Geruimen tijd bleef Charly zwijgend achterover leunen.
Reeds tallooze malen was hij in de gelegenheid geweest de ontembare geestkracht en den ijzeren wil te bewonderen van den man, met wien het lot hem eenige jaren geleden in aanraking had gebracht, en wiens meeste avonturen hij daarna had gedeeld, en toch was het nog telkens een nieuwe aanleiding tot bewondering voor hem, als hij getuige was van den ontzaglijken, door niets te bedwingen ondernemingsgeest van John Raffles.
Gevaar scheen voor hem een woord te zijn zonder eenige beteekenis.
Ieder ander zou, verkeerde hij in zijn omstandigheden, zich gehaast hebben, zooveel mogelijk kilometers te brengen tusschen zichzelf en de stad, die wel eens het einde van zijn loopbaan had kunnen aanschouwen. Maar in die stad vertoefde nog de doodsvijand van den Gentleman-Inbreker en daarom wilde hij er weder heen trekken, alsof het de eenvoudigste zaak van de wereld was en alsof hem geen gevaar kon dreigen.
Eindelijk, nadat Charly eenigszins van zijn verbazing en ontsteltenis bekomen was, vroeg hij:
„Maar Edward—als je dan toch weer wil terugkeeren, waarom ben je dan zoover doorgereden, tot bijna aan de grensplaats?”
„Dat had een zeer eenvoudige reden—wij zijn tot hiertoe slechts weinig dwarswegen gepasseerd, en wanneer Lord Aberdeen met zijn tourauto van de Fransche grens komt, zal dat volstrekt geen opzien baren.”
Charly zweeg eenigen tijd weder, en hernam toen:
„Neem het mij niet kwalijk, Edward—maar ik kan het doel van onzen terugkeer niet goed inzien!”
„Waarom niet?”
„Omdat het volgens mij wel bijna zeker is, dat wij Stanley niet meer in Genua zullen vinden! Ook hij zal zich wel haasten, zich aan de nasporingen van de politie te onttrekken!”
„Dat moeten wij afwachten!” hernam Raffles bedaard. „Ik wil zekerheid hebben. Geef mij een week—en blijkt het in dien tusschentijd, dat al ons zoeken vruchteloos is, dan ben ik bereid, om weder met je naar Londen terug te keeren—al zou mij dit leed doen, want dan zou het ongetwijfeld weer zeer lang duren, eer wij opnieuw eenig spoor vonden van den ellendeling!”
Intusschen werd de tocht onophoudelijk voortgezet, en ongeveer een kwartier later liet Raffles de auto opnieuw stilstaan, en nam de plaats in van Henderson achter het stuurwiel.
Van de achtervolgende auto was volstrekt niets meer te bespeuren—het leek wel of zij de achtervolging had opgegeven.
Het werd al spoedig duidelijk, dat Raffles de omgeving voortreffelijk kende want hij weifelde geen oogenblik, maar sloeg een tamelijk smallen dwarsweg in, een grintweg, die zeker door iederen automobilist met verachting zou zijn voorbijgegaan, en nu kwam er een waar doolhof van breedere en smallere wegen, totdat de automobiel ten slotte de Italiaansche grensplaats binnenreed—maar van een geheel andere zijde dan waarvan de politie de automobiel van den gevluchten Raffles verwachtte.
De Groote Onbekende had daarenboven nog het voordeel, dat men volkomen in het onzekere was aangaande het aantal zijner helpers, waarvan men aannam, dat het evengoed één als een half dozijn kon bedragen. [7]
Zooals hij wel vermoed had baarde zijn komst in de stad dan ook volstrekt geen opzien, en hij behoefde slechts zijn passen te toonen, om overal aanstonds te worden doorgelaten.
Nu en dan werd de auto een oogenblik aandachtig beschouwd—maar zij had draadspaakwielen, haar kleur was vuurrood, zij beantwoordde dus in geenendeele aan de beschrijving, welke de commissaris van politie uit Genua telegrafisch naar alle grensplaatsen van Italië had gezonden.
Daarenboven behoefde de verschijning van de auto in Ventimiglia volstrekt geen opzien te baren, want, zooals reeds werd gezegd, het seizoen der touristen was reeds aangebroken en het wemelde van auto’s van allerlei maaksel, voornamelijk Amerikaansche en Engelsche.
Van deze stad leidden wegen in verschillende richtingen en het natuurlijk gevolg van de nabijheid van Mentone, Nizza, Monte Carlo en andere steden aan de Riviera was, dat het op dien schoonen lentedag letterlijk krioelde van luxe auto’s.
En zoo leverde het verlaten van de stad al evenmin moeilijkheden op, want geen enkele politieautoriteit zou ook maar een seconde hebben kunnen aannemen, dat de vluchteling de onbeschaamdheid zou hebben, weder op zijn weg terug te keeren.
Maar de drie reizigers brachten toch een onaangename vijf minuten door, toen zij, juist bij het verlaten van Ventimiglia de politieauto tegenkwamen, die hen een paar uur geleden op den grooten weg achtervolgd had.
Het bleek een groot voertuig te zijn en alleen een panne had haar blijkbaar verhinderd sneller te rijden en althans op gelijken afstand van de achtervolgde auto te blijven.
Want de drie mannen zagen aanstonds met het oog van een kenner, dat de groote Lancia een wagen was van minstens tachtig paardekracht, die op een gladden gelijken weg wel honderd kilometer per uur kon halen.
Er zaten zeven man in, waarvan vier in uniform en twee hunner hieven tegelijkertijd de hand op, om de auto van den vreemdeling te doen stoppen.
Het was gelukkig dat Raffles nog steeds aan het stuurwiel zat, want de driftige Henderson zou hoogstwaarschijnlijk het bevel eenvoudig in den wind hebben geslagen en zijn doorgereden.
Thans evenwel zat de reus met de armen over elkaar gekruist in de deftige houding van een uitstekend gedrilden bediende, naast zijn meester die den grooten wagen bestuurde.
Raffles bracht den wagen aanstonds tot staan, zonder dat er een spier op zijn gelaat vertrok. Eenige mannen verlieten de politieauto en de reizigers moesten opnieuw hun papieren toonen.
Ditmaal duurde het onderzoek een weinig langer en het was alsof de politiebeambten slechts met tegenzin zich weder verwijderden van het voertuig, waarom zij wel tien volle minuten hadden heengedraaid, als een kat om de heete brij.
Zwijgend, met samengeknepen lippen, argwanend en toch niet in staat ook maar het minste te kunnen inbrengen tegen het uiterlijk van de reizigers, tegen de auto, of tegen de vertoonde papieren, die voortreffelijk in orde bleken te zijn.
Raffles had zijn kalmte geen seconde verloren, maar Charly bekende naderhand dat hij een benauwd kwartiertje had doorgebracht en Henderson had de grootste moeite, zich te bedwingen om niet als een bom temidden van de achterdochtig rondloopende politiemannen te vallen.
Maar Raffles scheen hem met een blik uit zijn staalharde grijze oogen als het ware te biologeeren en de reus verroerde zich niet.
Eindelijk kon de automobiel haar weg vervolgen, nadat de commissaris van politie, die in ellendig Engelsch met Raffles had gesproken, op brommerigen toon en blijkbaar met tegenzin zijn verontschuldiging had aangeboden.
Op het kalme gelaat van Raffles vertoonde zich slechts een vaag glimlachje, toen hij den hefboom weder overhaalde, maar Henderson barstte, zoodra de afstand groot genoeg was, uit in een van de kernachtige Londensche vloeken, waarvan hij het geheim scheen te bezitten en die hij toch maar zelden teneinde kon brengen, daar een bestraffende blik van Raffles voldoende was, hem halverwege te doen ophouden en de rest van zijn vloek als het ware in te slikken.
Van dat oogenblik af konden de drie mannen zich gerust als volkomen veilig beschouwen, want het ergste was nu zeker achter den rug.
Eenige uren later reden zij, maar nu heel wat langzamer, Genua weer binnen, en Raffles nam opnieuw zijn intrek in een van de weelderige hotels, welke de stad bezit, en liet geen tijd verloren gaan, [8]om aanstonds zijn onderzoek naar Irwin Stanley opnieuw te beginnen.
Zijn laatste ontmoeting met den meester had plaats gehad in een onderaardsche schuilplaats, door een toeval ontdekt en die een deel scheen uit te maken van een ware ondergrondsche stad, zich uitstrekkend in het inwendige van een der hooge heuvels, tegen welker helling Genua is gebouwd.
Maar ook de politie had deze schuilplaats ontdekt en het was niet waarschijnlijk te achten, dat Stanley zich daar opnieuw zou gaan verbergen om daar zijn helsche plannen te smeden, geholpen door zijn Italiaansche luitenants.
Toch gaf Raffles de hoop niet aanstonds gewonnen, en nog dienzelfden avond, na zich goed te hebben vermomd, begon hij, door Charly vergezeld, opnieuw zijn onderzoek.
Onvermoeid onderzochten de beide mannen de havenwijk, overal het oor leenend, in de hoop, dat een onvoorzichtig uitgesproken woord, een uitdrukking, een snel gewisselde blik hen iets zou verraden omtrent de verblijfplaats van den gevaarlijken misdadiger, maar hun poging was vruchteloos.
Laat in den nacht keerden zij terug, legden hun vermomming af, en voor het eerst sedert langen tijd genoten zij daarop de weelde van een ongestoorde nachtrust.
De drie volgende dagen, bijna onafgebroken doorgebracht in de havenwijk, waar de misdaad het weligst tiert, leverden geen beter resultaat op en in den vierden nacht vernamen zij eensklaps, zonder er in het minst op verdacht te zijn, wat zij wilden weten, en toen wisten zij ook, dat zij nu wel aanstonds Genua konden verlaten, daar hun verblijf hier nutteloos was geworden. De meester was reeds drie dagen tevoren naar Londen vertrokken en wel aan boord van een plezierjacht, dat waarschijnlijk had toebehoord aan een van zijn vrienden, en waarop hij zoogenaamd dienst had gedaan als stoker.
Raffles en Charly vernamen dit in een kleine dievenkroeg, die bijna uitsluitend bezocht werd door het gevaarlijkste gespuis, toen zij naast een drietal mannen gezeten waren, die fluisterend over den meester spraken, maar toch niet zoo zacht of de beide mannen hadden hen kunnen verstaan.
Een oogenblik hadden zij geloofd, dat het niets anders was dan een valstrik om hen op een dwaalspoor te brengen, maar aanstonds kwamen zij van deze meening terug. Als Stanley hen ook maar een oogenblik verdacht had en hun vermomming had doorzien, hetgeen dan zou beteekenen dat hij hun spoor voortdurend had weten te houden, dan zou hij immers geen oogenblik geaarzeld hebben, de twee mannen hier onschadelijk te laten maken, hier, in dit kleine, donkere wijnhuis, dat binnen zijn muren reeds zoovele misdaden had zien volbrengen.
Er zou immers geen haan naar gekraaid hebben, als Irwin Stanley zijn doodsvijand en diens trouwen vriend hier op deze plek had laten vermoorden en de lichamen had laten werpen in een van die geheimzinnige putten, die zich in vele oude Genueesche huizen bevinden, vooral in deze buurt en die er grondeloos schijnen te zijn.
Neen, het was wel zeker. Zij wisten nu dat hun taak hier beëindigd was en zij moesten het zichzelve toegeven, dat zij het spoor van den meester voorloopig kwijt waren en niemand kon zeggen, waar en wanneer zij het zouden hervinden.
Zwijgend aanvaardden de beide vrienden nu den terugtocht en pas, toen zij op het punt stonden het hotel binnen te treden, zeide Raffles:
„Het blijkt nu, dat wij onzen tijd nuttiger hadden kunnen besteden, maar niemand had dit kunnen voorzien. Ik dacht niet dat hij het zou hebben gewaagd, reeds nu naar Londen terug te keeren.”
„Maar het is toch onmogelijk, Raffles, dat hij daar lang op vrije voeten blijft,” zeide Charly zachtjes. „Dank zij jouw toedoen is zijn signalement algemeen bekend, men weet dat Stanley inderdaad de meester moet zijn. Hij zal zich nergens kunnen vertoonen, want men zou hem aanstonds arresteeren.”
Maar Raffles schudde mistroostig het hoofd en hernam:
„Dat is in een stad van zeven millioen inwoners minder gemakkelijk, dan het schijnt, Charly. Londen heeft tallooze geheimen, het is ontzaglijk groot en men kan er zich gemakkelijker verborgen houden dan in de Sahara. Irwin Stanley heeft ongetwijfeld vrienden in overvloed, die hem een schuilplaats kunnen verleenen, zoolang het noodig mocht zijn. Al was het een jaar of nog langer. Dan kan hij zijn uiterlijk voldoende veranderen om de politie op een dwaalspoor te brengen. Kortom, die man kan nog zeer veel kwaad brouwen, al is het dan ook in het verborgene.”
„Wij blijven nu zeker niet hier?” [9]
„Morgen vertrekken wij naar Londen.”
En daarop stapten de beide vrienden het hotel binnen en begaven zich ter ruste om reeds den volgenden morgen alles voor hun vertrek in gereedheid te brengen.
De auto, welke Henderson naar Italië had gebracht, zou opnieuw gebruikt worden en om elf uur in den ochtend nam de terugreis een aanvang. Thans echter langs een bijna rechte lijn, over Turin, Genève, Lion, Reims, Kamerrijk en Calais, een weg, die door de auto in twee dagen werd afgelegd en dat was te lang, volgens Henderson, die nog volstrekt niet kon begrijpen, waarom een auto langzamer moest loopen dan haar maximumsnelheid.
Men bereikte Calais, eenige uren voor de kanaalboot zou vertrekken en er was dus voldoende tijd een plaatsbewijs te laten nemen en de auto te laten inladen.
De overtocht had zonder het minste incident plaats en om drie uur in den middag reed de auto Londen weder binnen.
Raffles verkeerde in een tamelijk sombere bui en Charly was weinig minder dan wanhopig. Al die moeite was vruchteloos geweest en opnieuw zou de strijd tegen Stanley, den misdadiger, moeten worden aangebonden onder heel wat moeilijker omstandigheden dan ooit tevoren, want niemand kon thans zeggen waar de schurk zich ophield, wat zijn plannen waren en welke de middelen waren, waarover hij de beschikking had.
Dat Stanley het zeker niet meer zou wagen, naar zijn eigen huis terug te keeren, bleek Raffles nog dienzelfden dag, want toen hij des middags door de Kappelstreet liep, stond het huis van den meester te koop aangeslagen.
Raffles bleef een oogenblik verbaasd staan kijken naar het groote bord, dat aan den gevel was aangeslagen, en mompelde toen:
„Dat is de onbeschaamdheid ten top gedreven. De schurk verkoopt zijn huis als de eerste de beste brave burgerman, die genoeg heeft aan het leven in de stad en op het platteland wil gaan wonen. Ik ben benieuwd, wie deze zaak moet opknappen en hoe hij in het bezit zou komen van de koopsom. Maar daar valt me iets in, ik kon het huis zelf wel eens koopen, wanneer tenminste de prijs niet te hoog is.”
Toen Raffles des avonds dit plan aan Charly mededeelde, keek de jonge man hem verwonderd aan en riep toen uit:
„Wat moet jij in hemelsnaam met het huis beginnen.”
„Ten eerste wil ik het zoo grondig mogelijk onderzoeken, want je weet dat er zich veel geheimen bevinden, die voor mij misschien van veel belang zijn en ten tweede is het misschien mogelijk, op deze wijze, als ik mij als kooper presenteer, weder op het spoor te komen van Stanley.”
„Dat geloof ik haast niet. Hij zal natuurlijk een groot aantal tusschenpersonen gebruiken, die voor hem handelen. Een gansche keten van stroomannen, die je onmogelijk tot het einde zou kunnen volgen.”
„Wij kunnen het in ieder geval beproeven,” meende Raffles kortaf.
En reeds den volgenden dag begon hij zijn nasporingen onder een aangenomen naam, die van graaf Grasham, en Charly bleek maar al te goed te hebben gezien. Het huis bleek het eigendom te zijn van een eerwaardigen grijsaard, een man van bijna tachtig jaar, die verzekerde dat hij het in huur had gegeven aan een zekeren White, en reeds deze White bleek onvindbaar te zijn.
Het was duidelijk, dat deze White of hoe de man dan inderdaad anders mocht heeten, in relatie had gestaan met een vroegeren bewoner van dit huis en dat de eigenaar die reeds meer dan half kindsch bleek te zijn, volstrekt niet geweten had wie er eigenlijk in zijn huis gewoond had.
En bij een nader onderzoek bleek het eveneens, dat de tachtigjarige man slechts zeer weinig eigendomsrechten kon laten gelden, daar het huis zeer zwaar verhypothekeerd was en feitelijk reeds het eigendom was van den zooeven genoemden White of iemand anders, maar wie dat was, kon onmogelijk worden uitgezocht.
Maar dat was voor Raffles van minder belang. Hij kon nog zeer goed een huis in Londen gebruiken en daarom aarzelde hij geen oogenblik, maar kocht het en liet de koopsom, tachtig duizend pond sterling, onmiddellijk aan den zaakgelastigde ter hand stellen.
Er werd nog dienzelfden avond een acte van overdracht opgemaakt en toen kon Raffles zich de onbetwiste eigenaar rekenen van het groote, geheimzinnige huis, waar sedert eenige maanden de meester van het Genootschap van den Gouden Sleutel zijn tenten had opgeslagen.
Charly was maar half te spreken over deze transactie [10]en mopperde, toen Raffles hem mededeeling kwam doen van zijn aankoop:
„Wat moeten wij nu in ’s hemelsnaam met dat huis doen, Edward. Je kunt toch geen tachtigduizend pond sterling uitgeven alleen om te voldoen aan je nieuwsgierigheid betreffende de inrichting van het huis. Je denkt het toch niet te verhuren?”
„Dat denk ik integendeel wel degelijk te doen,” antwoordde Raffles bedaard. „Ik zie niet in, waarom ik ook niet een weinig als huisheer zou fungeeren. Het huis kan met een weinig kosten zeer veel worden verbeterd en ook hier is de woningnood zeer groot, dat men als het ware zal vechten om in mijn huis te mogen wonen. Ik weet zeker, dat die tachtig duizend pond geen weggegooid geld zal blijken te zijn. Zij zullen hun rente ruimschoots opbrengen, reken daarop.”
„En neem eens aan, dat Stanley er achter komt, dat jij het was, die het huis gekocht hebt?”
„Wel, ik ben overtuigd, dat hij minstens evenveel moeite zal hebben om dat te ontdekken, dan wij hadden om er achter te komen, wie de eigenlijke lastgever was, inzake den verkoop van het huis, en wie het geld zal opstrijken, ofschoon ik er wel bijna zeker van ben, dat Stanley zelf dat zal zijn. Overigens kan ik niet inzien, wat het hem zou baten als hij te weten komt, dat het huis in handen over is gegaan van graaf Grasham. Vandaar tot de ontdekking, dat graaf Grasham en John Raffles een en dezelfde persoon zijn, is nog een heele stap, en tenslotte, vindt hij ook dat uit, dan kan ik dat slechts toejuichen, want op deze wijze lok ik den ellendeling wellicht opnieuw op mijn pad, en dan mag hij zich voor mij in acht nemen, want ditmaal zal ik geen mededoogen kennen.”
Maar in deze verwachting zou Raffles bedrogen worden.
Het was alsof Stanley eensklaps van dezen aardbodem was weggevaagd.
En toch was zijn aanwezigheid in Londen, voor hem, die goed wist op te merken, maar al te duidelijk, want het aantal zeer ernstige misdaden nam weder toe en voor Raffles viel er geen oogenblik aan te twijfelen, of zij gingen uit van een centrale organisatie, en de bedrijvers gehoorzaamden zekerlijk aan het bevel van den meester, dat bleek niet alleen aan de wijze, waarop de misdaden werden gepleegd maar ook uit hun onderlinge gelijksoortigheid.
Een paar malen had er in de bladen een klein bericht gestaan betreffende de ontvluchting van Stanley en toen leek het wel alsof de politie alle hoop liet varen hem weder in handen te krijgen en zich niet verder met de zaak wenschte in te laten.
Voor Raffles was deze staat van zaken ondragelijk, want ofschoon hij persoonlijk als Lord Aberdeen niet het minste gevaar liep en iedere mogelijkheid was uitgesloten dat de meester zijn lordschap zou aanzien voor den lang gezochten Gentleman-Inbreker, zoo zou zijn leven toch steeds gevaar loopen, zoolang zijn doodsvijand zich op vrije voeten bevond, want allicht kon een toeval de beide mannen weder tegenover elkander plaatsen en Raffles wist maar al te goed, hoe groot de macht was van de organisatie waarover Stanley het bevel voerde.
Er verliep een week, die door Raffles uitsluitend besteed werd aan ijverige nasporingen en tot tweemalen toe meende hij het spoor van Stanley te hebben hervonden en tweemaal had hij zich daarin vergist …
En toen trad hij op een morgen, nadat hij bijna den geheelen nacht door verschillende wijken van Londen had gezworven, de werkkamer van Charly Brand binnen en zeide kortaf:
„Maak je reisvaardig Charly. Wij vertrekken vanmiddag.”
De jonge man, die verdiept was in de bestudeering van eenige zeer oude jaargangen van de „Times”, wendde zich verrast naar Raffles en vroeg:
„Wij vertrekken? Waarheen?”
„Naar de Markiezeneilanden.” [11]