De dienstdoende inspecteur had mr. Blakes meegedeeld, dat de directeur van het hoofdkantoor der Londensche Bank het niet raadzaam vond om de juweelen des nachts telkens weer terug te brengen. Zij zouden in het tentoonstellingsgebouw blijven, streng bewaakt door vijftig lieden.
Toen het tegen den avond liep sprak lord Lister tot het jonge meisje:
„Als het u goed is, lady, neem ik nu een uur pauze. Ik ga even naar huis om te soupeeren.”
Zij knikte.
„Goed. Ik zal zoolang de wacht houden.”
Nauwelijks was hij vertrokken of het meisje riep een geheimen agent aan.
„Volg mister Blakes door heel Londen en vertel mij, waar hij woont.”
„All right, lady.”
De man verdween.
Hij wandelde achter mister Blakes aan, die doodkalm voortwandelde en met diepe teugen de prikkelende winterlucht inademde. Het was bitter koud en dikke sneeuw lag op de straten.
Lord Lister trad nu een telefoonkantoor binnen en liet zich verbinden met Scotland Yard.
„Inspecteur Baxter daar?—Ja?—Hier Raffles.—Wel!—Houd u kalm, inspecteur—hier Raffles!—Hebt ge den directeur van het elfde bijkantoor gearresteerd? Niet?—’t Is een gemeene kerel.—Hij hoort wel degelijk achter slot en grendel!—Dat schijnt ge maar niet te willen begrijpen, inspecteur!—’t Is toch zoo!—Ik deel u door dezen mee, dat de directeur van het elfde bijkantoor mister Blakes heeft vermoord.—Zijt ge nu tevreden?——Wat??——Gelooft ge het niet?—Is mister Blakes in het tentoonstellingsgebouw?—Maar dit is Blakes niet, dat is Raffles!——Wat? Laat ge u niet voor den mal houden? Zit Raffles in de gevangenis?—Ge zijt een groote gek, inspecteur! Die in de gevangenis zit is Raffles niet—maar de directeur van het elfde bijkantoor!—Gelooft ge dat ook niet?—Ga dan eerst eens informeeren, voordat ge mij tegenspreekt—Ik heb u zoo volledig mogelijk ingelicht!—Adieu, inspecteur Baxter!—Tot weerziens!”
Toen ging lord Lister naar zijn woning, waar hij met Charly Brand allersmakelijkst soupeerde, maar onderwijl ook blijken gaf van buitengewone vermoeidheid.
„Wat heb je toch?” vroeg Charly.
Raffles glimlachte.
„Niets, heelemaal niets, kerel! Ik geloof alleen maar, dat ik verliefd ben!”
En toen ging hij haar het tentoonstellingsgebouw terug.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Het was acht uur in den avond.
Buiten lag de winternacht reeds lang over het aardrijk [21]uitgespreid. Daar kwam de hertog Van Norfolk, vergezeld van een mooie, elegante jonge dame, uit wier oogen echter allesbehalve geluk en zielsrust straalde. Zij scheen bedroefd, toen zij aan den arm van den hertog in de zaal trad.
Deze scheen het voorval van dien dag te hebben vergeten en ging glimlachend naar den Bankvertegenwoordiger,
„Ik heb met groot genoegen bemerkt,” sprak de hertog, „dat gij u met groote nauwgezetheid kwijt van uw plichten en daarom neem ik u ook niets kwalijk van hetgeen geschied is. Nu zou ik echter graag mijn diamanten eens willen bekijken!”
Een jongeman vergezelde het verloofde paar. De hertog stelde dezen voor als zijn secretaris en Raffles merkte op, dat lady Wydemour, de aanstaande hertogin en de jonge secretaris elkander met innig verliefde blikken aankeken.
Raffles droeg de taak om de juweelen te toonen aan de vrouwelijke detective over en ging eenige woorden wisselen met den jongeman, die hem levendig belang inboezemde.
Maar vóór dien fluisterde hij het meisje toe:
„Valt het u niet op, lady, dat de hertog van Norfolk zoo bleek ziet? Doorgaans zijn de lieden, die langen tijd in Indië hebben vertoefd, toch heel wat bruiner van huidskleur.”
Nu begon hij een kort gesprek met den secretaris.
De lady keek den hertog aan en inderdaad, zijn bleekheid viel ook haar op. Hij zag er eerder uit als iemand, die maandenlang achtereen de kamer had gehouden dan als iemand, die vele jaren onder de tropische zon had geleefd.
„Pardon, mijnheer,” sprak Raffles tot den secretaris, „ik spreek u aan, omdat ge dezelfde uniform draagt als iemand, met wien ik onder zeer tragische omstandigheden heb kennis gemaakt.”
De secretaris greep krampachtig lord Listers beide handen.
„Wat zegt ge? Hebt ge hem gezien? Waar? Ach—ik zoek hem als sinds vele maanden—hij is mijn vader!”
Lord Lister knikte.
„Dat dacht ik al. De man die dezelfde uniform droeg, is gisteren in den kelder van het elfde bijkantoor der Londensche en Zuid-West Bank gevonden. Ik raad u, naar de politie te gaan om het lijk te zien!”
De jongeman barstte in snikken los.
„Om Godswil—ook dat nog! Ook dat nog! En niemand weet, waar ons vermogen is gebleven.”
„Moest ge deze betrekking aanvaarden, omdat ge verarmd zijt?”
„Ja. Vader had zijn kapitaal op het elfde bijkantoor. Eensklaps was hij spoorloos verdwenen. Toen wij onderzoek naar hem instelden, hoorden wij, dat hij het geheele kapitaal had opgenomen—geen sterveling wist, wat hij met al het geld moest doen. Sindsdien heb ik nooit meer iets van vader gehoord.”
„De zaak is nogal duidelijk. Hij is een slachtoffer van den directeur van het bijkantoor geworden, die uw vader zeker maandenlang heeft gevangen gehouden, voordat hij hem doodde in den kelder.”
De jonge dame had haar hoofd omgewend en keek den secretaris wederom aan met veelzeggenden blik.
Deze bemerkte, dat mister Blakes dien blik van verstandhouding had opgemerkt
„Om Godswil,” smeekte hij lord Lister, „zeg niets van wat ge hebt opgemerkt.”
Lord Lister dacht eenige oogenblikken na.
„Ik zal ervoor zorgen,” sprak hij toen, „dat ge weer in het bezit van uw vermogen wordt gesteld en als ge verstandig en moedig zijt, moet ge ervoor zorgen, dat de hertog van Norfolk niet haar tot zijn gade maakt, die gij lief hebt.”
Daarop ging hij weer naar de juweelentafel.
„Zijt ge niet vermoeid, lady?” vroeg Raffles het jonge meisje.
Zij schudde het hoofd. [22]
„Mijn slaap wordt verdreven door de gedachte aan hem, die naast mij zit.”
Hij glimlachte vergenoegd.
„Gij zijt dus bang voor mij, lady?”
„Bang niet! Maar ik begrijp niet, waarom ge vannacht in het elfde bijkantoor hebt ingebroken, de juweelen hebt gestolen en ze hier bracht. Waartoe dat allemaal? Wilt ge als detective optreden?”
Zij keek hem boos aan.
„Wilt ge misschien de diamanten van den hertog stelen?”
„Hadt ge dan iets anders gedacht, lady?”
„Dat zult ge niet wagen!”
„Ge zult het zien, lady!”
Haar oogen vlamden.
„Ik zal het u beletten”; zij haalde een pistool te voorschijn. „Bij de eerste poging schiet ik u neer!”
Hij glimlachte weer.
„In de eerste plaats lady, heb ik de patronen uit de revolver genomen, in de tweede plaats zult ge het niet merken, dat ik de diamanten steel en in de derde plaats—”
Hij hield plotseling op. In het volgende oogenblik was de geheele zaal in de diepste duisternis gehuld.
„Ellendeling!” riep het meisje uit. Maar toen begreep zij, dat Raffles het licht niet kon hebben uitgedraaid, want hij had zich niet van zijn plaats bewogen.
Zij had zich op de diamanten geworpen en was besloten, die met haar leven te verdedigen; maar een hand klemde zich om haar keel en duwde haar terug, terwijl een tweede hand onder haar arm doorschoof en naar de juweelen op het kussen tastte.
Het meisje was echter niet zoo gauw van haar stuk te brengen. Zij liet zich eerder een mes tusschen de ribben steken, dan dat zij dezen diefstal toeliet. Met beide handen greep zij de hand vast—een rilling liep haar over het geheele lichaam, zonder dat zij in staat was, deze hand los te laten. Een oogenblik later klonk een schot en het electrische licht brandde weer.
In de zaal heerschte algemeene verwarring en toen het licht weer opging, was de vrouwelijke detective met een luiden kreet naast de divan neergevallen en had het bewustzijn verloren.
Lord Lister pakte het ding, dat zij in haar handen hield en slingerde het in een grooten boog weg.
Het was een doode hand—een hand, die eens aan een mensch had toebehoord, en die nu zorgvuldig was geprepareerd; de hand van een aristocraat, voornaam en elegant.
Aan den middelvinger schitterde een groote, kostbare smaragd, waarin twee letters waren gegrift.
Een deel der politie-agenten zochten naar den man, die deze brutale inbraak had gepleegd en eenige anderen stonden met wanhopige gezichten om de doode hand.
Raffles echter boog zich over het kussen, nam er de juweelen af, stak ze in zijn zak en ging weg.
Buiten in de duisternis ontmoette hem een troep politie-agenten met Baxter aan het hoofd.
Het was zóó donker, dat men de lieden nauwelijks kon onderscheiden.
„Wat is er gebeurd?” vroeg Baxter, die hem in zijn vermomming voor een rechercheur hield.
„Er is een inbraak gepleegd,” antwoordde lord Lister doodkalm.
„Dat was Raffles! O, ik word nog gek! Raffles en altijd weer Raffles!!”
Hij rende de zaal binnen.
Lord Lister verwijderde zich doodkalm, nam een rijtuig en reed naar den secretaris van den hertog van Norfolk.
Lord Lister was totaal veranderd, toen hij bij den secretaris in de kamer trad, die hem dan ook in den beginne niet herkende.
„Ik denk, dat ge met lady Wydemour hebt afgesproken om met haar te vluchten, vóórdat zij de gade van den hertog van Norfolk zal worden!”
„Hoe weet ge dat?” [23]
„Ik weet alles. Maar hebt ge ook de noodige middelen om te vluchten!”
„Helaas niet.”
„Welnu, hier hebt ge de diamanten, die de hertog officieel aan lady Wydemour had beloofd. Ze zijn haar eigendom, dat kan niemand ter wereld haar betwisten; en hierbij hebt gij nog duizend pond, die zeker wel toereikend zijn om in de eerste behoeften te voorzien!”
Lord Lister gaf den secretaris een portefeuille en verwijderde zich.
De secretaris rende hem na.
„Dat is te veel!” riep hij uit. „Gij maakt mij tot den gelukkigste aller stervelingen. Hoe kan ik u ooit danken? Wie zijt gij?”
„Ik ben Raffles. Vaarwel!”
Op het oogenblik dat lord Lister de deur wilde openen schrikte hij terug. Het geluid van rammelende ketenen was tot zijn oor doorgedrongen.
Hij keek den secretaris met vragenden blik aan.
„Het is verschrikkelijk,” fluisterde deze, „dat herhaalt zich iederen nacht. Het is een van de voorvaderen van den hertog van Norfolk. die geen rust in zijn graf kan vinden!”
Lord Lister haalde geërgerd de schouders op.
Hoofdschuddend ging hij heen en reed naar zijn woning, waar Charly Brand hem ontsteld tegemoet trad.
„Om Gods wil, ga dadelijk terug of je bent verloren!”
„Waarom?”
„Vraag niet verder, maar vlucht!”
„Maar zeg mij dan toch, waarom.”
„Een dame is hier—de bekende vrouwelijke detective, die je arresteeren wil!”
Lord Lister lachte luid op.
„En schrik je daar zoo van, omdat lady Marion op visite is gekomen?”
Charly keek zijn vriend verstomd aan.
Lord Lister beval nu zijn dienaar om voor een goed souper te zorgen en trad toen den salon binnen.
Uit een stoel verrees een schoone gestalte. Het was lady Marion.
Lord Lister ging haar tegemoet en sprak op hoffelijken toon:
„Dat noem ik een verrassing, lady Marion en het doet mij genoegen, dat ge aan mijn uitnoodiging hebt gehoor gegeven.”
Het meisje keek hem met de grootste verbazing aan.
„Ja zeker lady, ge hebt immers gisteravond een rechercheur achter mij aan gestuurd om mijn adres op te nemen. Ik heb den man niet op een dwaalspoor willen brengen om daardoor niet het genoegen van uw bezoek te missen en zoodoende heb ik u dus uitgenoodigd!”
Het meisje wist niet meer, wat ze moest zeggen of doen- Zij had Raffles willen arresteeren, maar de woorden bleven haar in de keel steken.
Eindelijk bracht zij uit:
„Ik ben gekomen om van u de gestolen diamanten van den hertog van Norfolk terug te vorderen!”
„Laat ons later over zaken spreken, lady, en laat ons nu soupeeren!”
Zij schudde het hoofd.
„Neen, mister Raffles, ik moet dadelijk de diamanten hebben of—”
„Of wat, lady? Wat wilt ge tegen mij beginnen? Als ik u nu eens een doek met chloroform tegen den neus houd en u vastbind en u daarna in de Theems gooi? Hebt ge al aan die mogelijkheid gedacht?”
Zij werd bleek en zweeg.
Inderdaad! Zij was geheel in zijn macht.
De rollen waren thans geheel anders verdeeld dan zij zich het had voorgesteld. Hoe zou het haar mogelijk zijn om Raffles thans toe te voegen:
„In naam der wet zijt ge mijn gevangene!”
Maar toch!
Hij had nog niet met haar afgerekend, en hij wist [24]niet, dat over een uur Baxter hier zou zijn met eenige politieagenten! Zóó dwaas was zij toch niet geweest om alles op één kaart te zetten.
Raffles scheen dat niet te vermoeden en evenmin had hij er eenig idee van, dat voor zijn huis vier geheime politieagenten op wacht stonden.
„Nu, lady Marion,” sprak hij thans weer, „wenscht ge mijn uitnoodiging niet aan te nemen?” en hij bood haar zijn arm.
Het meisje wist niet, wat zij doen moest.
Zij haalde de schouders op, nam den aangeboden arm en volgde Raffles naar de eetkamer. Vol bewondering rustte haar blik op deze vreemde kamer, waarin kostbare meubels, oud porselein en zeldzame schilderijen een fraai geheel vormden.
„Mag ik u mijn secretaris en vriend voorstellen, lady? Hij heet Charly. Meer van zijn naam kan ik u niet verraden; ge zoudt hem later eens in uw beroep kunnen ontmoeten. Doe hem nooit kwaad, lady, want hij is een beste kerel!”
Lord Lister bediende zelf de jonge dame en schonk haar glas vol.
„Ik drink geen wijn!” sprak het meisje.
„Kom, lady Marion, dat meent gij niet. Ge denkt natuurlijk, dat ik het een of andere poeder in uw glas heb gestrooid, maar ge vergist u, lady Marion. Ik ben volstrekt niet gevaarlijk en aan gif heb ik nooit gedacht.”
Het meisje bloosde en schaamde zich; toen nam zij het glas en dronk het leeg.
„Hebt ge nog iets naders gehoord, lady,” vroeg lord Lister plotseling, „of de Raffles, dien door inspecteur Baxter in het tentoonstellingsgebouw is gearresteerd, nog altijd achter slot en grendel zit?”
„Hij is weer op vrije voeten gesteld,” antwoordde zij, „maar later toch weer in hechtenis genomen. Inspecteur Baxter wilde het eerst niet gelooven, dat de directeur van het elfde bijkantoor een schurk was, maar hij heeft ook zoo veel aan zijn hoofd en thans bemoeit hij zich weer met het nieuwste Londensche schandaal.”
„Wat is dat dan?”
„Dat een zekere mr. Thompson er van door is gegaan met de bruid van den hertog van Norfolk.”
Lord Lister lachte hartelijk.
„Zoo? Is dat inderdaad waar? Ge bedoelt toch den secretaris van den hertog?”
„Ja, juist. De jonge man beweert een zoon te zijn van den man, die door den directeur van het elfde bijkantoor vermoord is en daarom heeft inspecteur Baxter den directeur wederom in hechtenis genomen.”
„Nu, en verder?”
„De directeur heeft alles bekend, nadat hij een verhoor had ondergaan van twee uren. Hij heeft mr. Thompson vermoord en toen de politie huiszoeking deed, heeft zij ook het lijk gevonden van mr. Blakes.”
„Dan heeft de politie dus eindelijk beslag gelegd op een lafhartigen schurk.”
„Ik ben alleen maar bang, dat er nog zoo’n schurk in Londen zit, waarop noch Baxter noch zijn collega’s eenig vermoeden hebben!”
Terwijl het gesprek in vollen gang was, bemerkte het meisje niet, dat lord Lister plotseling een korreltje, ter grootte van een speldeknop, tusschen duim en wijsvinger liet glijden.
Neen, zij merkte het niet.
Lord Lister haalde zijn sigarettenkoker te voorschijn.
„Is het veroorloofd, lady?”
Zij knikte en lachte en dacht er aan, hoe grappig het zou zijn, als zij over een half uur, wanneer Baxter met zijn mannetjes zou verschijnen, plotseling zou opspringen en uitroepen:
„Raffles, ik arresteer u, in naam der wet!”
Toen eensklaps werd het haar, alsof een zwarte nevel voor haar oogen trok.
Instinctmatig rees bij haar de gedachte: „Je bent vergiftigd,” maar toen, terwijl zij een blik naar lord Lister wierp, werd zij weer kalm.
Neen!—Zoo slecht zou hij toch niet zijn en zij had [25]nog nooit gehoord, dat hij iemand had voorgelogen.
Maar nu gevoelde ze zich toch weer zoo vreemd! De woorden van lord Lister drongen nog slechts vaag tot haar door. Zij liet de armen langs het lijf vallen en sloot langzaam de oogen.
Charly Brand had deze verandering gezien en was opgesprongen.
„Om Godswil, wat heb je haar gegeven?” vroeg hij, „ze verliest het bewustzijn.”
Lord Lister schudde het hoofd. Zijn gelaat was heel ernstig.
„Ik moest dit middel te baat nemen, beste Charly, maar het is volkomen onschadelijk—en toch een der gevaarlijkste wapenen waarover ik te beschikken heb.”
„Verliest ze het bewustzijn?”
„Neen. Heb je nooit gehoord van de guala, de plant der vergetelheid?”
Charly Brand schudde het hoofd.
„Zij is feitelijk een verdoovingsmiddel. Als zij dikwijls wordt gebruikt, kan zij krankzinnigheid veroorzaken, maar anders heeft zij slechts geheugenzwakte tengevolge, en— —”
Lord Lister kon niet voleinden, want lady Marion hief het hoofd op. Haar oogen schitterden weder.
Een poosje keek zij vragend rond, toen vroeg zij:
„Waar ben ik?”
„Ge zijt bij lord Boston, lady, drink eens, dat zal u goed doen!”
Zij dronk en keek den grooten Onbekende weer aan.
„Zijt gij lord Boston?”
„Ja, lady.”
Zij knikte.
Het gesprek werd voortgezet, maar het meisje scheen zich inderdaad niets meer te herinneren.
Raffles nam haar hand en hield die langen tijd in de zijne en terwijl Charly Brand weer steeds hoofdschuddend keek van de een naar den ander, sprak lord Lister op fluistertoon tot het jonge meisje, alsof hij haar staatsgeheimen had te vertellen. [26]