Zoo vreemd was deze plotselinge verschijning van vrouwelijke wezens op dit eiland dat men wel onbewoond moest wanen, daar het ver buiten de gewone scheepvaartroute lag, dat Charly een oogenblik vol verwondering bleef toezien.
Toen vroeg hij op zachten toon, zich tot Raffles wendend:
„Zijn dat je beschermelingen?”
„Ja, Charly, dat is de Armeensche Sonja Bastides met haar beide dienstmaagden, die haar volgden en de ongelukkige Eleonora Manoury, die ik op haar eigen verlangen naar mijn schatkamereiland heb moeten brengen.”
Intusschen naderden de vrouwen snel, en de Armeensche, vlug als een hinde, had Raffles spoedig bereikt, knielde voor hem neder, greep zijn hand en bracht die vol eerbied aan de lippen, voor Raffles haar had kunnen opheffen.
Het was een zeer schoone, nog jonge vrouw, met alle kenmerken van haar ras, een klassiek gesneden, ovaal gelaat, zacht olijfkleurig, een schoon, gewelfd voorhoofd en de prachtigste oogen, die men zich kan denken, overwelfd door wenkbrauwen, waarvan de onberispelijke boog de bewondering gaande maakte van Charly Brand.
De jonge man kende de geschiedenis van deze vrouw.
Ruim vijf jaren tevoren had Raffles, die zich toen in Turkije bevond, haar met gevaar voor zijn eigen leven en in een vreeselijken strijd weten te ontrukken aan de klauwen van een Turk, Mustaphar Efrim geheeten, die haar had willen ontvoeren, nadat hij, geholpen door een bende zijner landgenooten haar vader en haar moeder, benevens het geheele dienstpersoneel van de rampzalige Armeensche familie had vermoord en hun huis in brand gestoken.
Nadat letterlijk het geheele gezin van het jonge meisje tot het laatste lid was uitgeroeid en zij niemand ter wereld meer bezat om zich over haar te ontfermen, trok Raffles zich het lot van de jonge Armeensche aan, en op haar eigen aandringen bracht hij haar met eenige harer dienstmaagden eerst naar een onbewoond eiland, ten noorden van Island gelegen, hetwelk Raffles eveneens tot een van zijn schatkamers had ingericht en vervolgens, nadat door een noodlottigen samenloop van omstandigheden het bestaan van dit eiland aan zeeroovers bekend was geworden, naar de plek, waar zij zich thans bevond, en waarheen hij omstreeks een week geleden en eveneens op haar eigen dringend verlangen, Eleonora Manoury had overgebracht, de voormalige minnares van Irwin Stanley.
Het spreekt vanzelf dat Raffles gedurende al dien tijd meermalen aan de jonge Armeensche, die met innige liefde voor haar redder vervuld was, het voorstel had gedaan, om weder naar de bewoonde wereld terug te keeren. Maar telkens had zij geweigerd en zij gevoelde zich met haar beide dienstmaagden Mirza en Ina volkomen gelukkig, hier op dit verrukkelijke plekje en zij geloofde in waarheid den redder van haar eer en van haar leven een dienst te bewijzen, door de schatten te bewaken, welke hier goed verborgen waren.
Eleonora Manoury had zwijgend toegekeken bij de begroeting van John Raffles door de jonge Armeensche en zij trad nu zelf naderbij. Een schoone, maar zeer bleeke vrouw, wier gelaat nog steeds de sporen droeg van haar vroeger lijden en van de ziekte die het gevolg was van de gevaarlijke wonde, haar door Stanley toegebracht.
Zij stak Raffles met een aarzelend gebaar de hand toe en zeide op zachten toon: [21]
„De hemel zij gedankt, dat ge gekomen zijt, Raffles. De Voorzienigheid moet u hierheen gebracht hebben. Maar nu vreezen wij niets meer.”
„Vreezen?” vroeg Raffles verwonderd. „Wat meent gij daarmede? Wat kunt gij te vreezen hebben op dit eiland, hetwelk op geen enkele kaart voorkomt, waar zich geen enkel schadelijk dier ophoudt en dat nimmer door eenig vaartuig wordt aangedaan?”
Er liep een huivering over het lichaam van de jonge vrouw, toen zij antwoordde:
„Er zijn hier menschen geweest, nog pas gisteren, maar ik kan er niet over spreken, gij zult het zelf zien.”
„Menschen?” herhaalde Raffles verwonderd. „Maar dat komt mij onmogelijk voor. Dan moeten het wilden geweest zijn, die van een der naburige eilanden hierheen zijn gekomen.”
Sonja Bastides knikte bevestigend op deze woorden en op haar schoone gelaat lag een uitdrukking van ontzetting.
„Het waren wilden,” zeide zij zachtjes. „Ik dank den Heer, dat ge gekomen zijt. Kom spoedig.”
En de jonge vrouw nam Raffles bij de hand en voerde hem mede over de weide, terwijl de anderen volgden.
Er werd weinig gesproken, want iedereen was te zeer onder den indruk van de weinige woorden, zooeven door de twee vrouwen gesproken.
Charly Brand begreep er de beteekenis maar al te goed van.
Hij wist dat er zich bij de honderden eilandjes, waaruit de meer zuidelijk gelegen Paumotueilandengroep is samengesteld, nog velen zijn, bewoond door wilden, in de ware beteekenis van het woord, kannibalen, die nog nimmer in aanraking zijn geweest met de westersche beschaving en die, wanneer door een storm een schip op de kust geworpen wordt, alle opvarenden meedoogenloos vermoorden om vervolgens een afschuwelijken maaltijd aan te richten.
Menigmaal trokken deze wilden naar een der naburige eilanden, alleen met het doel, om er de bewoners te overvallen, en zooveel mogelijk gevangen mede te voeren en dezen te slachten.
Maar nog nimmer was het voorgekomen, dat de wilden zich in hun prauwen zoover durfden wagen en nog altijd hoopte de jonge man, dat de beide vrouwen zich vergist moesten hebben.
Aan den rand van de weide, niet ver van een dicht begroeid bosch van cocospalmen, tamarindeboomen en ceders, verhief zich een kleine hut, die vanuit zee volkomen onzichtbaar was, en welke Raffles zoo gerieflijk mogelijk had ingericht.—Men vond daarenboven een tamelijk groot, gemeenschappelijk vertrek, waar Sonja zich met haar beide vrouwen kon ophouden en dat geheel was ingericht volgens de Armeensche zeden, met lage rustbanken, mollige kussens op den vloer, die met dikke fijn gevlochten matten bedekt was, kleurige tapijten aan de wanden en eenige gemakkelijke stoelen.
Dan waren er nog eenige slaapvertrekken en afzonderlijk, door een smalle gang in verbinding met het huis staande, lag de keuken.
Een weinig verder bevond zich de kleine stal, waar eenige geiten, een ezelin en een klein Javaansch paardje gestald stonden, welk laatste rijdier door de jonge Armeensche menigmaal gebruikt werd om tochtjes over het eiland te maken, dat twee uur gaans lang en half zoo breed was.
Op eenige meters afstand van het kleine landhuis stroomde een der beide riviertjes, die op deze plek niet breeder was dan vier meter, overbrugd door een soort plankier van bamboe, van een lage leuning voorzien en die toegang gaf tot een achter de rivier gelegen bad.
Maar men hield zich hier niet op. Raffles wilde zich eerst persoonlijk gaan overtuigen, of de beide vrouwen zich misschien niet vergist hadden.
En zoo begon men den oever van het kristalheldere riviertje te volgen, dat in de grootste der beide baaien van het eiland op de westelijke kust uitstroomde.
Men had hiertoe gebruik gemaakt van het kleine bruggetje en bevond zich nu op den linkeroever van den stroom.
Nu en dan naderde het woud de rivier zoo dicht, dat er slechts weinig ruimte overbleef voor het smalle voetpad, hetwelk langs den oever leidde en dat zich in den loop der jaren gevormd had, waar Sonja Bastides de gewoonte had, iederen dag van de hut een wandeling te maken naar de baai, vanwaar men een verrukkelijk uitzicht had over dit gedeelte van den Oceaan en soms bij zeer helder weder de westelijkste eilanden van de Markesagroep, Hiau, Nukuhiwa en Tahuata kon zien liggen.
Onder alle andere omstandigheden zouden de drie mannen zeker genoten hebben van alles wat hen [22]omringde, van de bonte vogels, die in de hooge toppen der cocospalmen snaterden en die wel levend goud, karmozijn en porphier leken, van het grappig gestoei der kleine aapjes, wonderlijk sierlijk, met hun buitengewoon lange grijpstaarten en van de halfapen, de maka’s met hun zonderling groote oogen, van den zoelen zephir die de geuren van tamarinde, foelie en vanille aanvoerde, van het verre ruischen van de branding op de koraalriffen, die het eiland voor een gedeelte omgaven en van het onvergelijkelijke blauw van den hemel boven hun hoofden.
Maar nu konden zich hun gedachten niet met al deze schoonheden ophouden, want nog altijd klonk het in hun ooren als een wanklank; de woorden van Eleonora Manoury.
Een paar malen had men een hoogen heuvel moeten overtrekken, maar eensklaps, na bijna een uur te hebben geloopen, strekte zich de baai en daarachter de eindelooze zee voor de blikken der wandelaars uit.
De inham had een bijna zuivere, halfcirkelvormige gedaante en was omstreeks honderd meter diep en even breed. Zij was omzoomd door een uitermate gelijk strand uit zeer fijn wit zand bestaande. Op bijna een kilometer van den ingang van de baai strekte zich het rif uit, waartegen de branding brak, en waarbinnen het water zoo glad was als een spiegel.
Maar Raffles en zijn beide metgezellen hadden geen gelegenheid om van de schoonheid van het schouwspel te genieten. Want Sonja had haar kleine hand op den arm van den Grooten Onbekende gelegd en wees met bevende vinger naar een paar plekken op het witte strand, niet ver van den oever.
Raffles keek er een oogenblik naar, nam toen zijn kijker uit het etui, dat hij aan een riem om den hals droeg en tuurde eenige oogenblikken door het instrument. Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking, toen hij den kijker weder liet zakken.
„Blijft gij hier op ons wachten,” zeide hij, zich tot de vrouwen wendend, „het is niet noodig, dat gij het ziet. Wij zullen er heen gaan.”
„Laat ons nog eenigen tijd mogen volgen. Ik ben bang,” hernam de jonge Armeensche sidderend.
„Maar gij hebt thans toch niets te vreezen,” hernam Raffles. „Hier op deze open plek kunt gij onmogelijk overvallen worden. Wij kunnen dadelijk weder bij u zijn.”
Hij gaf Charly en Henderson een wenk en de drie mannen snelden naar het strand van de baai, steeds den oever van het riviertje volgend en wat zij daar zagen bewees maar al te duidelijk, dat de beide vrouwen zooeven de waarheid hadden gesproken. Op het strand waren scherp de indrukken te zien van naakte voeten en ook van de kielen van een twaalftal prauwen, die gedeeltelijk op den oever waren getrokken. Dat was echter nog niet alles. Hier en daar verspreid, lagen verkoolde stukken hout en menschelijk gebeente, zwart geblakerd, waaronder drie schedels, die boven op het voorhoofd groote, onregelmatige gaten vertoonden.
Zwijgend, met afgrijzen vervuld, keken de drie mannen elkander aan. Toen begon Raffles:
„Kannibalen. Zij zijn hierheen gekomen, om er een van hun afschuwelijke maaltijden te houden en niemand kan zeggen of zij niet vroeg of laat weder terug zullen keeren. De vrouwen mogen hier geen uur langer meer blijven. Zij moeten worden weggebracht. Ik mag hen niet blootstellen aan het ontzettende gevaar dat zij ontdekt zullen worden.”
„En je schatten?” vroeg Charly.
„Daaromtrent maak ik me geen oogenblik bezorgd. Die zijn volkomen veilig bezorgd in het inwendige van die rots, welke wij zelf met behulp van dynamiet hebben uitgehold, en men zou deze springstof opnieuw moeten aanwenden om de ontzagelijke rotsblokken terzijde te wentelen, die thans den toegang tot de schatkamer versperren.”
Terwijl zij spraken had Raffles den terugtocht weder aanvaard en eenige minuten later voegden zij zich bij de angstig wachtende vrouwen.
„Welnu, heer,” vroeg Sonja Bastides, haar kleine hand naar Raffles uitstekend.
„Gij hebt goed gezien, Sonja. Gij hebt inderdaad in groot gevaar verkeerd en ik zal het mijzelf nooit vergeven, dat ik u daaraan heb bloot gesteld. Wij vertrekken zoo spoedig mogelijk. Gij moogt hier niet langer blijven. Zeg mij, hoe ge de aanwezigheid van de wilden ontdekt hebt.”
„Het was dezen nacht heer, toen Ina gewekt werd door een zonderling geruisch, geheel ongewoon op ons eiland en zij kwam mij wekken. Het geruisch werd spoedig sterker, en wij maakten ook, niet wetende, wat dit te beteekenen had, Mirza en de vrouw wakker, welke gij mij tot metgezellin hebt gegeven. Wij keken uit het kleine venster naar buiten en zagen een rossigen gloed die zich echter scheen te verwijderen. Toen vatten wij moed. Wij kleedden [23]ons aan en wij volgden het schijnsel dat zich bewoog langs den rechteroever van het riviertje. Tenslotte bereikten wij den zoom van het woud en konden het strand van de baai zien liggen. En daarop zagen wij ook het afschuwelijke, waarvoor wij aanstonds in doodelijken schrik de vlucht namen. Wilden sprongen daar als duivels rond en zwaaiden met hun speren en knotsen onder een ijzingwekkend gegil, terwijl eenige gevangenen, met lianen gebonden, dicht bij den oever van het riviertje lagen.”
„Het is genoeg, Sonja,” viel Raffles haar in de rede, bevreesd dat de jonge vrouw in zwijm zou vallen bij de herdenking, van hetgeen zij had aanschouwd. „Wij zullen aanstonds dit eiland verlaten.”
„En ik was hier zoo gelukkig,” riep de jonge Armeensche op smartelijken toon uit. „Het Paradijs kan niet zoo schoon zijn geweest. Gij kwaamt mij menigmaal bezoeken en wij spraken over mijn land en over de dingen die er in uw midden voorvallen. Ik zou gaarne willen blijven, heer.”
„Neen, Sonja, ik mag je niet blootstellen aan dit gevaar!” hernam Raffles op vasten toon. „Ik bezit nog andere eilanden, even schoon als deze, grooter zelfs en waar gij zulk een gevaar in het minst niet hebt te duchten! Kom spoedig—de dag neigt ten einde, en wie kan zeggen, of de wilden niet zullen terugkeeren, en misschien dicht in de buurt met hun prauwen rondzwerven!”
De vrouwen begrepen thans ook wel, dat het verblijf op het heerlijke eiland onmogelijk was geworden, want ofschoon het de gewoonte der wilden niet is, om onder soortgelijke omstandigheden ver het land in te dringen—een gering toeval kon hen met die gewoonte doen breken, hun geoefend oog zou spoedig de aanwezigheid van menschen bespeurd hebben, en dan kon het lot van de ongelukkige vrouwen niet twijfelachtig zijn.
Stilzwijgend werd de terugtocht aanvaard, en na een uur bereikte men de hut weder.
Haastig werd de maaltijd gebruikt, en daarop pakten de dienstmaagden alles bijeen, wat haar meesteres tot geen prijs wilde achter gelaten, terwijl Sonja Bastides met tranen in de schoone oogen toezag.
Henderson laadde deze vracht op zijn sterken schouders—Sonja streelde de geiten en de pony nog eens, wuifde naar de kippen en kalkoenen, die in de omheining rondtrippelden—en daarop begon de kleine troep den tocht naar de vliegmachine, welke men aan het begin der weide had achtergelaten.
Ditmaal volgde men den kortsten weg, die langs, en gedeeltelijk door een klein bosch van tamarindeboomen voerde—en pas later zou dit hun behoud blijken te zijn geweest.…
Want toen Raffles, die vooraan liep, het boschje weder wilde verlaten, om opnieuw de weide te betreden, zag hij iets, dat hem eensklaps weder deed terug treden, en met gesmoorde stem uitroepen:
„Halt! geen stap verder of het zou ons allen den dood aanbrengen!”
Zoo snel hij kon voerde hij de doodelijk verschrikte vrouwen en zijn twee metgezellen in het dichtste van het boschje terug, en beval:
„Blijf hier op mij wachten—verroer u tot geen prijs—ik ben aanstonds terug!”
En voor iemand een woord had kunnen zeggen, had Raffles zich weder verwijderd. Hij kroop tot aan den zoom van het boschje voort, wierp zich plat voorover en bracht zijn kijker voor het oog, om naar de vliegmachine te zien, welke zij aan den voet van het hooge gebergte hadden achtergelaten.
Toen slaakte hij een zachte kreet van woede.…
De „Duivel der lucht” was omgeven door wel drie honderd zwijgende, bijna geheel naakte wilden, die er in wijden kring gehurkt omheen zaten, onbewegelijk, als standbeelden.… [24]