Het werd zoo stil in de eetkamer, dat men het tikken der klok duidelijk kon hooren.
De lord hield nog steeds de hand vast van lady Marion en Charly Brand was ingedommeld, toen plotseling de kamerdienaar verscheen.
„Pardon, lord—de politie is er!”
Charly sprong op.
Ook Raffles was opgestaan en verschoot van kleur.
„Politie?”
Daar was hij niet op voorbereid.
„Waar zijn ze?”
„Ze komen juist de trap op! Ik stond met de keukenmeid te praten, toen een inspecteur kwam vragen of hier een heer woont, die een dame op bezoek had. De heer heette lord Boston!
„Ik schrikte vreeselijk en zei:
„Neen, inspecteur!”
Luid lawaai werd nu vernomen op de trap.
Raffles mocht niet langer aarzelen. Alles hing van één oogenblik af en reeds overlegde hij, langs welken kant hij zich het best door de vlucht zou kunnen redden, toen plotseling een zachte vrouwenstem aan zijn oor fluisterde:
„Wat is er, lord Boston? Wat wil de politie van u? Dat die ook juist nu moet komen!”
De Groote Onbekende glimlachte even.
„Vlieg naar buiten, Charly en tracht ze op te houden.” En toen tegen Marion:
„Ge moet me redden—binnen een minuut is de politie hier—het kost je maar een woord.”
Zij was opgesprongen en verloor geen oogenblik haar tegenwoordigheid van geest.
„Wat kan ik voor je doen?” vroeg Marion met liefdevollen blik, want in hetzelfde oogenblik was zij er zich van bewust geworden, dat zij dezen man niet aan de politie zou kunnen overleveren.
„Ga zoo gauw mogelijk naar buiten en doe alsof je den inspecteur kent. Je zegt hem dan naar boven te gaan en de dienstbodenkamers te doorzoeken. Als de politie daarheen gaat, kom jij in de vestibule, waar ik je zal wachten.”
Met een enkelen sprong was lord Lister achter een groot tochtscherm verdwenen, in hetzelfde oogenblik, dat Baxter de deur opendeed en binnentrad.
„Waar is hij? Kom, vooruit Raffles, spartel nu maar niet tegen!”
Zijn blik viel thans op lady Marion, de vrouwelijke detective.
„Ha, zijt gij daar, lady? Ik heb me al ernstig bezorgd over u gemaakt. Ik zie, dat ge reeds gesoupeerd hebt! Nu, des te beter! Waar is hij?”
Lady Marion haalde de schouders op.
„Gij zijt op een dwaalspoor inspecteur, hij is niet hier!” [27]
„Wat? Niet hier? En ik meende door de glazen deur zijn schaduw te zien!”
„Hij is door de vestibule langs een trap naar een geheime gang gevlucht!”
Baxter draaide zich oogenblikkelijk om en riep tot de agenten:
„Volg mij! Kom, lady Marion, ga ook mee.”
Lady Marion volgde de politiemannen, die de trap opgingen, naar de dienstbodenvertrekken.
„Kom, lady, kom!” riep inspecteur Baxter nogmaals, maar het meisje aarzelde, Want zij wilde de komst van lord Boston afwachten.
Zij zag een schaduw langs den muur glijden, zij keerde zich om en haar ontsnapte de kreet:
„Raffles!”
Guala, de bloem der vergetelheid, had haaf werking verloren en de vrouwelijke detective herinnerde zich weer alles, wat gebeurd was.
Baxter had dien uitroep gehoofd en zich bliksemsnel omgekeerd, maar in hetzelfde oogenblik was Raffles hem op zij en wierp de zware deur in het slot.
Het meisje wilde schreeuwen en zich op Raffles werpen, maar deze legde zijn hand op haar mond, hief haar op en droeg haar de trap af,
„Laat dadelijk het rijtuig voorkomen!” riep John Raffles zijn vriend toe, terwijl boven aan de trap met stokken op de gesloten deur werd gebeukt, en inspecteur Baxter luid uitschreeuwde:
„Lady Marion! Lady Marion! Gij hebt ons in een val gelokt! Schaam u, lady Marion! Nu kan men weer eens zien, hoezeer men zich op de vrouwen kan verlaten! Vooruit, jongens! Wij moeten hem hebben!”
Een bediende kwam zeggen, dat het rijtuig voor was.
Nog altijd hield Raffles zijn hand op den mond van het meisje, dat zich als een wanhopige verdedigde, totdat de krachten haar begaven.
„Zoo gauw als ik vertrokken ben,” sprak Raffles nu tot zijn bediende, „kunt gij die lieden daarboven weer in vrijheid stellen en hun zeggen, dat ik lady Marion naar huis heb gebracht.”
Nauwelijks zette het rijtuig zich in beweging, of de agenten, die buiten op post hadden gestaan, vlogen achter het rijtuig aan en toen Raffles zijn hoofd uit het portier stak, floot hem een kogel om de ooren.
In hetzelfde oogenblik werd zijn keel toegeknepen en een stem fluisterde:
„Raffles, ge zijt mijn gevangene.”
Zonder de minste moeite verwijderde Raffles de vingers van zijn hals.
„Het zou mij spijten, lady, als ik eenig geweld tegen u moest gebruiken!”
Het rijtuig stond hu met een schok stil, en Raffles ontdekte tot zijn niet geringe ontsteltenis, dat zijn beide prachtige hengsten waren overhoop geschoten.
Lord Lister sprong uit het rijtuig en was weldra door een aantal detectives omringd.
De eerste, die hem wilde naderen, kreeg een geweldigen stoot onder de kin, zoodat hij een eind achteruit stoof. De tweede kreeg een trap en de derde vloog met zoo’n smak tegen de equipage, dat hij de lady in zijn val mee overhoop trok.
Maar het meisje was besloten Raffles tot elke prijs te vangen en zij vuurde de agenten aan.
Toen Raffles op de vlucht sloeg, ijlde zij hem achterna.
Plotseling stond Raffles voor den achterkant van een gebouw, waar hij reeds eens was geweest, toen hij den secretaris van den hertog van Norfolk de diamanten had gegeven.
Hij bedacht zich geen oogenblik en klom tegen het traliewerk op; daarna verdween hij in den donkeren tuin, juist in hetzelfde oogenblik, dat zijn vervolgers hem te vergeefs in de straat zochten.
In zijn vaart rende de vluchteling tegen een fontein aan; een gedeelte van het voetstuk viel naar beneden en Raffles keek in een donker gewelf.
Een oogenblik aarzelde hij, maar toen ook begreep hij, dat dit de eenige weg tot redding was en hij liep de gang door. [28]
Aan het eind verwijdde de gang zich tot een hol, hetgeen Raffles bij het schijnsel van zijn electrische zaklantaarn opmerkte en toen ook bereikten jammerkreten zijn oor, vermengd met het rammelen van ketenen.
De tanden op elkaar geklemd schreed Raffles voorwaarts en toen zag hij op een stroobos het uitgeteerde lichaam van een mensch, geheel in lompen gehuld.
Toen die persoon Raffles aankeek, deinsde hij verschrikt achteruit en lord Lister, die anders voor geen kleintje vervaard was, klemde de tanden op elkaar om het niet uit te schreeuwen van afschuw.
De ongelukkige miste de rechterhand en zijn arm eindigde in een stomp, gehuld in lompen.
Het gelaat had weinig menschelijks meer behouden, maar toch waren de trekken nog duidelijk te herkennen. De gelijkenis met den hertog van Norfolk, in wiens paleis lord Lister zich bevond, was treffend.
Wie was die ongelukkige?
Waarom miste hij juist de rechterhand? Hing deze ontdekking misschien samen met die doode hand, die de vrouwelijke detective had vastgehouden?
„Wie zijt gij?” vroeg lord Lister den ongelukkige. „Vertrouw op mij, ik zal trachten u te redden!”
Een afschuwelijk reutelen, was het antwoord. De rampzalige opende den mond en met een kreet van weerzin trad Raffles achteruit. De man miste zijn tong.
En langzamerhand werd alles Raffles duidelijk, toen hij de linkerhand van dien ongelukkige bekeek, den bouw van zijn lichaam, de aristocratische trekken, die door het lijden niet waren uitgewischt.
Dit was de echte hertog van Norfolk, en de ander was een schandelijke, een ellendige bedrieger, waarvan in Londen de weerga niet te vinden was.
Een grenzelooze toorn maakte zich van lord Lister meester, toen hij langzamerhand begon te begrijpen, hoe deze ongelukkige gepijnigd was, opdat de ander maar zoo spoedig mogelijk in het bezit van de onschatbare diamanten zou komen.
Maar lord Lister zou wraak nemen! Hij haalde een reusachtig groot mes te voorschijn en na langen tijd te hebben gevijld, vielen de ketenen rammelend neer. Toen beval hij den ongelukkige, door teekenen, hem te volgen.
De gevangene deed dit, op handen en voeten voortkruipend, voorafgegaan door lord Lister, die zijn electrische zaklantaarn gereed hield.
Vele gangen ging het tweetal door, vele deuren werden door lord Lister opengebroken of stuk getrapt en vele kamers bezochten zij.
Eindelijk belandden zij in een fantastisch gemeubeld vertrek. Een jong meisje lag op den grond en een man, met een lang dolkmes in de hand, had zijn knie op haar keel gezet en stond gereed, den doodelijken stoot toe te brengen.
In een enkel oogenblik had Raffles den geheelen toestand overzien. Vol gruwelijke ontzetting herkende hij in het bedreigde meisje de vrouwelijke detective en in den man den valschen hertog van Norfolk.
Met een schreeuw van woede wierp lord Lister zich op hem.
De woestaard keek met bloeddoorloopen oogen zijn nieuwen tegenstander aan, liet het meisje los en wierp zich met woest gebaar op lord Lister.
Deze was ongewapend, want in het onderaardschse hol had hij zijn messen en zijn revolver laten liggen.
De hertog van Norfolk maakte heel handig gebruik van dezen ongewapenden toestand van zijn tegenstander en terwijl hij hem met den linkerarm van zich trachtte af te weren, gaf hij hem terzelfdertijd zulk een geweldigen trap tegen den buik, dat lord Lister bijna neerviel. Toen stiet hij naar hem met zijn mes.
Met een handige beweging echter was lord Lister uit den weg gegaan, zoodat het wapen de lucht doorkliefde en in de lambriseering van den muur terecht kwam, waartegen lord Lister geleund stond.
In het volgende oogenblik had hij den arm van zijn [29]vijand beetgepakt en met de geweldige kracht, waarover hij kon beschikken, neergedrukt. Opnieuw stiet zijn vijand naar hem en deze manier van strijden was des te gevaarlijker, daar lord Lister zich er nooit van had bediend.
Maar de schurk daarentegen was weer niet bekend met een wijze van vechten, waarin lord Lister een meester was. Terwijl de ander namelijk zijn rechterarm ophief om het wapen in lord Listers borst te stooten, gleed de linkerarm van lord Lister bliksemsnel tusschen den rug en de beide armen van zijn vijand.
Nu was het natuurlijk den schurk onmogelijk, met den rechterarm nog toe te stooten.
Terzelfder tijd omklemde lord Listers rechterhand den linkerarm van zijn vijand. Zijn eigen linkerarm lag nu als een steen tusschen den rug en de beide armen van zijn tegenstander, wien het onmogelijk gemaakt was, de geringste beweging uit te voeren.
Wel trachtte hij, als een razende tekeer gaande, zich te bevrijden, maar nog voordat hij zich kon losmaken, had lord Lister hem drie keer met de vlakke hand een klap tegen de keel gegeven, zoodat de aanvaller als een zak neerplofte.
Lord Lister wierp zich op hem en bond hem, voordat de ellendeling weer tot bezinning was kunnen komen.
Toen sprong hij op.
Hijgend, zelf vrij ernstig gewond, stond hij voor de vrouwelijke detective.
Voor den eersten keer in zijn leven was lord Lister zoo zwak, dat een kind hem had kunnen overwinnen. De vreeselijke gebeurtenissen van dezen nacht hadden zijn krachten uitgeput en de verwoede strijd met dien ellendeling had het laatste beetje van zijn weerstandsvermogen nog opgeslokt.
En als lady Marion nu haar revolver had genomen en met dreigend gebaar had uitgeroepen: „Handen hoog, Raffles, ge zijt mijn gevangene!” dan zou lord Lister niet meer de kracht hebben gevonden om zich te verdedigen tegen dezen nieuwen vijand.
Zijn kleeren hingen in flarden langs zijn lijf, zijn knieën beefden, en met de rechterhand greep hij de leuning van zijn stoel.
Maar het meisje dacht er niet meer aan, hem te arresteeren.
Zij was immers vrouw en sinds het oogenblik dat zij Raffles had leeren kennen, hadden er in haar twee machten om den voorrang gestreden:
De trots en de liefde.
Zij had tot op dit oogenblik niet willen bekennen, dat deze man haar meester was. Zij had al haar trots erop gezet, hem te arresteeren, hem op wien nog geen man vat had kunnen krijgen en toch was, sinds het eerste oogenblik, de liefde in haar hart geslopen.
En nu—nu Raffles weerloos voor haar stond—nu zegevierde ook die liefde voor het eerst.
Ja, alle haat was verdwenen!
Zij zou in dit oogenblik in staat zijn geweest, haar leven voor hem op te offeren en zij werd doodelijk bleek, toen het huis plotseling daverde van vreeselijk rumoer.
Men hoorde bijlen slaan, deuren vlogen splinterend uiteen, schoten kraakten en het jammeren van doodelijk getroffen dienaren vervulde het geheele huis.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
De vrouwelijke detective had dadelijk haar opmerkzaamheid gericht op het paleis van den hertog van Norfolk, toen Raffles haar ontsnapt was.
Zij was ervan overtuigd, dat hij zich hier ergens verborgen hield en had zich in het nachtelijk uur tot den hertog van Norfolk gewend om het huis te laten doorzoeken.
De hertog echter, die zelf niets vuriger verlangde, dan dat Raffles werd om hals gebracht, had het bezoek der vrouwelijke detective verkeerd opgevat.
Hij, die dag en nacht in de vreeselijkste angsten verkeerde, dat zijn misdaad aan het licht zou komen, meende zich reeds ontdekt te zien, had daarom de detectives der lady door zijn dienstpersoneel laten overrompelen en was op het punt, de lady zelve voor [30]altijd onschadelijk te maken, toen lord Lister in het juiste oogenblik was verschenen.
Een der detectives, die de lady had vergezeld, was ontsnapt en had de politie verteld van het gevecht, dat had plaats gevonden.
Inspecteur Baxter, die intusschen met zijn detectives in Scotland Yard was aangekomen, was onmiddellijk op weg gegaan en hij was het, die nu met zijn lieden de deuren verbrijzelde en hef heele huis overhoop haalde om de vrouwelijke detective op te sporen.
Zij kromp ineen.
Enkele oogenblikken luisterde zij, toen legde ze haar hand op den arm van den meesterdief.
„Binnen twee minuten zijt ge verloren!” fluisterde zij, „ik zal u redden!”
Lord Lister verzamelde al zijn krachten.
Het bloedverlies, dat veroorzaakt werd door verscheiden wonden, verzwakte hem nog meer.
Maar thans, nu gevaar dreigde, kwam de oude energie weer boven.
Deze man die over een ijzeren constitutie beschikte, gaf zich nog niet verloren. Hij richtte zich hoog op en volgde de lady, die ijlings voortliep.
Zij zelve was echter niet genoeg op de hoogte van al de verschillende vertrekken van het paleis om te weten, waarheen zij lord Lister moest brengen.
Zij wilde hem slechts brengen uit de verderfelijke nabijheid der detectives, die juist de laatste deuren verbraken en nu de kamer binnendrongen, waar zich zoo juist de vreeselijke strijd had afgespeeld.
Intusschen had lord Lister een der laatste vertrekken van het huis bereikt.
Hij zag daar een groote kast, deed deze open en nam er een kostbare pelsjas uit.
„In dit kostuum kan ik toch moeilijk de straat opgaan, juffrouw,” zei hij lachend en hij trok den kostbaren pels aan.
Nu zag hij ook in een aangrenzend vertrek een groote, ijzeren brandkast.
„Ik heb mijn geld vergeten, lady,” zei hij met den ouden humor, die weer met zegevierende schittering in zijn oogen lichtte, „en zonder geld is Raffles een nul.”
Hij haalde zijn ijzeren boor voor den dag en opende de kast.
De vrouwelijke detective echter legde beide handen op zijn arm en zei:
„Om Godswil! Als ge nog een seconde toeft, zijt ge verloren!”
In hetzelfde oogenblik vloog de brandkast open.
Lord Lister haalde er den inhoud uit en stak de bankbiljetten in den zak.
Dit geschiedde, toen juist Baxter en zijn mannen de kamer wilden binnendringen, die nog slechts door twee zwakke deuren was afgescheiden van die, waarin Raffles zich bevond.
Hij was verloren.
Maar nu ook daagde een helper op, waaraan hij noch de vrouwelijke detective hadden gedacht.
Uit een der hoeken kroop een afschuwelijke gedaante te voorschijn, die in het zwakke schemerlicht van een roode lantaarn er nog weerzinwekkender uitzag dan tevoren: die half mensch half dier scheen en zich uitrekte, de uitgeteerde armen opgeheven.
Als een beschermer plaatste de gedaante zich voor de deur, waarachter lord Lister was verdwenen.
De ongelukkige, die maandenlang in ketenen had gezucht, had genoeg verstand behouden om te begrijpen dat degeen, die hem dezen nacht gered had, voortvluchtig was.
En hij toonde zijn dankbaarheid, doordat hij lord Listers vlucht met zijn leven dekte.
Inspecteur Baxter en zijn mannen weken verschrikt [31]achteruit, toen zij die afschuwelijke gestalte ontdekten.
Het was, alsof een lijk plotseling levend was geworden!
Die van waanzin gloeiende, half uitgedroogde oogen, joegen den detectives den grootsten angst en ontzetting aan.
Zij weigerden het allen, die vreeselijke gedaante, die zij hielden voor de een of andere spookverschijning, daar van de deur weg te jagen en eerst, toen reeds vele minuten in ijzingwekkende stilte waren voorbijgegaan, vond inspecteur Baxter zelf den moed om dien ongelukkigen stumperd beet te pakken en opzij te slingeren.
Toen vloog de inspecteur alle kamers door en juist toen hij de laatste, de achterste bereikt had, zag hij, hoe een donkere gedaante als een pijl uit den boog door het venster verdween en naar beneden zich liet glijden.
Het was lord Lister, die geluidloos in den donkeren nacht verdween.
Baxter had hem heel goed herkend.
Hij zond den vluchteling dan ook onmiddellijk een schot kruit na.
Toen keerde hij zich, snuivend, hijgend, kuchend van woede tot de vrouwelijke detective:
„De duivel mag jou halen!” bulderde hij, „en dát wil een detective wezen!”
Het meisje glimlachte.
Toen schudde zij het hoofd.
„Ik was het, inspecteur!”
„Hoe—wat? Versta ik goed?”
„Dat doet ge!”
„Zeg het dan nog eens, als je durft!”
„Ik durf!”
„Zeg het!”
„Ik was een detective, inspecteur, maar nu— —”
„Nu?”
„Nu ben ik een vrouw geworden!”
Inspecteur Baxter keek haar eenige oogenblikken aan.
Hij was ervan overtuigd, dat dit meisje haar verstand verloren had en schouderophalend wendde hij zich af.
„Daar begrijp ik niets van!” bromde hij en toen maakte hij zich gereed om lord Lister te gaan vervolgen, die niet meer kon worden ingehaald.
De schurk, die door Raffles gearresteerd werd, werd nog denzelfden nacht naar Scotland-Yard overgebracht.
Daar bekende hij ook, toen hij tegenover zijn rampzalig slachtoffer geplaatst werd, dat hij zich onmenschelijk had gedragen.
In Indië had hij zeven jaren doorgebracht in het tuchthuis te Madras en was toen door den hertog van Norfolk, die niets van zijn verleden wist, als diens particulier secretaris aangenomen.
Hij geleek sprekend op den hertog en van deze noodlottige gelijkenis had de schurk al heel gauw profijt getrokken.
Hij had zijn meester gevangen genomen en toen met voortreffelijke schurkerij diens rol gespeeld.
De werkelijke hertog van Norfolk stierf twee dagen later.
Zijn diamanten zijn hooit meer het eigendom geworden van zijn geslacht.
En Raffles?
Ach, hij wist het wel, dat het mooie meisje, de bekoorlijke miss Marion, hem had geholpen, toen hij te [32]zwak, te uitgeput was om nog eenigen tegenstand het hoofd te bieden!
Maar hij verbaasde zich niet, de elegante jonge lord, want hij wist het maar al te goed, dat zijn invloed op vrouwen onzegbaar groot was. Dat zij voor hem door het vuur zouden gaan, als hij glimlachte, haar leven zouden offeren, zoo hij er om zou smeeken met zijn liefsten lach, zijn meest vleiende stem.
Hij was weer ontkomen, de meesterdief; voor den zooveelsten keer den grijpvingers der politie ontsnapt.
En hij rustte zich uit tot nieuwe daden.