„Ben je er wel heel zeker van, dat je het geheime wachtwoord bezit?” vroeg Charly Brand zijn vriend, lord Lister, die zich juist door zijn bediende liet helpen bij het aantrekken van zijn zware pelsjas.
De lord lachte.
„Maak je maar niet ongerust, Charly! Het zaakje is in orde! Doordat ik des nachts mijn telefoondraad aansloot op de hoofdlijn en daardoor een tusschenverbinding tot stand bracht, ben ik al veertien dagen lang in de gelegenheid geweest om de gesprekken met de Londensche en de Zuid-West Bank af te luisteren en vooral die welke de directie van het hoofdkantoor hield met de bijkantoren.”
„En heb je het wachtwoord gehoord?”
„Well, my boy.”
„En hoe is het verder gegaan? Ik brand gewoonweg van nieuwsgierigheid!”
Lord Lister streek zich eens door de donkere snor.
„Ik heb naar de verschillende directies van dertien bijkantoren geschreven, dat een bedrag van vijfhonderd pond voor zekeren Samuel Rottwell op hun bank is ingeschreven. Deze brieven heb ik onderteekend met den naam van den directeur der depositobank.”
„En geloof je niet, dat een der bankdirecteuren achterdocht zal koesteren?”
„Geen kwestie van, Charly. Je weet, dat ik in dergelijke zaken met pijnlijke nauwgezetheid handel. Het opschrift der firma, het stempel, alles is all right! En al mag bij een enkelen bankdirecteur ook eenige twijfel rijzen, dan zal dadelijk het wachtwoord dien twijfel weer doen verdwijnen!”
Een lakei verscheen.
„Wenscht u een chauffeur?” vroeg de man. [2]
Charly Brand maakte een afwerende beweging met de hand.
„Niet noodig! Ik zal zelf sturen!”
De lakei boog diep en verliet het vertrek.
Charly Brand trok nu een lange automobieljas aan, waarvan het bont naar buiten was gekeerd, zoodat hij veel geleek op een ijsbeer.
Zijn gezicht was bijna geheel bedekt door de groote automobielpet. Hij ging de trap af, gevolgd door lord Lister en bracht de roode, elegante automobiel in orde.
Langzaam bewoog de fraaie kar zich voorwaarts en tufte door het drukste deel van Londen.
Voor de depositobank in Vauxhall hield het voertuig het allereerst stil.
Lord Lister stapte uit met onverschillig gebaar.
De portier van de Bank deed de deur open en boog diep.
Lord Lister ging binnen en begaf zich naar de kassa.
„Mijn naam is Samuel Rottwell,” stelde hij zich voor.
De hoofdkassier haalde gauw het kasboek te voorschijn, waarin de handteekeningen geplaatst moesten worden.
In groote, duidelijke letters schreef hij de woorden:
Fred Harry Rolph Samuel Rottwell.
Toen schreef hij, met een handigheid alsof hij duizendmaal die handteekening had geplaatst, een bijna onleesbaren krabbel.
De ambtenaar keek even met onderzoekenden blik naar een en ander, knikte, wierp toen een vluchtigen blik naar den voornamen jongen man en overhandigde daarop den nieuwen klant een chêque-boek.
Mr. Rottwell vulde dadelijk een der bladen voor een bedrag van honderd pond in.
„Ge wilt zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij negentig pond in banknoten en tien pond in goudgeld uit te betalen, mijnheer,” sprak hij tot den eersten boekhouder, die met beleefd gebaar aan het verzoek voldeed.
De bezoeker groette beleefd, stapte weer in zijn automobiel en reed weg.
Charly Brand lachte in zijn vuistje, toen hij zijn vriend uit de Bank zag komen.
Dezelfde geschiedenis herhaalde zich aan de depositobank in Clapham.
Daar was de eerste boekhouder echter nieuwsgieriger.
„Ge zijt zeker groote dingen van plan, mr. Rottwell?” vroeg hij.
„Wel,” antwoordde lord Lister glimlachend, „ik ga naar de slederennen in Windsor. Ik geloof, dat het daar heel interessant zal zijn, want er worden groote sommen verwed.”
„Zóó!” antwoordde de boekhouder en hij schoof mr. Rottwell honderd pond toe.
Lord Lister nam weer plaats in zijn auto.
En zoo ging het van Bank tot Bank, naar Belham, Streatham, enzoovoorts.
Voordat er twee uren voorbij waren, had lord Lister negen depositobanken bezocht en bij alle hetzelfde stukje uitgehaald.
Toen hij het tiende bijkantoor was binnengegaan, zette Charly Brand den motor op rust, stak een sigaret aan en wachtte.
„Tien keer honderd pond is duizend pond,” rekende hij uit. „All right, dat is voorloopig genoeg voor het plan, dat lord Lister beoogt. Als hij niet altijd weer zijn geld aan de armen gaf, zou hij niet elk oogenblik in geldverlegenheid zitten, waardoor zulke gevaarlijke spelletjes op touw moeten worden gezet.”
Juist toen Charly Brand zijn alleenspraak had geëindigd, draaide hij zich verbluft om.
Iemand had hem de hand op den schouder gelegd en toen hij onwillig opkeek, zag hij in het gelaat van iemand, die in uniform gekleed was en een helm droeg.
„Inspecteur Baxter!” ontsnapte het Charly’s mond.
Van louter schrik liet hij zijn sigaret vallen en keek den gevreesden beambte vlak in het gezicht. [3]
„Ja, dat ben ik,” antwoordde de politie-inspecteur op gemoedelijken toon, „ge schijnt mij reeds te kennen? Vertel mij eens, wien behoort die mooie kar?”
„Die is van mijn meester,” antwoordde Charly, thans weder volkomen op zijn gemak.
„Zoo, zoo! En wie is uw meester?”
„Dat is de eigenaar van dezen automobiel, mijnheer de inspecteur!”
„Drommels! Jij bent een grappige chauffeur. Maar opdat wij wat verder zullen komen, wil ik je in vertrouwen vertellen, dat de directeur van het hoofdkantoor der depositobanken een half uur geleden tot de ontdekking is gekomen, dat aan alle bijkantoren honderd pond is uitbetaald aan zekeren mister Rottwell.
„Toen hij inderhaast zijn boeken nasloeg, kwam hij tot de ontdekking, dat iemand van dien naam daarin heelemaal niet voorkomt.—Wie zou zoo’n boevenstreek wel hebben uitgehaald? Zeg, is deze auto niet van John Raffles?”
Charly Brand haalde de schouders op.
„Raffles? Dien ken ik niet, inspecteur. Als ge echter Raffles, den Grooten Onbekende, meent, dan moet ik u tot mijn spijt zeggen— —”
Maar Baxter begreep volkomen het doel van den chauffeur.
Hij wilde Baxter aan den praat houden en hem door zijn praatjes verhinderen, maatregelen te nemen, opdat lord Lister, als deze uit het Bankgebouw kwam en Baxter zou zien, alle gelegenheid tot ontvluchten had.
„’t Is goed!” sprak Baxter en hij wenkte twee agenten.
Deze hadden Charly al heel gauw van zijn chauffeursplaats gehaald en duwden hem een gang binnen.
Daar werd hen zijn mooie ijsberenjas afgenomen, evenals zijn automobielpet en bril.
„Dien vogel hebben wij al eens meer in de kooi gehad,” zei Baxter, toen hij den secretaris van den Grooten Onbekende aankeek. „Houdt hem vast, wij moeten eens zien, in welke zonderlinge verhouding deze jonge man tot Raffles staat!”
Terwijl Charly Brand werd weggebracht, deed Baxter diens jas aan, drukte de pet diep in de oogen, zette den bril op en ging op Charly’s chauffeursplaats zitten.
Juist kwam lord Lister uit het Bankgebouw.
Hij was in een uitstekenden luim, stak een sigaret aan, en, zonder eenige notitie te nemen van den chauffeur, beval hij op korten toon:
„Taftord.”
Inspecteur Baxter knikte.
Een breede grijns vertrok zijn mond.
„Well.”
Hij zette den motor in beweging.
Maar verstandig was het niet van hem geweest, dat hij zijn mond niet had kunnen houden en hij bemerkte niet, dat lord Lister één oogenblik het portier van de auto in de hand hield en zijn wenkbrauwen hoog optrok, toen hij dit „well” hoorde.
Toen glimlachte hij en stapte in de auto.
Inspecteur Baxter begon nu te racen. In razende vaart joeg hij de stad door en het was tot zijn geluk, dat hij zoo’n goed automobilist was.
Hem gebeurde niets anders dan dat hij drie keer tegen een equipage botste, één paard dood reed, een half dozijn melkkarren overhoop reed en zeven-en-twintig keer door agenten werd opgeschreven.
Maar wat kon hem dat schelen?
Inspecteur Baxter lag gewoonweg dubbel gevouwen over het stuurrad en zijn gezicht grijnsde van pleizier.
Hij zou met alle liefde nog een dozijn paarden hebben doodgereden.
Hij had Raffles immers! De Groote Onbekende was in zijn macht!
Raffles leunde intusschen doodkalm in de kussens achterover!
Als de motor niet zoo’n vervaarlijk geweld had gemaakt, [4]zou inspecteur Baxter het spotlachje hebben gehoord, dat lord Lister uitstiet.
Aan afspringen van de auto was natuurlijk niet te denken bij zoo’n razende vaart.
Lord Lister zou dan hals en beenen hebben gebroken.
Achtervolgd door fietsende agenten, die deze onbesuisde auto in beslag wilden nemen, joeg Baxter naar Scotland Yard.
Daar doemde het groote gebouw al op in de verte.
De inspecteur hield met een ruk stil, sprong van den bok, rukte de deur open, stak zijn revolver vooruit en beval:
„Uitstappen, Raffles! Ge zijt mijn arrestant!”
De laatste woorden bleven den inspecteur bijna in de keel steken.
De agenten, die om de auto waren komen heenstaan, deinsden achteruit en hielden den neus dicht.
In de auto was niets dan rook! Rook!
Dikke, gele rook, die zoo’n stank verspreidde, dat Baxter nauwelijks kon ademhalen.
Hij viel op de sneeuw neer en schreeuwde luid:
„Lucht! Lucht! Ik stik!”
Baxter had den agenten nog niet kunnen vertellen, wat er gebeurd was en deze trokken zich terug om eerst dien rookwalm te laten wegtrekken.
Eindelijk dunde de rook.
Baxter vond weer de kracht om op te staan en vloog nu in de auto. Maar alles wat hij bemachtigde, was een reusachtige sigaar, die bij zoo lang was als een bovenarm. De sigaar was van staal en daaruit stroomde de rook, die zoo’n verpestenden stank verbreidde.
Maar Raffles was verdwenen en inderhaast vertelde Baxter, hoe hij den meesterdief had gevangen.
„Maar dan heeft hij zich in rook opgelost, inspecteur,” lachten de agenten, die weer naderbij waren gekomen.
Baxter vloekte.
Maar wat gaf dat?
Raffles was weg.
Deze had zich geen oogenblik bezorgd gemaakt, toen hij zag, dat de auto in duizelingwekkende snelheid Scotland Yard naderde.
Voor zulke gelegenheden had hij altijd een van de sigaren bij zich, die met een pas uitgevonden poeder, dat aromale heette, gevuld waren.
Als een lucifer of een brandende sigaar hierbij wordt gehouden, vervliegt het poeder in dichten rook en wie dezen rook langen tijd inademt, wordt bewusteloos.
En terwijl Baxter de auto opende en terugdeinsde voor den verstikkenden damp, was Raffles doodkalm aan den anderen kant uitgestapt en weggewandeld, door niemand gehinderd.
Een kwartier later had hij een anderen automobiel en reed naar Bromley, naar het elfde bijkantoor.
Hij was namelijk van meening, dat Baxter slechts door een toeval langs het Bankgebouw was gekomen, waar hij de auto herkend had. Misschien ook had Charly zich door een of andere onvoorzichtigheid verraden. Hij wist niet wat Baxter aan Charly had verteld, die zich op weg naar het politiebureau uit de handen der agenten had losgerukt en nu in het huis van lord Lister met hevige hartklopping wachtte of zijn vriend niet spoedig zou terugkomen.
Lord Lister was iemand, die niet gauw zijn plannen opgaf.
Hij had het zich nu eens in het hoofd gezet, ook de beide laatste bijkantoren te bezoeken en zelfs door het groote gevaar, waaraan hij ternauwernood ontsnapt was, liet hij zich daarvan niet terughouden.
Hij trad dus het Bankgebouw binnen, deed den kraag van zijn pels neer, ging naar de kas en zei:
„Mijn naam is Samuel Rottwell.”
Maar zijn overmoed zou duur gestraft worden.
Nauwelijks had hij dezen naam uitgesproken, of de boekhouder schreeuwde uit alle macht:
„Help! Help! Moord en doodslag! Hier staat Raffles!” [5]
In een oogenblik hadden de portiers de deuren gesloten en hun revolvers getrokken. Alles liep verward dooreen. Niemand wist eigenlijk, wat er gebeurd was, terwijl lord Lister doodkalm de hal verliet en een wanhopige poging deed om nog een der uitgangen te bereiken.
Maar de portier hield hem de revolver onder den neus en zei:
„Niemand mag naar buiten, mijnheer!”
„Alle drommels! Kan een fatsoenlijk mensch dan in Londen geen Bank meer binnengaan, zonder dat hem een revolver onder den neus wordt geduwd?”
Maar de portier gaf niet toe.
„Ik heb strenge bevelen, mijnheer! Maar ik weet, dat inspecteur Baxter met zes agenten binnen een minuut al hier is. Die zal u zeker spoedig uw vrijheid teruggeven!”
Daar kwam Baxter al.
„Heb je hem?” vroeg hij gretig.
„Nog niet! Maar hij is hier! De boekhouder heeft hem herkend!”
Raffles ging achteruit om niet door Baxter gezien te worden.
Hij zat nu toch wel degelijk in gevaar. Hij stormde de trappen op om zich boven ergens te verbergen, toen hij zich plotseling door een half dozijn beambten van de Bank zag omsingeld.
Het werd een formeel gebrul.
„Hier is Raffles! Raffles is hier!! Raffles!!! Raffles!!!! Raffles!!!!!”
Zij hadden zeker het woord nog een dozijn keeren herhaald, als Raffles niet plotseling naar links en rechts vuistslagen had uitgedeeld, zoodat de beambten als muggen door elkaar vlogen.
In het volgende oogenblik vloog de Groote Onbekende een lange gang door, die zich voor hem uitstrekte.
Hij hoorde, dat Baxter het bevel gaf, Raffles liever dood uit te leveren, dan hem te laten ontsnappen.
Plotseling, toen lord Lister bijna het eind van de gang had bereikt, dook voor hem een lange, magere gedaante op met gerimpeld gelaat, slaphangende wangen en wijd uitpuilende oogen.
„Terug! Terug! Hier mag geen sterveling meer door!”
Raffles, die nu geen tijd meer had om beleefd te zijn, hield zijn beide vuisten als buffers voor zich uit en vloog als ’t ware over den man heen. In het volgende oogenblik had hij een deur bereikt—maar zij was gesloten.
Nu zat hij toch inderdaad leelijk in de knel.
„Wat doet ge?” kermde de man op den grond. „Ga gauw terug, heel gauw! Ik beveel het u! Ik ben de directeur van de Bank!”
„All right! Dat is mij heel aangenaam,” antwoordde Raffles, pakte den man beet, keerde hem om en doorzocht zijn zakken. Al gauw vond hij een sleutelbos. Toen rende hij terug naar de gesloten deur en had deze juist geopend, toen inspecteur Baxter met zijn mannen in de gang kwam.
Raffles deed de deur op slot en ontstak een kleine, electrische zaklantaarn.
Hij keek om zich heen en zag, dat hij voor een lange trap stond, die naar een keldergewelf leidde. Zoo vlug als de duisternis het hem toeliet, vloog hij naar beneden en kwam in een tamelijk groote ruimte, waar hij zocht naar een schuilhoek.
Hij liep vooruit, maar struikelde en viel op den grond neer. Toen hij om zich heen tastte, greep zijn hand in een weeke massa.
Verschrikt sprong hij op, drukte op de lantaarn en liet het schijnsel over den grond vallen,
Daar lag het vreeselijk verminkte lijk van een man.
Bijna op hetzelfde oogenblik, dat Raffles deze afschuwelijke ontdekking deed, liet inspecteur Baxter een bijl brengen om de kelderdeur in te slaan.
Het duurde drie minuten, voordat de deur toegaf.
Plotseling staakten de agenten hun werk. [6]
„Inspecteur, hebt ge niets gehoord?”
Inderdaad!
Ook Baxter had daar beneden een schot hooren vallen.
„Er is geschoten!” fluisterde hij.
Met vereende krachten werd nu de deur opengemaakt en toen klonk den mannen een rochelende gil tegen. Daarna was alles stil.
Baxter bleef een oogenblik staan.
„Daar beneden is het niet in den haak!” mompelde hij. Ook de agenten waren bleek om den neus geworden. Zij hadden allen het reutelen van een stervende gehoord, die op gewelddadige wijze om het leven was gebracht.
De Bankdirecteur, die bij de agenten stond, wischte zich het klamme zweet van het voorhoofd en fluisterde:
„Daar is — — daar is — — een misdaad — — — gepleegd!”
„Vooruit! Wij moeten het fijne van de zaak weten!” beval Baxter en sprong de trap af, gevolgd door zijn mannen.
Toen de electrische lampen der agenten de kelderruimte verlichtten, zagen zij in het midden een doode liggen. De Bankdirecteur stiet een kreet uit en tuimelde als ’t ware vooruit.
„Wat—wat—is dat? Maar dat is—dat is—heksenwerk!”
Baxter was naast den doode neergeknield.
Het was Raffles.
Naast hem lag een groote bloedplas. De pelsjas dreef in het roode vocht. Raffles’ handen en zijn gelaat waren met bloed bevlekt en men zag duidelijk op de plaats, waar het haar was vastgekleefd, dat een kogel in het hoofd was gedrongen.
Hier was geen vergissing mogelijk. Inspecteur Baxter lichtte den doode in het gelaat.
„Het is Raffles!” sprak hij.
„Wel inspecteur, het is Raffles,” echo-den de agenten hem na.
Het was inderdaad de Groote Onbekende. Voor zoover men het door het bloed kon onderscheiden, was zijn gelaat doodsbleek. De lippen waren vastgesloten, evenals de oogen, die diep in hunne kassen waren teruggezonken.
Inspecteur Baxter keek om zich heen.
Toen nam hij langzaam de uniformpet af en zei:
„God zij zijn arme zondige ziel genadig!”
„Amen” sprak een der agenten.
Toen voegde hij er bij:
„Daar ligt nog iemand, inspecteur!”
Als een tijger sprong Baxter op het tweede lijk toe.
Inderdaad. Hier lag nog iemand. Iemand, wiens gelaat en lichaam afschuwelijk verminkt was. Zeker twintig messteken hadden hem getroffen. Hij lag in een hoek en inspecteur Baxter onderzocht of geen stukje papier eenige aanwijzing zou kunnen geven.
De directeur der Bank was sprakeloos, maar na eenigen tijd hijgde hij met moeite:
„Ge moet dadelijk een scherp onderzoek instellen, inspecteur. Dat is vreeselijk! Afschuwelijk! Wat moet er nu gebeuren?”
Baxter schudde het hoofd.
„Geef ons een kamer, directeur, waar wij de lijken zoolang kunnen bergen tot den avond. Ik zal ze dan laten weghalen!”
Een der agenten had intusschen een dokter gehaald. Deze boog zich even over den doode, die door messteken verwond was en zei toen:
„Afgeloopen!”
Toen keek hij naar Raffles en zei:
„Ook gedaan! Een mooie geschiedenis! Wat is hier feitelijk voorgevallen?”
„Als ik dat wist, dokter, gaf ik tien jaren van mijn leven!” zei de wanhopige politie-inspecteur. „Zoo iets heb ik nog nooit bijgewoond! De duivel in eigen persoon is hier in het spel! Maar natuurlijk—Raffles is er ook weer bij!” [7]
Nogmaals doorzocht hij den kelder—wederom schudde hij het hoofd.
„Niets—heelemaal niets!”
Hier waren twee misdaden begaan, waarbij het menschelijke verstand stil stond.
Met behulp der agenten werden nu de beide lijken naar een kamer gebracht, die de Bankdirecteur te zijner beschikking had. Een der mannen bleef de wacht houden, tot de lijken zouden worden gehaald
Des avonds deelden alle Londensche bladen het opzienbarende bericht mede, dat Raffles, de Groote Onbekende, dood was.
Alleen zij, die tot lord Lister in onaangename verhouding hadden gestaan, juichten over dat bericht. Maar zij, die veel aan zijn groote goedheid hadden te danken, wijdden eenige tranen aan zijn nagedachtenis. [8]