Dat was zoo in zijn werk gegaan:
Het bericht, dat in de „Times” had gestaan, was niet ongelezen gebleven.
In Londen namelijk stellen de mannen het grootste belang in sport, de vrouwen in luxe en voornamelijk in sieraden.
Het vooruitzicht om de diamanten te kunnen zien van den hertog van Norfolk, die in grootte, zuiverheid en kostbaarheid de kroondiamanten van den koning nog moesten overtreffen, had reeds in den vroegen morgen een groote menigte naar het tentoonstellingsgebouw gelokt.
Om negen uur reeds bewoog zich een groot aantal dames en heeren door de sierlijke zalen.
Equipages rolden aan, automobielen snorden voor. De grooms dwarrelden door elkaar en de eene lady volgde de andere. Zij droegen haar kostbare wintertoiletten, lange mantels met bontwerk gegarneerd, breede boa’s en ander kostbaar pelswerk.
De diamanten van den hertog van Norfolk lagen uitgespreid op zeven groote, zijden kussens.
Eigenlijk was het uur van de opening der tentoonstelling op tien uur bepaald, maar de gevolmachtigde van de Londensche Bank was al om half negen verschenen met zijn kostbaren schat.
De vertegenwoordiger was een slank gebouwd man van ongeveer vijf-en-dertigjarigen leeftijd met een donker puntbaardje.
Hij zag er inderdaad bijzonder voornaam uit in zijn keurig toilet, zooals hij daar stond achter de groote tafel, zonder ook slechts een enkelen keer den blik op te richten van de zijden kussens, waarop de prachtige steenen schitterden: diamanten, zoo groot als duiveneieren, naast robijnen en topazen. Smaragden, in goud gevat, naast granaten. Amethysten naast opalen en toermalijnen naast cordierieten.
Maar diamanten en smaragden waren er in het grootste aantal en alles schitterde en glinsterde en fonkelde op het donkere fluweel, dat men meende een stuk van het firmament voor zich te hebben, waaraan sterren schitterden van de eerste grootte.
De bezoekers der tentoonstelling hadden nog geen toegang, toen een zeer voorname jonge lady binnentrad, vergezeld van een inspecteur. Zij had kastanjebruin haar, dat in dichte lokken haar fijn gezichtje omlijstte en twee groote, zwarte oogen werden door lange wimpers overschaduwd.
„Hier lady, is de tentoonstelling,” sprak de inspecteur, boog en ging heen, want het was hem ten strengste verboden om ook slechts een minuut in de zaal te blijven.
De jonge dame ging naar den slanken heer toe. [15]
„Mijn naam is miss Marion,” sprak zij, „ik ben een vrouwelijke detective en hier naar toe gezonden om met u samen de diamanten van den hertog van Norfolk te bewaken.”
Zij was nadergetreden en de sleep van haar kostbare japon ritselde zachtjes over den vloer.
Zonder het antwoord van mister Blakes af te wachten, deed zij de lange handschoenen van de blanke handen en ging achter de tafel zitten.
Toen keek ze even naar de revolver, die onder het bereik van den heer lag en zei niets dan:
„All right!”
De ander glimlachte nu, maar sprak geen woord.
De bezoekers werden thans toegelaten en vele politiebeambten stelden zich op om met het tweetal, dat daar aan de tafel zat, elke poging tot diefstal of het stichten van verwarring te beletten.
De kostbaarheden werden door iedereen bewonderd en veel begeerige blikken van ijdele vrouwen en hebzuchtige mannen werden op de kostbare steenen geworpen.
Na een half uur moest de zaal ontruimd worden om nieuwe bezoekers binnen te laten.
Maar tusschen het bezoek der eerste en tweede groep werd een pauze van een half uur gehouden, waarin de diamanten wederom nauwkeurig onderzocht werden.
Mister Blakes stak een sigaret aan, nadat hij de vrouwelijke detective om vergunning daarvoor had gevraagd, blies den rook voor zich uit en vroeg:
„Wie heeft u eigenlijk hierheen gestuurd, lady?”
„Stelt ge daar belang in? De lord-major van Londen maakte zich een beetje bezorgd, dat de beambten dit werk niet alleen af konden en bovendien streef ik slechts één enkel doel na!”
„En dat is?”
„Ik wil Raffles vangen. Ik stam uit een voornaam geslacht, dat door allerlei tegenspoed verarmd is en daarom heb ik een beroep gekozen, dat hoog salaris geeft.”
„Ge hebt gelijk. En nu hebt ge het er dus op gezet om Raffles te vangen?”
„Ik stel belang in hem! Hij imponeert mij, deze gentleman-dief en daarom wil ik graag mijn krachten aan hem beproeven!”
Haar oogen glansden en een lachje krulde haar lippen.
In hetzelfde oogenblik luidde een bel en de nieuwe bezoekers werden binnengelaten.
Nauwelijks hadden zij de zaal gevuld, toen plotseling een heer binnenstormde, die een zwarten koffer droeg en iedereen omver liep, die hem in den weg stond.
Aller oogen richtten zich op dezen persoon.
De man die binnenkwam, geleek sprekend op den heer, die de diamanten bewaakte.
Deze wonderlijke gelijkenis baarde algemeen opzien, die niet weinig steeg, toen de binnentredende uitriep:
„Alle duivels, wat gebeurt hier? Ik ben mr. Blakes, de vertegenwoordiger van de Londensche en Zuid-West Bank.”
Niemand antwoordde.
Eindelijk vroeg een der politiebeambten:
„Kunt gij u legitimeeren?”
„Zeker.” En deze tweede mr. Blakes haalde zijn papieren te voorschijn.
De politiebeambte haalde de schouders op.
„Er is ten slotte toch maar één mr. Blakes,” sprak hij, „en hier schijnt bedrog in het spel te zijn. Hoe zijn de diamanten van den hertog van Norfolk hierheen gekomen, als gij de werkelijke mr. Blakes zijt?”
Deze strekte den arm uit naar den heer achter de tafel en sprak:
„Die man is Raffles!”
De verwarring, die op deze woorden volgde, is onbeschrijfelijk. [16]
De heeren weken verschrikt achteruit, de dames begonnen van angst te gillen, de meesten echter verdrongen zich om dezen interessanten man, die sedert vele maanden geheel Londen in ademlooze spanning hield en iederen dag de kranten stof gaf tot sensationeele artikelen.
Dat was dus Raffles!
Deze echter scheen het volstrekt niet eens te zijn met de onthullingen van mr. Blakes.
„Ge zijt gek!” riep hij uit en hij deinsde verschrikt terug, toen hij zijn dubbelganger goed in het gelaat keek.
Dat was inderdaad dezelfde donkere puntbaard, dezelfde wenkbrauwen, hetzelfde haar, dezelfde gelaatstrekken.
„Dat is een afschuwelijk bedrog!” riep hij uit, „dat is een laagheid!” en nog voordat iemand het kon verhinderen, had hij zijn revolver getrokken, gevuurd—het schot knalde. Doch neen, twee schoten waren het, wier knal zich met elkander vermengde. In het oogenblik namelijk, toen de tweede mister Blakes het pistool afschoot, had de man, die naast de vrouwelijke detective stond, bliksemsnel het wapen te voorschijn gehaald.
Toen de kruitdamp opgetrokken was, lag degeen, die het laatst was binnengekomen, op de knieën; zijn revolver lag een halven meter verder en uit zijn rechterhand vloeide een bloedstroom.
Mr. Blakes had hem de hand doorgeschoten.
„Moet ik u nog eens zeggen, dat u dien ellendeling moet weg brengen?” beval de heer achter de tafel met donderende stem.
„Deze bedrieger is Raffles, die van de algemeene verwarring gebruik wil maken om de diamanten van den hertog van Norfolk in zijn bezit te krijgen!”
„Het is niet waar!” kreunde de andere. „Ik heb ze hier—ik heb ze bij mij—de diamanten van den hertog van Norfolk!”
Het publiek geraakte in steeds grooter spanning. Allen drongen naar voren om te zien, wat die nieuw aangekomene dan wel in dien koffer had verborgen.
En inderdaad:
In den koffer lagen, zorgvuldig vastgemaakt op de kussens, de diamanten van den hertog van Norfolk.
Maar daarginds op de tafel lagen ze ook en de politiemannen streken zich over de oogen om het spook te verjagen, waaraan zij nog niet konden gelooven.
Daar klonk echter opnieuw de stem van mister Blakes, die achter de tafel met fonkelende juweelen stond.
„Maar mijneheeren, zijt gij dan inderdaad zóó kortzichtig om niet in te zien, dat de juweelen, die Raffles hier brengt, allen vervalscht zijn?”
Groote sensatie!
De inspecteur van politie nam nu het woord en wendde zich tot de omstanders:
„Zijn er misschien onder de aanwezige heeren eenigen, die verstand hebben van diamanten?”
Onmiddellijk meldden zich eenige heeren en dames aan.
Een oude eerwaardige grijsaard haalde een microscoop te voorschijn en hield dien boven de diamanten, welke de tweede mr. Blakes had gebracht.
Ademlooze spanning volgde.
Eindelijk hief de grijze heer het hoofd op en sprak op stelligen toon:
„Deze diamanten zijn valsch!”
„Ik zeide het reeds,” sprak de eerste mr. Blakes nu, „En als de heeren politie-agenten nu nog langer aarzelen om dezen aartsbedrieger weg te brengen, dan sta ik niet meer voor de gevolgen in!”
Die woorden hielpen. Een half dozijn agenten pakten den geheimzinnigen mister Blakes beet en sleepten hem naar de deur.
Deze rukte zich hier nog eens los, rende naar den anderen mr. Blakes toe en schreeuwde:
„Hier—hier—daar—daar—” hij wees op de [17]kostbare steenen, die lagen tentoongesteld—„hier liggen de gestolen diamanten van den hertog van Norfolk, die vannacht uit het elfde bijgebouw van de Londensche en Zuid-West Bank zijn gestolen!”
„Van dien diefstal heb ik ook al gehoord,” antwoordde de andere mister Blakes. „De zaak zit namelijk zóó. Toen Raffles vannacht de echte diamanten poogde te stelen, vielen hem de valsche in handen en hij had de brutaliteit om deze vandaag aan het Londensche publiek te willen toonen. Ge ziet heeren, dat Raffles zich zelf heeft verraden. Brengt hem dus weg!”
De tweede mister Blakes werd nu in den kraag gepakt en weggebracht.
De vrouwelijke detective had den geheelen tijd de beide heeren aangekeken.
„Jammer,” fluisterde zij nu.
Mr. Blakes keek haar glimlachend aan.
„Waarom, lady?”
Zij zuchtte diep.
„Ik had mij Raffles heel anders voorgesteld.”
„Hoe dan?”
„Och! Slanker, eleganter, nu ja, ik kan dat zoo niet zeggen. En ik had mij ook in het hoofd gehaald, hem zelf te vangen!”
In hetzelfde oogenblik nam mr. Blakes de revolver op en strekte die uit naar een eleganten heer, die een der diamanten op nam.
„Hand daar weg, als ge geen kogel tusschen de ribben wenscht!”
Deze keek op met doodsbleek gelaat en de jongedame naast hem uitte een kreet van schrik.
„Zijt ge gek?” vroeg een der politie-mannen, „dat is de hertog van Norfolk.”
„Dan mag hij toch zijn eigen diamanten niet stelen,” zei Raffles op doodkalmen toon.
De hertog van Norfolk, een persoon van omstreeks veertig jaren met een weinig sympathiek uiterlijk, hief den stok op, maar mr. Blakes zei heel bedaard:
„Ik doe mijn plicht, hertog! Doe dien stok weg, want een kogel werkt sneller!”
De hertog maakte een toornige beweging en trok zich toen achter in de zaal terug.
Wederom werd een pauze van een half uur gehouden.
„Ge zijt een merkwaardig persoon,” sprak de vrouwelijke detective, toen zij met Blakes de juweelen controleerde.
„Hoezoo, lady?”
„Ik geloof, dat ge betere oogen hebt, dan iemand ter wereld!”
„Hoe meent ge dat?”
„Omdat ge alles doorziet!”
Mr. Blakes lachte.
„Dat leert men in mijn beroep. Ik wensch u zoo’n paar oogen, lady, dan zoudt ge misschien een zeer goede detective zijn!”
Het meisje was door dit gezegde niet weinig boos.
„O, wat dat betreft,” antwoordde zij, „behoeft ge u niet te verbeelden mr. Blakes, dat gij Raffles herkend hebt. Ik zag dat al, toen hij de zaal binnenkwam. Ik wilde alleen niet overijld handelen!”
„Wel zoo! Ei, ei! En nu hebt ge natuurlijk grooten spijt, dat gij hem niet gevangen hebt!”
„Dat kan ik niet ontkennen!”
„Wel, lady, wat zoudt ge er dan wel voor over hebben, als thans nog de kans bestond, dat ge Raffles zoudt kunnen vangen!”
Zij keek hem aan met een spotlachje.
„Die kans kunt gij mij toch niet geven?”
„Wie weet? Nu, wat krijg ik?”
„Honderd pond!”
„Bah! Daar steek ik mijn sigaret mee aan! Een kus, lady, als ge die ervoor geeft, ben ik bereid!”
Zij keerde zich af.
„Onbeschaamde!” fluisterde zij.
Maar Blakes liet zich niet zoo gauw uit het veld slaan en eindelijk sprak zij: [18]
„Als ge mij het bewijs kunt leveren, dat ge kunt helpen om Raffles te vangen, dan, in ’s hemelsnaam, zal ik u den kus geven!”
Hij strekte de hand uit.
„Op eerewoord en handslag, lady?”
„Een vrouw een vrouw, een woord een woord, mister Blakes!”
„Goed! Neem mij dan gevangen!”
En toen tot de politie-agenten:
„Het publiek kan weer binnen komen!”
De lieden kwamen weer binnen.
Als een standbeeld bleef het meisje op de plaats staan.
Die man naast haar had zoo juist met de grootste kalmte verteld, dat hij Raffles was.
Gloeiend heet vloog het bloed haar naar de wangen. Zij keek van terzijde mr. Blakes aan en het werd haar hoe langer hoe duidelijker, dat het inderdaad Raffles was.
„Ik dacht,” stotterde zij, „ik meende—dat ge zwart haar hadt!”
„Als ik geweten had, lady, dat ik met u zou kennis maken, had ik mijn baard zeker thuis gelaten.”
Zij bloosde. Hij hield haar voor den mal, omdat ze niet eens gemerkt had, dat zijn baard valsch was.
„Ge zijt een vreeselijk mensch,” fluisterde zij, „maar pas op, ge ontsnapt mij toch niet! Ik zal u in hechtenis laten nemen, zoodra ge het gebouw hier verlaat!”
„Uitstekend, lady! Maar den zoen krijg ik eerst!”
Daar trad een der inspecteurs der recherche naar de juweelentafel toe. Hij reikte Blakes de hand en zei:
„Het was inderdaad Raffles! Ge hebt ons aan een fameuze vangst geholpen!”
De toegesprokene glimlachte.
„Dank u!”
„Weet ge het laatste nieuws al?”
„En dat is?”
„De directeur van het elfde bijkantoor is vannacht spoorloos verdwenen!”
„Inderdaad?”
„Er schijnt een nieuwe misdaad te zijn begaan!”
Raffles kuchte eens en blies een blauwe rookwolk de lucht in.
Toen vroeg hij:
„Kan ik u misschien met het een of ander helpen, lady?”
Zij keek op en zag in zijn lachend gelaat.
O, wat haatte ze hem op dit oogenblik. Ze had hem kunnen dooden.
„Ik zou graag willen weten,” fluisterde zij, „waar de eigenlijke mister Blakes is!”
„Die, lady? O, die is dood!”
„Dood?—Toch niet vermoord?”
„Ja.”
„Maar—om Godswil—toch niet door u?”
„Neen, lady. Zulke dingen doe ik niet! De directeur van het elfde bijkantoor heeft hem vermoord!”
„Weet ge dat zeker?”
„Ja, heel zeker. Ik heb de misdaad door het sleutelgat gezien en wilde te hulp snellen, toen het al te laat was! Ik vermoed, dat de directeur de juweelen van den hertog zich heeft willen toeëigenen en toen vermomd als mister Blakes hierheen is gegaan! Ik begreep, dat dit het geval zou zijn en het deed me pleizier, den moordenaar in de val te laten loopen. Zoo heb ik den schurk, dien Baxter niet wil arresteeren, toch in de gevangenis gebracht en daarmee in het belang der menschheid een goede daad verricht, vindt ge ook niet?”
Zij antwoordde niet en het werd haar zwart voor de oogen. Hoe zou zij dien man de baas kunnen worden?
Maar het moest—het moest! Ja, zij wilde den strijd aanvaarden op leven en dood. Natuurlijk dacht zij er vooreerst niet aan, de agenten te roepen en Raffles te laten arresteeren. Neen! Zij zou hem met gelijke wapens bestrijden op dezelfde elegante en toch listige manier! [19]
„Maar hoe hebt ge de diamanten in uw bezit gekregen?” vroeg zij plotseling, „en hoe kwam het, dat de directeur met de valsche steenen hier kwam?”
„Is u dat ook nog niet duidelijk, lady? O! O! Dat is toch zoo heel eenvoudig! De directeur was een slimmerd! Hij had een heelen koffer vol nagemaakte steenen waarschijnlijk met het doel laten vervaardigen om ze alle ten toon te stellen en de echte zichzelf toe te eigenen. Toen ik den directeur des nachts een bezoek bracht, zag ik dadelijk dat de diamanten, die bij hem op tafel stonden, niet echt waren. Ik laat mij niet zoo heel makkelijk om den tuin leiden, lady! Ik zocht toen de echte steenen en vond ze heel gauw in een muurkast. Daar nam ik de echte uit den koffer en legde er de valsche voor in de plaats.
„Den volgenden morgen was het kistje, waarin de valsche steenen gezeten hadden, verdwenen en de directeur meende, dat den dieven de valsche steenen in handen waren gevallen.
„’t Is een beetje ingewikkeld, nietwaar lady? Maar de heele zaak is ten slotte toch doodeenvoudig.”
Zij antwoordde niet.
Het duizelde haar hoe langer hoe meer.
O, die Raffles! Die Raffles!
Maar zij zwoer hem wraak! Bij God, hij zou haar niet ontsnappen. [20]