Daar lag Raffles nu op een houten bank in een achterkamer.
De tijd verstreek, de klok wees tien minuten vóór vieren, waarop de Bank werd gesloten voor het publiek.
De agent, die de wacht hield, liep ongeduldig heen en weer.
Plotseling, toen hij zich weer omdraaide, bleef hij als vastgenageld staan. Hij opende den mond om te schreeuwen, zijn haren rezen ten berge, zijn oogen puilden uit hun kassen en zoo bleef hij een paar seconden onbewegelijk staan.
Een der beide dooden had zich bewogen. Het was Raffles. De agent wilde het eerst niet gelooven. Hij keek nog eens scherper toe en—ja—daar bewoog Raffles zich alweer!
Hij leunde met zijn elleboog op de bank, waarop hij lag en richtte zich halverwege op. En zijn groote, glanzende oogen, die oogen, waarvoor allen zoo bang waren, omdat er een bovennatuurlijke kracht van uitstraalde, zij richtten zich groot en doordringend op den agent.
Dat was te veel voor den politieman van Scotland Yard. Hij stiet een luiden schreeuw uit en rende weg.
Raffles lachte—lachte zóó luid, dat het schalde door het vertrek.
Langzaam stond lord Lister op en liep een paar keer de kamer op en neer, om weer wat beweging te krijgen in zijn stijve ledematen. Het bloed was hem verstijfd en vloeide nog maar traag door zijn aderen.
Eindelijk was hij weer wat op krachten gekomen.
Hij richtte zich hoog op, opende de deur en trad naar buiten.
Het was leeg in de gang. Het publiek was heengegaan en slechts enkele beambten waren nog aanwezig. In de groote zaal was alleen nog de eerste boekhouder, die dien dag de aanhouding van Raffles had bewerkstelligd.
Hij zat over zijn werk gebogen, toen plotseling een der vleugeldeuren openging en een met bloed bevlekt lijk binnentrad.
„Wel, zijt ge nog aan den arbeid?” vroeg Raffles met een grafstem.
Bij de eerste woorden had de boekhouder van zijn werk opgekeken.
Hij keek als een gek en schreeuwde toen uit:
„Om ’s hemels wil—wie zijt ge?”
„Ik? Ik ben Raffles!”
„Raffles? Maar ge zijt immers dood?”
„Wel! Nu leef ik weer!”
„Maar dat kan niet!” gilde de boekhouder.
„En toch is het zoo, waarde heer! Neen, neen! Blijf kalm zitten! Doe geen moeite! Ik zal wel een plaatsje vinden! Er is ruimte genoeg in deze groote zaal! Hoeveel hebt ge vandaag ontvangen?” [9]
„Niets! Heelemaal niets!” brulde de doodsbenauwde man.
„Dat is al een heel klein beetje voor een filiaal van de Londensche en de Zuidwest Bank!”
Toen ging hij achter een lessenaar, deed een lade open met een der sleutels van den directeur en keek erin.
„Alle „drommels”! Honderd—duizend—vijfduizend—tienduizend—veertigduizend pond!—Dat is een heel aardig bedrag, mister! Ik denk, dat de Bank niet kijkt op een twintigduizend pond!”
Met deze woorden nam Raffles 20,000 pond uit de lade, stak ze in den zak en zei:
„’t Is nu vier uur! Vóór vijf uur moogt ge niet kikken, begrepen?”
De man bleef stom.
„Hebt ge mij verstaan?” donderde Raffles. „Een uur lang moogt ge niet kikken. Dan kunt ge zoo hard schreeuwen als ge maar wilt!”
De boekhouder knikte.
Inderdaad, het was hem onmogelijk, eenig geluid voort te brengen!
Raffles verliet de groote zaal.
Hij liep de gang door en hoorde eensklaps twee stemmen.
Hij sloeg er niet de minste acht op, toen hem de woorden in het oor klonken:
„De diamanten van den hertog van Norfolk.”
Hij bleef nu staan en luisterde met het oor tegen de deur geleund, waarachter vandaan het geluid kwam.
„Ik zal de bewaking van de diamanten van den hertog op mij nemen,” hoorde lord Lister zeggen. „Waar worden ze heengebracht?”
„Naar het groote tentoonstellingsgebouw in Regentstreet. Ge moet ze vannacht halen en morgen weer terug brengen!”
„All right!”
Het was nu een poosje stil.
Lord Lister dacht na. Toen, nadat hij tien seconden had gepeinsd, liep hij de gang verder door, ging bij een der fonteintjes, die hier en daar voor het personeel waren aangebracht, het bloed van zijn gelaat wasschen en verliet het Bankgebouw, zonder verder door iemand te worden lastig gevallen.
Een half uur later betrad hij een van zijn woningen. Deze lag in St. James Street en bestond uit een apartement van zes kamers.
Binnen werd een deur opengedaan en Charly Brand keek de gang in.
„Ben jij het?”
„Zooals je ziet!”
„Lieve tijd, wat heb ik een angsten om je uitgestaan!”
„Ik om jou niet minder, beste Charly!”
Deze keek Raffles eens van ter zijde aan en zei toen:
„Wat zie je bleek, John! Scheelt je wat?”
„Neen, wat zou mij schelen, kerel? Ik heb daar juist iets beleefd, wat je niet in je kouwe kleeren gaat zitten!”
„Verklaar je toch wat nader, John! Vertel me toch eens, hoe alle kranten je doodstijding konden brengen? Wil je het lezen?”
„Natuurlijk, my boy! Dat interesseert mij buitengewoon!”
Charly Brand haalde de Times en reikte ze zijn vriend.
Deze las:
„Londen haalt verruimd adem! Raffles is dood!
„De groote Onbekende, genaamd Raffles, heeft vandaag in het elfde bijkantoor van de Londensche en Zuidwest Bank een plotselingen dood gevonden! Toen de beambten, die hem vervolgden, in den kelder drongen, waarheen hij gevlucht was, vonden ze zijn lijk! Een schotwonde aan het hoofd bewees, hoe Raffles aan zijn eind was gekomen. Het meest raadselachtige van deze geschiedenis is, dat men nergens het wapen heeft gevonden, waarmee Raffles is doodgeschoten. Vlak bij het lijk van Raffles lag nog een ander lijk; [10]dat van een tot nog toe onbekend gebleven persoon. Ook van den moordenaar is tot nog toe geen spoor ontdekt.”
„Uitstekend!” fluisterde Raffles.
„Is het allemaal zoo gebeurd, zooals het hier staat?” vroeg Charly Brand.
„Precies zoo!”
„Maar men heeft je toch onderzocht? Hoe kon je je dan dood houden? Maar nu zie ik ook dat je gewond bent! Boven je rechterslaap zit je haar vol bloed!”
Raffles stond op, ging naar den spiegel, wiesch de wonde uit, die hij inderdaad op deze plek had, plakte er een groote pleister op en ging weer zitten.
„Wie heeft je verwond, John?”
Lord Lister lachte.
„Wie anders dan ikzelf, domme vent!”
„Jijzelf? En waar is de revolver?”
„Die heb ik door een klein tralievenster op straat gegooid! Ik zal je de heele geschiedenis vertellen, Charly, opdat je je nieuwsgierigheid kunt bevredigen.
„Ik werd dan door vriend Baxter naar den kelder gejaagd, maar ik had een kleinen voorsprong, doordat ik de deur achter mij had gegrendeld. Maar mij bleef geen weg om te ontvluchten. En toen zag ik plotseling het lijk van een man voor mij liggen.”
„Afschuwelijk!” bromde Charly.
„Het was mij ook niet heel aangenaam,” antwoordde lord Lister, „en mijn vervolgers stonden boven te schreeuwen!
„Wat te doen?
„Er was maar één uitweg—ik moest sterven! Je weet, Charly, dat ik altijd een fleschje bij mij heb, gevuld met een mengsel van toxine en morphine. Als ik die vloeistof onder de huid spuit, volgt een verstijving, die altijd een paar uren aanhoudt.
„De dokter gaf zich niet de minste moeite om mijn hartslag te onderzoeken, anders had hij natuurlijk bemerkt, dat ik niet dood was.”
„Ik wekte natuurlijk volkomen den indruk van een doode.”
„Maar om het verhaal geregeld af te wikkelen:”
„Ik sleepte het vreemde lijk, dat in een groten bloedplas lag, naar het andere eind van den kelder, deed de inspuiting, zette het wapen zóó tegen mijn slaap, dat slechts een lichte verwonding moest volgen, drukte af en gooide het wapen door het tralievenster.
„Ik had nog juist den tijd om te gaan liggen waar de doode had gelegen. Toen verloor ik ook reeds het bewustzijn.
„Je begrijpt, dat de agenten meenden, dat ik dood was, al lag ik ook niet in mijn eigen bloed, maar in dat van den onbekenden man.
„Je ziet, Charly, dat mijn list volkomen is gelukt en dat ik weer aan de handen van mijn doodsvijand Baxter ben ontvlucht.”
En lord Lister nam nog eens de Times op.
Daar viel zijn blik op het volgende artikel:
„De juweelen van den hertog van Norfolk.
„De hertog van Norfolk is eenige dagen geleden teruggekeerd van zijn groote reis naar Indië en heeft zich met lady Wydemour, de dochter van een pair, verloofd. Het huwelijk zal, naar wij vernemen, reeds vrij spoedig worden gesloten. Het zal een der grootste plechtigheden zijn, die in den laatsten tijd te Londen zijn gevierd, want zoowel de hertog van Norfolk, als lord Wydemour behooren tot de rijkste families van het land. De diamanten van den hertog van Norfolk vertegenwoordigen een waarde van niet minder dan twee millioen pond sterling. Zeven der schoonste en zuiverste steenen heeft de hertog zijn bruid reeds geschonken.
„De geschiedenis van deze juweelen is heel interessant.
„Zij vormden het hoofdbestanddeel van het vermogen van den hertog. Deze bezit echter ook nog uitgestrekte goederen in Schotland. Sinds drie eeuwen zijn de hertogen van Norfolk reeds in het bezit van deze juweelen, [11]die in een kluis der Londensche en Zuidwest Bank worden bewaard.
„Er bestaat een testament, waarin bepaald is, dat de erfgenaam van het hertogelijke huis de diamanten eerst bij zijn huwelijk ontvangt.
„Nadat de oude hertog van Norfolk gestorven was, hebben de diamanten ongeveer vier jaren in de Londensche en Zuidwest Bank gelegen. En telkens weer werden zij naar een andere bijbank gebracht om diefstal te voorkomen. Alleen de meest hooggeplaatste ambtenaren zijn met de bergplaats bekend.
„Ook moeten de juweelen telkens worden tentoongesteld als zij in andere handen overgaan.
„Deze clausule is destijds door een der hertogen in het testament gevoegd, opdat de eigenaar de juweelen niet zou kunnen verkoopen of verpanden.
„Ook de jongste hertog van Norfolk moet zich aan al deze voorschriften houden. De diamanten zullen van 17 Januari—dus van morgen af—tot den vijf-en-twintigsten van deze maand in het nieuwe tentoonstellingsgebouw in Regent-Street te zien zijn.
„Natuurlijk zijn belangrijke voorzorgsmaatregelen genomen om mogelijken diefstal te voorkomen. In dertig jaren zijn deze kostbare juweelen niet ten toon gesteld en een groote toeloop van het Londensche publiek wordt dan ook verwacht.”
Lord Lister glimlachte op vreemde wijze, toen hij de krant terzijde legde.
„Heb je het gelezen Charly?”
„Yes. Maar ik begrijp niet, dat dit zoo interessant is. Het interesseert mij veel meer, wie die vermoorde man wel mag zijn, dien jij in den kelder van de Bank hebt gevonden.”
Lord Lister haalde de schouders op.
„Ik denk, dat dat iemand is, die in nauw verband met de Bank staat.”
„Waarom denk je dat?”
„Ik denk dat zoo en het feit, dat de man vermoord, is, versterkt mijn vermoeden. Maar ik moet nu de noodige toebereidselen maken om morgen op tijd te zijn
„Op tijd te zijn? Maar wat bedoel je dan?”
„Ik wil de diamanten van den hertog van Norfolk, bewaken,” antwoordde Lord Lister.
Toen stond hij op en ging het volgende briefje schrijven;
„Aan den inspecteur van politie Baxter,
Scotland-Yard.Waarde Baxter!
Hoewel ik eigenlijk geen reden heb om dankbaar tegenover u te zijn, wil ik u toch een genoegen doen. Ik raad u namelijk om den directeur van het elfde bijkantoor der Londensche en Zuid-West Bank streng in de gaten te houden, want hij is een schurk.
RAFFLES.”
Dezen brief vouwde lord Lister dicht, verzegelde hem en zond den bediende er mee naar de bus.
Toen ging hij naar zijn geheim bureau, dat vol spiegels was en waar een groote tafel stond met allerlei soorten schmink en poeder.
Langs de muren hingen wel een dozijn verschillende baarden en pruiken.
Langen tijd was lord Lister bezig om uit te zoeken, wat hij noodig had, want deze meesterdief stelde er zich niet mee tevreden om de lieden, die hij wenschte na te bootsen, niet tot in de kleinste bijzonderheden gelijk te zijn.
En toen hij later met een donker puntbaardje en bruin geverfd haar bij Charly Brand binnentrad, bleef deze verbluft staan.
„Wat bedoelde je er mee,” vroeg Charly, „dat je de diamanten van lord Norfolk wilt gaan bewaken?”
„Begrijp je dat niet?”
„Je wilt ze natuurlijk in je bezit hebben, niet waar Raffles?”
„Misschien. Maar laat ons nu gaan. Heb je lust om mee te gaan Charly?”
„Waarheen?” [12]
„Naar het elfde bijkantoor!”
„Jij schijnt een groote voorliefde voor dat bijkantoor te hebben, ondanks alles, wat er al gebeurd is.”
Lord Lister antwoordde niet.
Hij verkleedde zich en ging met Charly de deur uit.
In het elfde bijkantoor was het intusschen alles behalve rustig gebleven.
De agent had inspecteur Baxter gewaarschuwd en deze was om vijf uur gekomen, juist toen de boekhouder een verschrikkelijken angstkreet uitstiet.
Baxter stormde de groote zaal binnen.
„Is hij weg?” vroeg hij met sidderende knieën. „Waar is hij, waar is hij?”
„Ik weet alleen, dat hij hier was, inspecteur! Wat een vreeselijke kerel! Hebt gij het wel ooit beleefd, dat een doode weer levend wordt?”
„Bij Raffles beleeft men alles” stiet Baxter uit; „de kerel maakt mij nog dol!”
Het gebouw werd van onder tot boven doorzocht, zonder dat natuurlijk een spoor van Raffles ontdekt werd. Alleen zijn pelsjas en het bloedgekleurde waschwater werden gevonden en Baxter vertrok weer onverrichter zaken.
Alleen de directeur, die in het achterste gedeelte van het gebouw zijn ambtswoning had, bleef achter.
De man ging vroegtijdig naar bed, nadat hij de diamanten van den hertog van Norfolk had klaargelegd om ze den volgenden dag naar het tentoonstellingsgebouw te kunnen overbrengen.
Intusschen was het middernacht geworden.
Een schildwacht liep voor het Bankgebouw op en neer. Toen hij naar een zijstraat zich verwijderde, traden twee slank gebouwde mannen uit de duisternis in het licht der lantaarn. Het waren Raffles en zijn vriend Charly.
Nu ging Charly met de schouders tegen den muur staan, legde de handen ineen en liet lord Lister er in stappen.
Deze stond met een wip op den schouder van zijn vriend en opende nu geruischloos een houten jaloezie.
Charly Brand liep met groote stappen beneden op en neer.
Een kwartier later kwam lord Lister weer naar beneden. Hij droeg een groote cassette onder den linkerarm en lachte, zoodat Charly verschrikt den vinger op den mond legde.
Zij liepen haastig verder en Charly vroeg:
„Waarom heb je zoo’n pret, John?”
Maar lord Lister was reeds weer ernstig geworden.
„Je zult morgen een wonder beleven, Charly!”
„Wat?”
„Een wonder zeg ik je!”
„En wat heb je in de cassette?”
„De diamanten van den hertog van Norfolk.”
Charly bleef een oogenblik verbluft staan.
Hij wilde het niet gelooven.
„De—de—diamanten—van den hertog van Norfolk? Maar—maar dat is een reusachtig vermogen! Ben je niet bang?”
Lord Lister glimlachte weer.
„Bang? Ik?”
„Ja.”
„Voor wien? En waarom?”
„Maar morgen—morgen zullen de diamanten niet in het tentoonstellingsgebouw zijn!”
„Hoe kom je er bij? De diamanten zullen er zeker zijn!”
Charly haalde de schouders op.
„Dat begrijp ik niet! Wie moet ze er dan heen brengen?”
„Ik.”
„Jij? Jij wilt ze naar het tentoonstellingsgebouw brengen?”
„Zeker. Ik ben van nu af gevolmachtigde van de Bank.”
„Maar John, wat een onzin!”
Charly Brand begreep niet, wat hij van zijn vriend moest denken. [13]
„Morgen zal je alles duidelijk worden,” sprak Raffles.
Dien nacht nam Raffles nog een reeks van voorbereidingen.
Zijn vriend Charly echter sliep vermoeid van de opwindingen van den dag en ontwaakte eerst, toen de zon reeds hoog aan den hemel stond.
Raffles echter was verdwenen en terzelfder tijd liep door Londen het gerucht, dat hij in hechtenis was genomen. [14]