar in het bericht vermeld wordt, dat die overbrenging reeds morgen in de vroegte plaats heeft, moest Stanley nog vannacht handelen. En daar de zaak van zeer groot gewicht voor hem is, daar het een kwestie van leven en dood mag worden genoemd, zal hij die onderneming niet aan anderen durven toevertrouwen, maar haar persoonlijk leiden. Vindt je die redeneering gezocht?” [21]
„Volstrekt niet, Raffles, zij is volmaakt logisch en ik ben een ezel, dat ik dat zelf niet aanstonds heb ingezien. Voor het oogenblik wordt Stanley slechts door onze Justitie gezocht wegens de verdenkingen, die tegen hem gerezen zijn, maar het zal misschien moeilijk vallen, de noodige bewijzen bijeen te brengen. Wanneer echter die vrouw spreekt, dan is alles voor hem verloren. Geraakt hij dan in handen van de Justitie, dan is het niet twijfelachtig, of de strop wacht hem.”
„Dat is ook mijn meening, Charly, en je zult zien, dat hij vannacht het uiterste zal wagen, om te pogen, Eleonore Manoury voor goed het zwijgen op te leggen.”
„Hoe stel je je die pogingen voor?”
„O, voor een man als hij zijn er middelen genoeg, tenminste wanneer hij reeds de kans heeft gezien, zich in verbinding te stellen met zijn medeplichtigen in deze stad. Hij kan bijvoorbeeld voor grof geld een politieagent omkoopen, die dienst doet in het politiebureau, waar zij gevangen zit, teneinde haar een of ander vergif toe de dienen. Je zet een verschrikt gezicht, Charly, maar ik zou je er aan willen herinneren, dat tijdens het proces tegen de bende van het Kwade Oog gebleken is, dat er alleen te New-York, niet minder dan vijf en veertig politieagenten, drie brigadiers en zelfs een inspecteur er lid van waren. Het is hier een zeer eigenaardig land, met zeer eigenaardige gebruiken.”
„Welke zijn de andere middelen?”
„Hij zou kunnen pogen met een troep van vijftig of zestig gemaskerde mannen, het politiebureau te overvallen, om zoo met geweld tot in de cel van de gevangene door te dringen. Ook dit behoeft je niet zoo zeer te verbazen, in den laatsten tijd zijn dergelijke overvallen aan de orde van den dag, vooral in de stille buitenwijken. Maar gelukt dit niet, of deinst hij voor dit geweldmiddel terug, dan zal hij het oogenblik kunnen afwachten, waarop de overbrenging plaats heeft, goed verborgen, met een paar ondernemende kerels, om haar dan weg te voeren, wanneer zij naar de wachtende auto geleid wordt.”
„En wat is de consequentie van dat alles?” vroeg Charly, ofschoon hij het zeer goed wist.
„De consequentie ligt voor de hand, wij zullen op onzen post zijn, en zoodra Stanley een puntje van zijn neus vertoont, zullen wij hem onschadelijk maken.”
„Als je de politie eens in kennis snelde van je plannen.”
„Dat zou ik pas in het alleruiterste geval doen. Ik meng haar liefst zoo weinig mogelijk in mijn zaken, mijn waarde.”
„En ben je zeker dat er geen ontijdige tegenspraak van het bericht kan worden gepubliceerd?”
„Dat is onmogelijk. Natuurlijk heeft waarschijnlijk toch reeds de politie aan de „Evening Press” zoowel als aan andere bladen medegedeeld, dat haar van het geheele geval niets bekend is, maar dat kunnen die bladen dan toch pas morgenochtend, omstreeks half acht, publiceeren, en de overbrenging van de politiepost naar de gevangenis heeft natuurlijk veel vroeger plaats.”
„Wij zullen dus vannacht kunnen rekenen op een paar drukke uuren?”
„Ik vrees zelfs, beste Charly, dat er van slapen weinig zal komen, maar bedenk dat het voor een goed doel is.”
„O, wat dat betreft, ik zou er voor over hebben om een week lang niet te slapen, Raffles, als ik daardoor kon bewerken, dat die schurk van een Stanley je onmogelijk meer kon benadeelen.”
„Dan hebben wij verder niets anders te doen dan onzen braven reus Henderson op de hoogte te gaan stellen van onze plannen, en het vallen van den avond af te wachten, maar niet dan nadat wij ons eens goed bekend hebben gemaakt met de plaatselijke gesteldheid van het politiebureau in kwestie, dat zich in een tamelijk breede straat bevindt. Meer weet ik er echter niet van, en een goed strateeg begint de vijandelijkheden nimmer voor hij het gevechtsterrein tot in de minste bijzonderheden kent.”
De twee mannen lieten geen tijd verloren gaan.
Zij begaven zich naar de garage van het hotel, waar wel plaats was voor een honderdtal groote auto’s en vonden daar, zooals zij wel verwachtten, James Henderson, den chauffeur van Raffles, die, nu hij de auto van zijn meester niet kon verzorgen, hier wat rondslenterde, en wat praatte met zijn collega’s, die bezig waren met het schoonmaken van een dozijn toerwagens.
Raffles wenkte hem naar buiten te komen en nu [22]deelde hij hem in enkele woorden mede wat er dien avond stond te geschieden.
Henderson had zwijgend toegeluisterd en zeide toen Raffles zijn mededeeling geëindigd had:
„Ik hoop maar een ding, Mylord, en dat is, dat wij dien bandiet levend vangen.”
„En waarom dat, James?” vroeg Raffles glimlachend.
„Omdat wij dan aan den beul te Londen zouden onthouden, wat hem van rechtswege toekomt, Mylord,” antwoordde Henderson rustig.
„Nu, als het van ons afhangt, zul je je zin hebben, Henderson,” hernam Raffles glimlachend. „En nu zullen wij eens, mijnheer Brand en ik, maar afzonderlijk, de omgeving van het politiebureau gaan opnemen. Wij treffen elkander weder hier in het hotel, waar wij zullen dineeren.”
De beide mannen knikten Henderson vriendelijk toe, die dadelijk weder in de garage verdween, en begaven zich op weg.
Zij hadden reeds eenigen tijd zwijgend naast elkander voortgeloopen, toen Charly eensklaps zei:
„Daar valt mij iets in, Raffles. Acht je het onmogelijk, dat Stanley het bericht in de „Evening Press” wantrouwt, en telefonisch nadere inlichtingen inwint aan het bureau van politie, waarbij hij zich desnoods kan uitgeven voor een detective, of iets dergelijks?”
Het gelaat van Raffles had een ernstige uitdrukking gekregen, toen hij antwoordde:
„Met een man als Stanley zullen wij inderdaad met die mogelijkheid rekening moeten houden, Charly. Natuurlijk zou het onze plannen geheel en al in duigen doen vallen, wanneer men aan het bureau van politie antwoordde, dat er van de arrestatie van Eleonore Manoury geen woord waar was. Stanley zou dan onmiddellijk begrijpen, uit welken hoek de wind waait, en hij zou er zich wel voor wachten, in den val te loopen, die voor hem is uitgezet.”
Hij dacht er een oogenblik na, en vervolgde toen:
„Je hebt gelijk, daarop mag ik het niet aan laten komen. Er is evenwel een middel, om ook dit bezwaar te ondervangen, wij moeten dan de politie in den arm nemen, en haar op de hoogte brengen van onze plannen, het spijt mij, maar het gaat niet anders. Je hebt mijn ongerustheid gaande gemaakt, en ik zie geen ander middel om die te verdrijven, dan wat ik zooeven noemde.”
„Het zou dunkt mij voorloopig voldoende zijn, indien je je in verbinding stelde met het bureau van politie, waar je beschermelinge gevangen heet te zitten.”
„Goed zoo. Wij zullen er onmiddellijk werk van maken.”
En met deze woorden trad Raffles een van die drug stores binnen, die in New-York even talrijk zijn, als het vroeger de bar’s waren, voor de invoering van de nieuwe drankwet, en waar men niet alleen medicijnen kan krijgen, alles wat men in een gewone apotheek vindt, maar ook schoensmeer, chocolade, veters, plaatsen voor een schouwburg, en nog heel wat meer zaken, die men daar niet zou meenen te vinden, en die alle voorzien zijn van een telefooncel, waarvan men voor een gering bedrag gebruik kan maken.
Het eerste wat Raffles vroeg, was, of er reeds iemand had geïnformeerd naar de waarheid van het bericht in de „Evening Press”, en hij haalde verlicht adem, toen hij een ontkennend antwoord ontving.
Hij kwam dus niet te laat.
En nu deelde hij, voor zoover hij dit noodig achtte, aan den commissaris van politie, die met hem sprak, het doel van het bericht mede, en tevens zijn verwachting, dat Stanley, die zich in New-York bevindt, tot iederen prijs zou trachten de vrouw in zijn macht te krijgen, die vroeger zijn minnares was geweest, en hem aan de galg kon brengen, teneinde haar voor altijd te beletten tegen hem te getuigen.
En Raffles noemde ronduit zijn naam, hetgeen aan den anderen kant van de lijn een kreet van verbazing verwekte.
Maar de commissaris bleek een verstandig man te zijn, hij doorzag aanstonds het geheele plan van den Grooten Onbekende, en hij ging zelfs zoover, dat hij hem de toezegging deed, zijn waakzaamheid te verdubbelen, en een aantal agenten in hinderlaag te leggen in de buurt van het politiebureau, indien Stanley, wiens signalement hij onder zijn berusting had, met zijn mannen mocht pogen, dien nacht het politiebureau te overvallen.
Er zou bovendien in het geheim een hulpafdeeling van vijf en twintig man naar het politiebureau worden [23]gestuurd, om op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn.
Maar dit was Raffles nog niet voldoende.
Misschien wilde Stanley wachten tot Eleonore Manoury door de agenten naar buiten werd gebracht, om per auto naar de gevangenis te worden vervoerd, en hij zou zeker niet uit zijn schuilplaats te voorschijn komen, alvorens zijn slachtoffer verscheen.
Er moest dus wel degelijk een voorstelling van het wegbrengen der gevangene worden gegeven, en Raffles wist den commissaris over te halen een jong, baardeloos agent in vrouwenkleeren te steken, en deze de rol van Eleonore Manoury te doen spelen.
Toen pas hing hij het toestel weder aan den haak, gerustgesteld, en met de verzekering van den commissaris nog in de ooren, dat men voorloopig aan iedereen die er naar vroeg, de verzekering zou geven, dat Eleonore zich inderdaad als gevangene in het bureau van politie bevond.
Hij voegde zich weder bij Charly, die voor de groote toonbank op een rietje zoog, gedompeld in een groote glas orangeade, en de jonge man zag aanstonds aan het gelaat van Raffles, dat hij geslaagd was, en dat thans alles naar wensch ging.
„Mij dunkt, dat wij nu vrijwel overbodig zijn geworden, bij de afwikkeling van het treurspel,” zeide Charly, zoodra de beide vrienden weder op straat kwamen.
„Minder dan ooit,” antwoordde Raffles. „Ik ben wel degelijk voornemens ter plaatse aanwezig te zijn, teneinde mij met eigen oogen te overtuigen, dat alles goed gaat.”
„Maar veronderstel dat Stanley ondanks alles wegblijft?”
„Wel, dan zullen wij eenvoudig naar andere middelen moeten uitzien, om hem te noodzaken, zijn schuilplaats te verlaten, en zich aan ons te vertoonen. Ik ben nu eenmaal hier en ik blijf hier, totdat ik mijn doel bereikt heb.”
De beide vrienden riepen nu een auto aan, die hen tot aan het begin van de een en twintigste straat bracht, waar zij den chauffeur afdankten, en te voet verder gingen, langzaam slenterend, als touristen, die allen tijd hebben, en zich volstrekt niet behoeven te haasten.
Zoo bereikten zij het politiebureau, een tamelijk groot gebouw, ingesloten tusschen de andere huizen, en dat er zich alleen van onderscheidde door de groote toegangsdeur, het roode nummer daarboven geschilderd, en de agenten, die wat aan de deur stonden te luieren, of op de kleine bank terzijde daarvan zich in den aanblik van het straatverkeer verlustigden.
De een en twintigste straat is omstreeks twee en twintig meter breed, en zoo recht als een liniaal over haar geheele lengte.
Zij heeft een groot aantal zijstraten, die haar rechthoekig snijden, ongeveer een twintigtal van Broadway tot aan Birds Walk.
De straat had zeer veel winkelhuizen, en voor het overige voor het meerendeel woonhuizen van den kleinen burgerman en van gegoede arbeiders.
Raffles had dit alles met een oogopslag opgenomen, terwijl de beide vrienden langzaam langs het politiebureau drentelden.
Toen zij er een meter of vijftig voorbij waren, begon Raffles:
„Men zou, wanneer men zich verdekt opstelde, achter een venster van een der huizen tegenover het politiebureau, en wanneer men een tamelijk goed schutter was, niet veel moeite hebben om iemand neer te leggen, die van de deur van het politiebureau naar een wachtende auto wordt vervoerd.”
„Dat zou voor den agent, die de rol van de vrouw moet spelen, noodlottige gevolgen kunnen hebben!” riep Charly verschrikt uit.
„Ik zal dan ook den commissaris telefonisch meedeelen, dat hij een oogje in het zeil moet houden, en de huizen aan den overkant zorgvuldig laat bewaken, maar natuurlijk zonder dat het in het oog valt, want Stanley is een zeer achterdochtig man, die bij het minste teeken van onraad weer in zijn hol zou kruipen. En laten wij nu maar eens terug gaan. Daarginds is een tramhalte, waar wij geruimen tijd kunnen stilstaan, zonder dat het opvalt.”
De twee mannen liepen tot aan de aangeduide halte, die zich schuin tegenover het politiebureau bevond, en stonden daar stil, terwijl zij hun blikken op het gebouw gevestigd hielden.
Er liepen een paar agenten in en uit, en de beide vrienden stonden er nog nauwelijks een paar minuten, of zij zagen dat er een kerel werd binnengebracht, die nauwelijks op zijn beenen kon staan, en zich, het drankverbod ten spijt, op een raadselachtige [24]wijze had weten te bedrinken, zeer waarschijnlijk aan gewone brandspiritus.
„Een spion,” zeide Raffles droogjes, toen de man verdwenen was. „Een spion van Stanley, wees daar maar zeker van. Die kerel moet zeker trachten uit te vinden, waar Eleonore ergens opgesloten zit. Wacht een oogenblikje, ik ga telefoneeren.”
En Raffles verdween opnieuw in een apotheek, om tien minuten later met een vergenoegd gelaat terug te keeren.
„Ik geloof, dat ik goed gedaan heb, dien commissaris nog eens lastig te vallen,” zeide hij zachtjes. „Men houdt een dronkaard nooit zoo lang vast, en men zou dien schavuit zeker weer voor middernacht op vrije voeten hebben gesteld, met volle vrijheid om aan Stanley te gaan vertellen, wat hij ontdekt had.”
„En wat geschiedt er nu?”
„Wel, men zal den man ook laten gaan. Maar er is reeds voor een valsche Eleonore gezorgd, een piepjong agentje, die veel vermaak in de zaak heeft, en die zijn rol zeker voortreffelijk zal spelen. De overigen hebben instructie gekregen, om den gewaanden dronkaard op een dwaalspoor te brengen, en als de man weggaat, zal hij heel nauwkeurig op de hoogte zijn van de cel, waar de beklagenswaardige vrouw opgesloten heet te zijn. Het is een heel voordeelige cel, tenminste voor onze partij. Zij is gelegen aan de achterzijde van het politiebureau, en ziet uit op een ruime binnenplaats aan alle kanten omgeven door hooge muren, die echter voor een paar goede klimmers geen gevaar zullen opleveren. Waarschijnlijk zullen de schurken het doen voorkomen, alsof zij Eleonore komen redden, zij zullen het getraliede venster van buiten af gemakkelijk kunnen bewerken, en eenmaal buiten is de vrouw natuurlijk verloren en desnoods schieten zij haar door het venster neer.”
„Je praat er nog al licht over, Raffles,” riep Charly verschrikt. „En de agent die binnen is? Wat moet daarmee?”
„Hij zal op het laatste oogenblik vervangen worden door.… een pop, mijn waarde, en niet het minste gevaar loopen. Hij moet echter zijn rol spelen, omdat de gevangenen eenmaal per dag op de binnenplaats gelucht worden onder toezicht van gewapende agenten, en er zullen wel handlangers van Stanley in de buurt zijn, die dit zien, om niet te spreken van den zoogenaamden dronkaard.”
„En als die kerel haar tijdens het luchten overvalt en neersteekt?”
„Men heeft hem al gefouilleerd, hij had slechts een ploertendooder bij zich, en die is hem natuurlijk afgenomen, en ik weet ook niet of Stanley hier in New-York wel mannen zou vinden, bereid, om voor hem naar den electrischen stoel te wandelen.”
„En wij, wat doen wij?”
„Wel, wij treden voorloopig als toeschouwers op, bereid om in te grijpen, zoodra dit wenschelijk mocht blijken, en de politie ondanks alles aan het kortste eind blijkt te zijn. En ga nu maar mede, Charly, want het uur voor het middagmaal breekt aan, en ik geloof niet, dat wij hier verder nog iets te doen hebben. Maar ga eens mede naar de achterzijde van het gebouw, misschien valt daar wel iets te ontdekken.”
De twee mannen gingen een dwarsstraat in, en liepen deze langzaam door, waarbij zij ook den hoogen muur van de binnenplaats passeerden, die achter het bureau gelegen was.
Maar zij zagen niets anders wat hun belangstelling trof, dan eenige verdachte kerels, die in deze stille straat rondslenterden.
Zij keerden weder naar de een en twintigste straat terug, namen daar een auto, en lieten zich naar het Astor-Hotel terugbrengen, waar zij in de groote eetzaal, na zich te hebben verkleed, dineerden.
Het was er zeer druk, en Raffles amuseerde zich met het bestudeeren van de talrijke types, die men hier aantrof, en dacht naar allen schijn geen oogenblik aan het gevaarvolle avontuur, dat hem te wachten stond.
Charly echter gevoelde zich onrustig, want hij wist maar al te goed, met welk een tegenstander men te doen had, en Stanley zou zeker, als hij zich verraden zag, een vreeselijken wraak zweren aan zijn vijand, wiens hand hij spoedig genoeg in dit complot moest herkennen.
Raffles echter was in een voortreffelijke stemming, en zelden had Charly hem zoo geestig hooren vertellen over zaken, die met het complot van dien avond volstrekt niets te maken hadden.
Het liep reeds tegen half tien, toen Raffles opstond, en op zachten toon tot Charly zeide: [25]
„Kom mee, het wordt tijd. Wij zullen ons een weinig moeten vermommen naar ik vrees, teneinde zoo weinig mogelijk opzien te baren in de buurt. Het oogenblik om te handelen is aangebroken, mijn waarde, want als niet alle voorteekenen ons bedriegen, dan knabbelt de muis op dit oogenblik aan het spek.”