Het was bijna elf uur in den avond, toen Raffles, Charly en Henderson, onkenbaar vermomd als passagierende zeelieden de een en twintigste straat bereikten, en deze langzaam inslenterden.
De straat was helder verlicht, vele lichtreclames brandden nog, en de voorgevels van de bioscopen en een paar kleine schouwburgen, waar revues gegeven werden, schitterden van licht.
Het was nog tamelijk druk in deze straat, maar toch zou het niet lang duren, of de schouwburgen en bioscopen werden gesloten, de lichtreclames zouden worden uitgedaan en dan zou het hier tamelijk duister zijn.
Niets aan het bureau van politie verried, zooals Raffles tot zijn genoegen zag, dat men daar op zijn hoede was en dat de val behoorlijk was opgesteld.
Boven de deur, die evenals des daags openstond, brandde nu een groote, roode lantaarn.
Voor de deur stonden een paar agenten te praten, en Raffles kon niet nalaten op te merken:
„Zie eens, wat een idyllisch tafreeltje! Men zou het willen uitschilderen. De twee agenten zien er uit, alsof zij geen vlieg zouden kunnen kwaad doen, maar ik bemerk tot mijn vreugde, dat zij beiden de revolvertasch dragen.”
De beide mannen posteerden zich een weinig verder, terwijl Henderson de opdracht kreeg de achterzijde van het politiebureau eens te gaan verkennen.
Raffles en Charly stonden daar nog geen tien minuten of in de deur van het gebouw verscheen een man, dien zij aanstonds herkenden, het was de dronkaard van dien middag.
Een stoere agent van politie deed hem uitgeleide en maakte het gebaar, alsof hij den dronkenlap een schop wilde toedienen op die plek van het lichaam, welke daarvoor het best geschikt is, waarop de man haastig, de vuist tegen den agent schuddend, beenen maakte, en spoedig te midden der voorbijgangers, die thans de verschillende openbare vermakelijkheden begonnen te verlaten, verdween. [26]
„Nu gaat hij rapport uitbrengen,” zeide Raffles zachtjes. „Wij hebben dus zeker nog wel eenige uren den tijd.”
Een oogenblik zwegen de beide mannen en toen begon Charly:
„Weet je wat wij missen, Raffles?”
„Een goede sigaret, mijn waarde. Ik heb vergeten er bij mij te steken.”
„Neem dan mijn koker, maar dat bedoelde ik niet. Ik meen, dat wij de beschikking moesten hebben over een snelle auto, want ik acht het zeer waarschijnlijk, dat Stanley daar ook wel van voorzien zal zijn, en wat moeten wij doen als, de man er in slaagt te ontsnappen.”
„Je bent vandaag sterk in het maken van opmerkingen, die hout snijden, Charly,” zeide Raffles goedkeurend. „Wij moeten daar inderdaad rekening mee houden. Natuurlijk beschikt de politie over een auto, maar ik ken die voertuigen. Voor men er een bij de hand heeft, is de misdadiger meestal reeds lang verdwenen, lees er de berichten in de New-Yorksche bladen maar eens op na. De zaak is, waar halen wij op dit uur van den avond hier in de buurt nog een snelle auto vandaan en waar moeten wij het ding laten.”
„Wat dat betreft, kan ik je helpen; vanmiddag heb ik in een van de zijstraten hier vlak bij een garage ontdekt, en op een van de groote vensterruiten stond geschilderd: „Dag en Nacht geopend.”
„Er naar toe,” zeide Raffles. „Er zal hier wel ergens in de buurt een plek zijn, om het ding te stallen.”
„Geen tien passen hier vandaan is een stal van de brandweer, Raffles.”
„Maar mijn hemel, Charly. Je hebt vandaag eenvoudig geniale ingevingen,” zeide Raffles lachend. „Het kon niet mooier. Wij zullen ons eenvoudig voordoen als detectives, en men zal ons zeker wel toestaan, onzen wagen daar tijdelijk te verbergen. De groote deuren zullen des avonds wel open worden gezet, en op het eerste teeken kunnen wij uittrekken. Kom snel mede. Henderson zal wel blijven wachten, totdat wij terug zijn gekeerd.”
Charly, die een kleur van genoegen had gekregen bij Raffles’ lofspraak, bracht hem snel naar de zijstraat, en zoodra zij den hoek hadden omgeslagen, zag Raffles het groote verlichte reclamebord van de garage.
Zij liepen er haastig op toe, maar eensklaps rukte Raffles Charly bij den arm op zijde, en trok hem in de schaduw van de huizen.
„Wat is er?” vroeg de jonge man verschrikt.
„Kijk daar maar eens, daar komt onze dronkaard aan, en hij tuimelt regelrecht op de garage af. Hij is zeker omgeloopen om te telefoneeren, en ik denk, dat zij daar hun wagen gestald hebben.”
„Je hebt gelijk, hij is het,” fluisterde Charly.
De beide vrienden bevonden zich op dit oogenblik geen twintig stappen van de groote deur van de garage waaruit een breede lichtbundel naar buiten stroomde.
En zoo duidelijk alsof het dag was, zagen zij den gewaanden dronkaard, een grooten roodharigen kerel, de garage binnen stappen, en op een der chauffeurs toeloopen, met wien hij begon te spreken.
Hij liet een papiertje zien, dat er uit zag als een reçu, en de chauffeur liep langs de rijen wagens van verschillende soort, tot hij stilstond voor een grooten, groengelakten wagen.
Met drie zijner makkers duwde hij den wagen uit de rij, en bracht hem naar het breede middenpad, dat met groote vierkante stoepsteenen geplaveid was.
Hij draaide den motor aan, en de roodharige man ging achter het stuurwiel zitten.
Langzaam reed het voertuig de garage uit, en aan de beweging van het stuurwiel zag Raffles, dat de wagen hun kant zou uitkomen.
„Wacht een oogenblik op mij,” fluisterde hij Charly toe.
De wagen had nog niet veel vaart toen zij de garage uitreed, en uit de duisternis sprong Raffles vlug als een hert te voorschijn en liep even met de auto mede.
Charly zag hem met de rechterhand een vlugge beweging maken, de auto loslaten, haar even nakijken, en daarop weer terugkeeren.
„Wat heb je gedaan?” vroeg Charly nieuwsgierig toen Raffles zich weder bij hem gevoegd had.
„Een klein gaatje in den benzinehouder geprikt,” antwoordde Raffles laconiek. „Het kan altijd te pas komen. Het is niet grooter dan een speldeknop, maar over eenige uren zal er toch niet meer in den benzinehouder over zijn, dan voldoende is om den wagen nog tien of twintig kilometer te laten loopen.”
„Uitstekend, mits de schurken het maar niet opmerken.” [27]
„Als zij het doen, ben ik een zet ten achter bij ons spel, en dat is alles,” zeide Raffles schouderophalend. „Maar laten wij nu op onze beurt gaan zorgen voor een snellen wagen.”
De twee vrienden traden de garage binnen, en vroegen den eigenaar te spreken, een zwaarlijvig man in hemdsmouwen, met een geweldig groote, zwarte sigaar in den hoek van zijn mond, die daar wel vastgeschroefd scheen te zijn.
Raffles nam de man een weinig terzijde en zeide:
„Mijnheer, wij zijn detectives in particulieren dienst, en wij hebben voor dezen nacht een zeer snellen wagen noodig, de snelste in uw garage. Wij hebben die noodig om een paar dieven te vangen.”
„Het kan mij niets schelen, wie gij zijt, en ook niet wat gij met den wagen doet, al zoudt gij er regelrecht mee in de Hudson willen rijden, als gij er maar voor betaalt, de huur en de garantiesom vooruit,” zeide de eigenaar laconiek.
„Dat is zaken doen,” zeide Raffles glimlachend. „Noem uw prijs, en ik betaal hem.”
„Dertig dollar voor huur, duizend dollar garantie,” hernam de garagehouder even kalm.
„Ik betaal het, als de wagen inderdaad goed is.”
„Kom maar mede, dan kunt gij hem zien.”
En de man bracht Raffles en Charly naar een afgelegen plekje van de reusachtige garage, waar een wagen stond vrij laag op de wielen, met een geweldig groote motorkap, een zeer schuin geplaatste stuurstang en een benzinehouder, groot genoeg om de auto zonder ophouden van New-York naar Chicago te brengen.
Raffles had dit alles met een oogopslag gezien.
Hij maakte de kap van den motor los, en de aanschouwing van de acht cylinders daarbinnen deed hem tevreden glimlachen, en de kap weder sluiten, nadat hij zich had overtuigd, dat de motor nog bijna nieuw was, en op zijn minst tachtig paardenkrachten zou ontwikkelen.
Hij keek even naar de banden, onderzocht de twee reserve-wielen, die achter op de auto bevestigd waren, haalde toen zonder een woord te spreken, zijn portefeuille uit zijn zak, betaalde de huur en de garantiesom, liet zich een reçu geven op den naam Brown, zag toe dat de benzinehouder tot den rand werd gevuld, overtuigde zich nog even dat dit voorwerp niet lekte, en nam achter het stuurwiel plaats, terwijl Charly naast hem ging zitten.
Een oogenblik later rolde de renwagen de garage uit, en Raffles wist binnen enkele seconden, dat hij zich de diensten verzekerd had van een voortreffelijk voertuig, dat op een vlakken weg zeker een snelheid van honderdvijftig kilometer zou kunnen ontwikkelen als het noodig mocht zijn.
„Nu naar de brandweerkazerne,” zeide hij opgewekt. „Tot dusverre gaat alles voortreffelijk. Ik geloof niet, dat ik bijzonder veel van de Yankees houd, maar zij hebben een goed ding, zij praten niet veel en weten wat zaken doen is.”
Vijf minuten later wees Charly Raffles de geweldig hooge, breede deuren aan van de brandweerkazerne en nogmaals vijf minuten later had Raffles toestemming gekregen daar zijn kleinen wagen te mogen stallen, op een plek, waar hij niet in den weg stond, en van de straat af onzichtbaar was.
Toen de twee mannen weder naar buiten traden, kon Raffles zich overtuigen, dat de brandweerpost nauwelijks tachtig stappen verwijderd was van het politiebureau, en daar schuins tegenover lag, een gelukkige omstandigheid, want het was nog steeds denkbaar, dat zich handlangers van Stanley verscholen hadden in een van de huizen recht tegenover het politiebureau, en dus aan dezelfde zijde van de straat als de brandweerkazerne gelegen.
De twee mannen vonden Henderson geduldig, hoewel een weinig ongerust op hen wachten.
„Iets bijzonders ontdekt, Henderson?” vroeg Charly.
„Niets, mijnheer Brand. De straat achter het bureau is zoo verlaten als het Hoogerhuis op een Zondag.”
„Dat kan ook bijna niet anders,” zeide Raffles. „Het is nog te vroeg, de straten zijn nog te druk en Stanley moet zeker nog wel een uur op zijn minst wachten.”
„Waar zou die roodharige bandiet met zijn auto zijn heengegaan?” vroeg Charly, nadat hij Henderson had medegedeeld, wat er reeds verricht was.
„Vermoedelijk Stanley en zijn helpers gaan halen,” antwoordde Raffles.
„Zou de hoofdcommissaris zijn posten al hebben uitgezet?” [28]
„Dat heeft hij zeker gedaan, als hij een verstandig man is, want deed hij het nu, dan zou het wellicht gezien worden. Je behoeft er niet aan te twijfelen, of het politiebureau wordt reeds op dit oogenblik door de spionnen van Stanley in het oog gehouden.”
Charly had een blik op zijn horloge geworpen.
Het was kwart over twaalven.
Reeds was de een en twintigste straat in een halve duisternis gedompeld, want de winkeliers hadden reeds lang hun étalagelichten gedoofd, en alle schouwburgen en bioscopen waren gesloten, op slechts een na, een van die inrichtingen, waar de film dag en nacht doorrolt, ten behoeve van de bioscoopmaniakken, die er zelf een deel van hun nachtrust voor over hebben, om die aan hun geliefkoosde uitspanning te offeren.
Deze bioscoop echter lag op zijn minst een halve kilometer verder en van haar licht zou men zeker geen last hebben.
De drie mannen wachten nog eenigen tijd, en om bij eenen begaven zij zich behoedzaam een voor een naar de achterzijde van het politiebureau, want daar was het, dat de aanslag zou ondernomen worden, tenminste wanneer Stanley niet liever het oogenblik wilde afwachten, waarop Eleonore Manoury naar de gevangenis zou worden vervoerd.
Zij vatten post op eenigen afstand van den hoogen muur in de breede portiek van een groot kantoorgebouw.
Hier konden zij zien, zonder zelf te worden ontdekt.
Maar reeds na een kwartier zou het Raffles blijken, dat Stanley er niet de man naar was om zonder de noodige voorzorgsmaatregelen te handelen.
Want eensklaps stootte Charly hem aan en fluisterde hem zeer zacht toe:
„Daar komt iemand aan, een agent van politie is het niet. Zie maar, die zwarte gedaante daarginds.”
Raffles tuurde een oogenblik in de duisternis, en antwoordde toen:
„Je hebt gelijk, het is zeker een spion, die in opdracht heeft de portieken te onderzoeken, om zich te overtuigen, dat zich daar niemand bevindt.”
„Wil ik den kerel eens even aanspreken, Mylord?” vroeg Henderson, terwijl hij zijn geweldige vingers tot vuisten balde, als om den aard van het te voeren gesprek duidelijk te maken.
„Geen denken aan, Henderson,” antwoordde Raffles. „Je geweldige lichaam zou dadelijk zichtbaar zijn, en voor je tien stappen had gedaan, zou die kerel het waarschuwingssein hebben gegeven, en de andere, die zeker reeds in de buurt zijn, zouden weten waaraan zij zich te houden hebben, en wij zouden wel dadelijk rechts-om-keert kunnen maken. Laat mij maar eens begaan.”
Raffles stak de hand in zijn zak, hij nam er een eigenaardig gevormd pistool uit, wat de Amerikaansche misdadigers een „silent gun” noemen, een vuurwapen, dat bij het afgaan niet het minste gerucht maakt.
„Wil je den kerel neerschieten?” vroeg Charly fluisterend.
„Ik zal hem niet dooden, er zit op dit luchtpistool een stalen pluimpje, dat den man slechts zal schrammen, maar hem onmiddellijk bewusteloos zal maken. Dan slepen wij hem hierheen, en hij is onschadelijk.”
Intusschen was de donkere gedaante sluipend tot op een afstand van twintig schreden genaderd, en zijn oogen schenen de duisternis te willen doorboren.
Plotseling stond hij stil, hij scheen iets gezien te hebben in de breede portiek.
Snel bracht hij de hand naar den mond, maar reeds had Raffles zijn pistool opgeheven en den trekker overgehaald.
Er liet zich een geluid hooren, dat veel op een zucht geleek, en op hetzelfde oogenblik zakte de gestalte ineen en bleef roerloos liggen.
„Ga hem eens halen, Henderson,” beval Raffles.
Met een paar stappen was de reus bij den gevallene, en zonder eenige moeite sleepte hij hem naar het portiek, waar hij hem in een hoek neerlegde.
Raffles trad op den man toe, en zag dat hij een nikkelen fluitje nog in de vingers geklemd had.
„Het was tijd, zooals je ziet,” zeide hij laconiek. „Deze man blijft op zijn minst zes uren in dien toestand, en dan ontwaakt hij uit zichzelf, waarschijnlijk met wat schele hoofdpijn, maar zonder andere nadeelige gevolgen. Om hem behoeven wij ons dus niet meer te bekommeren.”
De drie mannen wijdden nu weder al hun aandacht aan den hoogen muur, en een half uur later werd hun geduld beloond.
Eerst vernamen zij in de verte het gedempte geluid van een automobielmotor, dat langzaam scheen te naderen, en toen ophield. [29]
Daarop gebeurde er eenigen tijd niets, maar eensklaps doemde er een viertal gedaanten uit de duisternis op, en een daarvan droeg een voorwerp, dat er uitzag als een zeer korte ladder.
Het ding werd uitgeschoven, en zachtjes tegen den muur geplaatst.
Henderson, die zijn woede en ongeduld bijna niet kon bedwingen, vroeg fluisterend:
„Waarop wachten wij nog, Mylord, om wat opruiming onder die boeven te houden?”
„Stil, Henderson,” antwoordde Raffles. „Wij bemoeien ons in het geheel niet met de zaak, heb ik reeds gezegd, tenzij het volstrekt noodzakelijk mocht blijken. Wees er maar zeker van, dat er op de binnenplaats agenten in hinderlaag liggen, die de vier bandieten gemakkelijk zullen weten te overmeesteren, tenminste wanneer zij allen over den muur klimmen.”
„Zou Stanley er niet bij zijn?” vroeg Charly bijna onhoorbaar.
Raffles antwoordde niet dadelijk, maar hij spande zijn oog tot het uiterste in, om de duisternis te kunnen doorboren.
Toen greep hij Charly bij den arm, en de jonge man had bijna een kreet van pijn geslaakt, zoo knelde hem de stalen greep van de gespierde vingers.
„Hij is het,” fluisterde Raffles heesch. „Ik zal.…”
Maar juist op dit oogenblik zag hij Stanley vlug als een kat de stalen ladder beklimmen, en het volgende oogenblik was hij over den rand van den muur verdwenen.
Twee zijner helpers volgden hem, terwijl de vierde man aan den voet van de ladder stand bleef houden.
De oogen van Raffles schitterden, en hij haalde diep adem.
„De muis is in den val geloopen, en ditmaal zal hij zijn lot wel niet ontkomen,” fluisterde hij.
„Zouden wij dien kerel bij die ladder niet kunnen overvallen?” vroeg Charly, wiens spanning ten top was gestegen.
„Onmogelijk,” antwoordde Raffles. „Hij is te ver van ons af, en wij moeten de straat oversteken. Voor wij bij hem zouden zijn, kan hij op ons vuren en of hij ons raakt of niet, in ieder geval waarschuwt hij door het schot zijn medeplichtigen, en wat kunnen mij, alles wel beschouwd, die lieden schelen. Het is mij om Stanley te doen, en om niemand anders. Hij is nu al op de binnenplaats en het drama zal zich binnen enkele minuten wel voltrokken hebben.”
„Kun je den man bij de ladder niet met je windpistool neerleggen, als den anderen bandiet?” vroeg Charly.
„Het pistool draagt slechts een meter of tien ten hoogste, en de afstand van hier tot aan de ladder is zeker vijf maal grooter.”
Juist op dit oogenblik klonken er snel achter elkaar drie revolverschoten.
Nauwelijks had de man aan den voet van de ladder dit gehoord, of hij bracht een fluitje aan den mond, en aanstonds klonk tot op verren afstand het snerpend gefluit.
Onmiddellijk daarop liet zich op eenigen afstand het geluid van den ronkenden motor weder hooren.
„Snel, snel, Charly, haal de auto,” riep Raffles, ten prooi aan een opwinding, die hem anders vreemd was. „Wij moeten beletten, dat hij ons nog op het laatste oogenblik ontsnapt. Haast je. Wij zullen je tegemoet loopen, zoodra wij weten wat hier geschied is, en je door seinen waarschuwen waar wij zijn.”
Zoo snel zijn voeten hem dragen wilden, ijlde Charly heen, teneinde de auto uit de brandweerkazerne te gaan halen.
En intusschen werd het geraas van den motor snel duidelijker, tot er een groot, log lichaam naderde in de duisternis.
Het was een auto, waarvan de beide lantaarns slechts een spaarzaam licht verspreidden, waarschijnlijk om den wagen zoo min mogelijk in het oog te doen vallen.
De man, die nog altijd de wacht hield bij de ladder, was er snel opgeklommen en keek nu over den muur op de binnenplaats, teneinde te zien wat zich daar afspeelde.
Raffles en Henderson zagen, hoe hij zijn revolver trok en mikte.
Maar voor de bandiet den trekker kon overhalen, had Raffles hem een kogel toegezonden, die den man in de dij raakte, zoodat hij met een gebrul van pijn en woede van de ladder tuimelde.
Maar reeds vertoonde zich een gestalte op den muur, die er zooeven op was geklommen, komende van de binnenplaats.
Dadelijk had Raffles hem herkend, ondanks de [30]duisternis, het was zijn doodsvijand.… het was Irwin Stanley.
Voor hij nog had kunnen vuren, had de schurk zich met een katachtige behendigheid van de ladder laten glijden, na nog eens zijn revolver op de agenten te hebben afgevuurd, die zich op de binnenplaats bevonden.
De bestuurder van de auto had hem eveneens reeds gezien en kwam nog nader met zijn wagen, terwijl Stanley het voertuig tegemoet liep.
Het volgend oogenblik had hij zich in de auto geworpen, die zich dadelijk in beweging stelde.
Dit alles was in veel minder tijd geschied, dan noodig was om het te beschrijven.
Reeds kwam de auto aansnellen en Raffles en Henderson, die midden op straat stonden, moesten snel terzijde springen, ten einde niet onder de wielen te komen.
De wagen suisde snel voorbij, maar toch niet zoo snel, of de twee doodsvijanden hadden elkander herkend, en beide tegelijk schoten.
Maar de twee schoten misten beiden hun doel en de auto vloog voorbij en reed weg.
Zij sloeg den hoek van de straat om en begaf zich blijkbaar naar de een en twintigste straat die een groote snelheid veroorloofde.
Raffles bracht zijn signaalfluit aan den mond, en luid klonk het sein door den stillen nacht. Charly zou het stellig hooren.
Ja, daar klonk reeds het antwoord, met den hoorn gegeven, het was de hoogste tijd.
Raffles en Henderson snelden op het geluid af, en even later ontwaarden zij den renwagen, die juist de zijstraat wilde inrijden.
Raffles wuifde met de hand, Charly bracht den wagen weder in de breede hoofdstraat en Raffles en Henderson wipten in den lagen wagen, de eerste naast Charly.
„Daar gaan zij!” schreeuwde Henderson, op een punt in de verte wijzend, dat zich snel verwijderde.
De reus had goed gezien, ongeveer tweehonderd meter voor hen uit vloog de auto van Stanley over den weg.
„Hem na, Charly,” beval Raffles, die de tanden opeengeklemd had. „Wij moeten hem inhalen, het kost wat het kost.”
Reeds had Charly den hefboom overgehaald en op de hoogste versnelling sprong de renwagen als het ware vooruit.
In helsche vaart stoof de auto door de lijnrechte straat, en het was goed, dat die op dit late uur van den nacht zoo goed als geheel verlaten was.
Het duurde niet lang of het bleek, dat de renwagen op de auto van Stanley won, ofschoon ook deze zeer snel moest zijn.
Na een half uur was de grens van de wereldstad bereikt, en slechts vijftig meters scheidden de beide auto’s.
Raffles richtte den blik naar den grond, op het witte grint van den buitenweg, waarop nu de renwagen voortstormde, was duidelijk een zeer dun spoor te zien, het was de benzine, die gestadig uit de reservoir van Stanley’s auto druppelde.
„Wij zullen hem inhalen,” mompelde Raffles, de vuisten ballend, „al zou ik er zelf het leven bij laten.”
De auto’s waren nu zoo dicht bij elkaar, dat duidelijk te zien viel, hoe Stanley den man met het roode haar, die de auto uit de garage had gehaald, tot grooter spoed scheen aan te zetten.
Herhaaldelijk keek de schurk achter zich ten einde den afstand te schatten.
Men naderde nu den spoorweg, die hier twee maal den weg kruist, en deze steeg op dit punt tamelijk steil, zoodat de vaart aanmerkelijk vertraagde.
Reeds waren de twee auto’s den eersten overweg gepasseerd, die niet, zooals in Europa, van afsluitboomen zijn voorzien.
Stanley had zich in de auto opgericht en braakte de lasterlijkste verwenschingen tegen zijn vervolgers uit.
Hij vuurde tweemaal op Raffles, zonder hem te treffen; wat ook bijna onmogelijk was wegens het slingeren van beide wagens.
Daar kwam de tweede overweg in het zicht.
En tegelijkertijd klonk op eenigen afstand een gillend gefluit, het was de nachttrein van Chicago naar New-York, die in toomelooze vaart over de glinsterende rails voortsnelde, getrokken door zijn geweldige locomotief.
Onwillekeurig matigde Charly de vaart van zijn wagen.
Maar de auto van Stanley snelde steeds voort.
Steeds duidelijker klonk het oorverdoovend geraas, [31]door den voortjagenden trein veroorzaakt, waarvan de lichten nu zichtbaar waren.
Nu had de auto van Stanley den overweg bereikt, en het volgend oogenblik bevond zij zich op de rails.…
Hoewel Charly uit alle macht remde, daar hij wel voorzag, niet voor den trein den overweg te kunnen oversteken, vloog de wagen nog zoover voort, dat hij nauwelijks tien meter voor den overweg stil stond.
Daar naderde de trein, en de lantarens van de locomotief schitterden als de oogen van een vreeselijk monster.
En.… de auto van Stanley stond stil midden op het spoor.…
Boven het geraas van den trein uit klonk een gillende kreet van doodsangst en ontzetting.
Stanley was weder opgestaan en wilde uit de auto springen, die blijkbaar niet verder kon wegens het gebrek aan benzine.…
Maar hij was een halve seconde te laat.…
De trein kwam aanstormen, en het leek, alsof hij zich op de auto stortte.
Een vreeselijk gekraak werd vernomen.… tot op honderd meters afstand werden de versplinterde deelen van de auto weggeslingerd.
En nog even konden de drie mannen zien, hoe de machinist zich naar buiten boog en een gebaar van wanhoop maakte.…
Toen was alles voorbij.…
Raffles en Charly staarden elkander een oogenblik stom aan.
Toen zeide de Groote Onbekende zachtjes:
„Zoo moest het komen, een hoogere macht heeft uitspraak gedaan over een monster in menschengedaante.”