Het schouwspel was zoo vreemd en onverwacht, dat Raffles ondanks zichzelf nog eenigen tijd door den kijker bleef turen.
De wilden hadden niet stiller kunnen zitten, als zij uit brons gehouwen waren geweest.
Zij waren gekleed met een soort heupdoek, beter gezegd een rokje, van cocosnootvezels.
Om den hals droegen zij een keten van kleine, in de zon gebleekte beenderen van eigenaardigen vorm, het waren sleutelbeenderen van hun verslagen vijanden.
Schelkleurige vederen staken in hun haar, dat zeer hoog op hun hoofd was vastgemaakt, en hun gelaat was afschuwelijk getatoueerd en beschilderd met witte strepen waaruit Raffles aanstonds opmaakte, dat deze wilden op het oorlogspad waren geweest of nog waren.
Zij waren gewapend met assagaaien of werpspiesen, en kleine, langwerpige schilden van taaie boombast vervaardigd, en knotsen bestaande uit een steel van dik, zeer sterk en taai hout, waaraan een scherp geslepen stuk jaspis met behulp van rotan kunstig bevestigd was—een vreeselijk wapen in hun handen, en waarmede de wilden zeer bedreven omgaan.
Dat zij althans eenigszins bekend waren met het smeden, bewees de omstandigheid dat bij velen hunner de punten hunner speren van ijzer vervaardigd waren—de anderen hadden hun werpspiesen voorzien van scherp geslepen beenderen, of ook wel van het verharde neusbeen van den zwaardvisch, dat minstens eens zoo hard is als ijzer, en in staat om een eikenhouten scheepswand te doorboren.
Na eenige oogenblikken de groep te hebben gadegeslagen, kroop Raffles weder terug en voegde zich bij zijn metgezellen.
„Welnu?” vroeg Eleonora angstig. „Wat kijkt gij ernstig—wat is er?”
„Ik mag u niet verhelen, Eleonora—wij verkeeren in groot gevaar. Het eenige middel om dit eiland te verlaten, mijn trouwe vliegmachine, bevindt zich in de macht van een drie honderd kannibalen!”
Eleonora was een vrouw vol geestkracht, maar voor Sonja Bastides was de slag te zwaar, zij slaakte een flauwen kreet en viel in zwijm.
Raffles maakte haar spoedig weer bij met behulp van wat vlugzout, en daarop bracht hij den kleinen troep zoo spoedig mogelijk langs een omweg naar de hut terug.
Er was onderweg geen woord gesproken, maar nu barstte Sonja in snikken uit, en riep:
„Zij zullen ons allen dooden, heer! Wat zal er van ons worden?”
„Zij hebben ons nog niet, Sonja!” antwoordde Raffles, terwijl hij de hand op het zwartgelokte hoofd van de jonge vrouw legde.
„Hoe is het mogelijk, Edward,” vroeg Charly zachtjes, „dat wij die wilden niet hebben gezien, toen wij landden?”
„Daarvoor is maar een verklaring, Charly—zij moeten zich met hun prauwen verscholen hebben gehouden, in een der vele kleine inhammen van het kleine eiland, beschut door overhangende palmen, zoo dat wij die kleine bruine dingen niet gezien hebben. Wie zou daarop ook acht hebben gegeven? Zoodra wij geland zijn, zijn zij met hun prauwen omgevaren, hebben het voorgebergte beklommen, en toen natuurlijk aanstonds onze vliegmachine gezien. En ik ben een driewerf vervloekte ezel, dat ik de vliegmachine daar onbewaakt heb achtergelaten!”
„Kunnen wij niets doen om haar weder in onze [25]macht te krijgen, Mylord?” vroeg Henderson, die met gebalde vuisten had toegeluisterd.
„Daartoe zouden wij door drie honderd wilden moeten heenbreken, Henderson—en ik zie niet in hoe wij dat kunnen doen, zelfs niet bij verrassing!”
„Gebruikt dat ontuig vuurwapens, Mylord?”
„Dat niet, Henderson—maar dat maakt de zaak er niet beter op, want wij hebben onze geweren in het schuitje achtergelaten, en mijnheer Brand en ik hebben slechts onze revolvers bij ons! Wat kunnen wij doen met twaalf schoten tegen drie honderd met lansen, werpspiesen en knotsen bewapende wilden?”
Maar nu liet de stem van Eleonora Manoury zich hooren, die zwijgend had toegeluisterd en nu op levendigen toon zeide:
„Gij vergeet de drie geweren, Raffles, welke gij hier voor Sonja en hare dienstmaagden hebt achtergelaten, toen zij dit eiland gingen bewonen.”
„Dat is waar!” riep Raffles verheugd uit. „Zijn die wapens hier in de hut?”
„Ik heb ze gisteren gezien.”
„Maar is er munitie?”
„Dat moet wel zijn, want uwe Armeensche beschermelinge heeft mij medegedeeld, dat zij slechts weinig van de wapens gebruik heeft gemaakt, zij heeft het nooit van zich kunnen verkrijgen op onschuldige apen of vogels te schieten—en kippen hadden zij in overvloed, door uwe goede zorgen, terwijl de dienstmaagden menigmaal een konijn strikten, of een aardvarken vingen in een der vallen.”
„Als dit zoo is, dan zullen wij ons aanstonds gaan overtuigen, of de munitie nog aanwezig en bruikbaar is!” riep Raffles uit.
De beide dienstmaagden werden geroepen, en deze brachten Raffles naar een soort bergplaats waar een paar goed gesloten kisten stonden, die bij onderzoek ieder een paar honderd geweerpatronen bleken te bevatten.
Wat de geweren betreft, uitmuntende wapens—een jager zou ze zeker wel wat beter onderhouden hebben, maar zij waren in ieder geval nog in goeden staat en bruikbaar.
In ieder geval was deze vondst een groot geluk voor de drie mannen, die anders letterlijk weerloos zouden hebben gestaan tegenover de wilden, wanneer deze hen zouden hebben ontdekt.
Henderson begon aanstonds de geweren een voor een na te zien en schoon te maken, terwijl Raffles en Charly zachtjes met elkander spraken, buiten het gehoor der verschrikte vrouwen.
„Zoolang wij niet ontdekt worden,” begon Raffles, „loopen wij geen onmiddellijk gevaar, maar ons lot zou spoedig beslist zijn, wanneer zij ons konden overvallen! Ik vermoed dat zij de vliegmachine aanzien voor een of andere Godheid, welke zij moeten aanbidden—maar ik betwijfel sterk, of zij eenigen eerbied of angst voor ons zouden hebben, alleen omdat wij blanken zijn en over vuurwapens beschikken. Ik denk wel, dat zij met de eene zoowel als met de andere kennis hebben gemaakt.”
„Mij dunkt, dat wij kalm moesten afwachten, Edward, tot die wilden weder vertrekken!” kwam Charly. „Wij zijn hier voorloopig betrekkelijk veilig, en het is immers goed mogelijk, dat zij nog voor het vallen van de duisternis het eiland weer verlaten!”
Maar Raffles schudde mistroostig het hoofd, en zeide:
„Ik vrees het tegendeel, mijn jongen! Als de wilden inderdaad de „Duivel der lucht” beschouwen als een bovennatuurlijk wezen, dan zullen zij stellig niet nalaten hier een van hun heidensche plechtigheden te vieren—ter eere van de pas ontdekte Godheid! Omtrent den aard van die gruwelijke plechtigheden behoef ik je zeker niet nader in te lichten. Zij slachten eenige vijanden of slaven, zij richten daarmede hun maal aan—en dan volgen er drinkgelagen en dansen, die vaak dagen achtereen duren. En hoe licht kan het niet geschieden, dat die wilden de weide wat verder opgaan, en de hut in het oog krijgen!”
„Zouden wij haar niet achter takken kunnen verbergen, Mylord?” vroeg Henderson, die naderbij gekomen was.
„Ik vrees, dat het daartoe te laat is, Henderson—en het is ook beter dat wij ons zoo weinig mogelijk laten zien, vergeet niet, dat de afstand tot aan de vliegmachine nauwelijks een uur loopens bedraagt.”
Reeds begon de duisternis te vallen, met de verrassende snelheid, die in de keerkringen valt op te merken, en zonder dat er van een eigenlijke schemering sprake is.
Men gebruikte een kouden maaltijd, daar Raffles vreesde, dat de rook uit de pijp van het keukenhuis hun aanwezigheid zou kunnen verraden. [26]
En vervolgens werd alles voor de verdediging in gereedheid gebracht, in geval de wilden de hut mochten ontdekken, en er een aanval op zouden ondernemen.
Deuren en vensters werden met luiken gesloten, en er werden een paar schietgaten aangebracht, zoodat de hut nu wel wat geleek op een van die blokhuizen, zooals de eerste trappers in Amerika ze gebruikten in hun strijd tegen de roodhuiden.
Daar een omsingeling niet tot de onmogelijkheden behoorde, nam Charly, bijgestaan door Eleonora Manoury, die haar geestkracht herkregen had, en zelf een wapen had gegrepen, zijn post in bij de achterdeur, die uitkwam op de kleine brug van bamboe.
En van dat oogenblik af wachtte men in spanning die gemakkelijker te begrijpen dan te beschrijven valt.
Gelukkig voor de zenuwen der vrouwen, was de nacht niet volkomen duister, want de hemel was helder, en de maan was bijna vol, en goot haar zilverachtig schijnsel uit over de weide, die zich voor het huis uitstrekte.
Zooals men had kunnen voorzien, was Henderson de eerste, die het werkeloos wachten te lang duurde.
Hij had reeds eenige malen iets onverstaanbaars tusschen de tanden gebromd, waarop Raffles in het geheel geen acht had geslagen, en nu scheen hij zich niet langer te kunnen bedwingen.
„Neem mij niet kwalijk, Mylord—maar dat wachten en niets doen maakt mij tureluurs,” zeide hij op gedempten toon.
„Er valt toch werkelijk niets aan te doen, James!” zeide Raffles met een flauwen glimlach.
„Neem mij niet kwalijk, Mylord—ik geloof dat er integendeel heel veel te doen valt!”
„Wat zou jij mij dan wel aanraden?”
„Wel, een aanval te doen op die satansche wilden, hen onverhoeds op het lijf te vallen, ons van de machine meester te maken, en dan naar een punt van de kust vliegen, waarheen wij eerst de vrouwen zullen hebben gebracht!”
Maar Raffles schudde afkeurend het hoofd en zeide:
„Het is een voorstel van een dapper—en van een onverstandig man, Henderson! Ten eerste zegt niets ons, dat er nog niet veel meer wilden op het eiland zijn, die ons zouden kunnen overvallen, terwijl wij de vrouwen wegbrengen. Ten tweede is hun aantal, zelfs al zijn er niet meer, tienmaal te groot! Ja, als er slechts dertig waren, dan konden wij het beproeven, al zou het gevaar zeer groot blijven, maar nu? Wij zouden er misschien in slagen veertig of vijftig van hen neer te leggen—en de rest zou ons afmaken, want zij zouden ons van alle kanten op het lijf vallen—en ik wil je zeggen, dat zij hun werpspies tot op een afstand van vijftig meter met doodelijke juistheid weten te werpen!”
Henderson antwoordde niet, want in zijn hart begreep hij, dat Raffles maar al te zeer gelijk had, en dat het zelfmoord zou zijn, onder deze omstandigheden een overval te wagen—men zou er niets bij winnen, en integendeel alles kunnen verliezen!
„Als wij de schurken tenminste maar op de een of andere wijze wisten te verjagen!” bromde de reus.
„Dat zou zeker niet zoo gemakkelijk gaan, Henderson,—tenzij een van hun schrikwekkende Goden eensklaps onder hen verscheen, om hen te bedreigen!”
„Die menschen zijn zeker zeer bijgeloovig, Mylord?” vroeg Henderson nadenkend.
„Dat zijn zij inderdaad, James—zij verrichten slechts weinig wat zij niet in verband brengen met den invloed van de een of andere bovenaardsche macht. De bliksem, het weerlicht, de regen, een maansverduistering—het zijn allen manifestaties van een van hun Goden!”
„Hoe zien die er uit, Mylord, als ik vragen mag?”
„Afschrikwekkend genoeg, Henderson! Verdraaide ledematen, afschuwelijke gelaatstrekken, slachttanden als van een tijger, en boosaardig dreigende oogen. Hun afgodsbeelden zijn meestal uit hout, maar ook wel uit jaspis vervaardigd en in het eerste geval op bonte wijze beschilderd, en met menschenhaar versierd, afkomstig van de schedels hunner verslagen vijanden.”
„Wat een zoodje!” liet Henderson zich minachtend hooren, die den toestand geheel vergat waarin zij verkeerden, en op deze wijze verachting uitte voor de menscheneters, die hen hier tegen zijn zin gevangen hielden.
Raffles haalde glimlachend de schouders op en zeide slechts:
„Vermoedelijk denken zij op dezelfde manier over ons, Henderson, bedenk dat!” [27]
De beide mannen zwegen.
Langzaam kropen de uren voorbij.
En toen was het of heel in de verte een zwak rommelend onweer opstak.
Maar Raffles bedroog zich niet in den aard van het geluid—het was de geheimzinnige, diepe klank van de oorlogstrom der Zuid zee-eilanders—een lang stuk uitgehold bamboe, aan weerszijden bespannen met een stuk haaienhuid, en die met de palm van de hand beslagen wordt.
Het was een dof, dreigend geluid, dat eenigszins geleek op dat van een verre branding, maar het nam met kracht toe en af, zwol aan en verzwakte.
En toen Raffles een blik door zijn schietgat wierp zag hij in de verte, aan het andere einde van de uitgestrekte grasvlakte, een roode schemering, als van een prairiebrand—daarginds moesten vele vuren zijn ontstoken.
Thans voegde zich nog een ander geluid bij dat van de tientallen trommen; een holratelend gerucht, dat wel in staat was, zelfs de moedigsten vrees in te boezemen; het werd veroorzaakt door het bekloppen van de honderden schilden met het uiteinde van de werpsperen der wilden.…
„Wat doen zij nu, Mylord?” vroeg Henderson op gedempten toon, den vinger aan den trekker van zijn geweer.
„Zij voeren den krijgsdans uit, Henderson!” antwoordde Raffles op ernstigen toon. „Ik vrees dat daar ginds vreeselijke dingen staan te gebeuren—en toch zijn wij niet bij machte, ze te verhinderen!”
„Wat wilt gij zeggen, Mylord?” vroeg de reus sidderend van opwinding en woede.
„Ik wil zeggen, Henderson, dat de menscheneters zich nu gereed gaan maken, hun bloedig festijn aan te richten. Zij hebben zeker krijgsgevangenen gemaakt op zee en hebben hen naar het dichtstbijzijnde eiland gebracht, om hen daar te verslinden.…”
„Maar dat is verschrikkelijk, Mylord!” kreet Henderson. „Dat mogen wij als Engelschen toch niet toelaten!”
„Indien wij ons er in mengden, James, dan zouden wij zonder twijfel het lot dier ongelukkigen deelen!”
De reus balde de vuisten tot de nagels hem in de handpalmen drongen, maar hij zeide niets.
Hij begreep maar al te goed, dat er niet aan te denken viel, met slechts drie mannen, al waren zij ook met vuurwapens toegerust, den strijd aan te binden met een troep van minstens driehonderd bloeddorstige wilden, waarvan er toch altijd genoeg in het leven zouden blijven, om de drie blanken en de ongelukkige vrouwen te vermoorden.
En wat er daarna zou gebeuren—daaraan durfde de brave kerel niet te denken zonder een rilling van afgrijzen.
Maar nu kwam het geraas der trommen naderbij.
Het klonk onzegbaar onheilspellend in den donkeren nacht.
Er kon niet aan worden getwijfeld—de wilden kwamen naderbij—en niemand kon zeggen, waar zij stand zouden houden.
Indien zij de hut in het oog kregen, kon het lot der blanken niet twijfelachtig zijn.…
Op dit oogenblik voelde Raffles een zachte even trillende hand op zijn arm.
Hij wendde zich om, en in de halve duisternis—men had slechts zoo weinig mogelijk licht in de hut laten branden, om haar aanwezigheid niet ontijdig te verraden—keek hij in het witte gelaat van Eleonora Manoury.……
„Ik vraag u verschooning, dat ik mijn post een oogenblik heb verlaten,” zeide de jonge vrouw met een droeven glimlach. „Ik wilde u iets zeggen.…”
Zonder dat hem iets bevolen werd, verwijderde Henderson zich bescheiden, en ging zich bij Charly voegen, die het duistere woud aan genen oever van de kleine rivier scherp in het oog hield.
„Spreek!” zeide Raffles eenvoudig.
„Wat denkt gij van den toestand?” vroeg de jonge vrouw, terwijl zij Raffles strak aankeek. „Verheel mij de waarheid niet—ik ben sterker dan gij denkt!”
„Wij verkeeren in het grootste gevaar, madame!” antwoordde Raffles op gedempten toon. „Ik wil er tegenover u geen geheim van maken, gij hebt reeds menigmaal getoond een vrouw van buitengewoone geestkracht te zijn.”
„Ik hoorde zooeven een dof geraas—dat zijn zij zeker?”
„Dat was het gerucht van hun oorlogstrommen—zij komen naderbij—over een half uur kunnen zij hier zijn.…”
„Zeg mij zonder uitvluchten, Raffles—denkt gij dat wij verloren zijn?”
Raffles zweeg en boog het hoofd. [28]
Eenige oogenblikken bleef het stil en men hoorde nu niets dan het dof geklepper van de honderden schilden en het woest geluid van de steeds wilder gebeukte trommen.
Toen hernam de jonge vrouw:
„Ik dank u. Ik weet nu. Wij moeten stervèn—tenminste als er geen wonder geschiedt.… Welnu Raffles, als men aan den rand van het graf staat mag men geen geheimen meer voor elkander hebben, niet waar?”
„Misschien komt er nog uitkomst opdagen.…” mompelde Raffles toonloos.
„Neen, tracht mij niet te bedriegen, dat zou een man als gij zijt onwaardig zijn! Wij moeten sterven, John Raffles—en—ik zegen het lot, dat mij aan uw zijde in den dood zendt! Ja, ik wil—ik kan niet langer zwijgen, in het gezicht van ons naderend einde! Ik heb je lief, Raffles—ik heb je zoo innig lief, als ik nooit geweten heb te zullen lief hebben! Veracht mij niet, nu ik je dit beken op een oogenblik, waarin alle schaamte laf en nutteloos is! Ik weet, dat ik een misdadigster ben geweest—ik weet, dat je mij, waren wij blijven leven, nimmer zoudt hebben liefgehad en toch moet ik je het zeggen—het leven kreeg voor mij pas waarde, toen ik jou voor den eersten keer zag—in het vreeselijke huis van den ellendeling, die mij in het verderf heeft gestort.”
Eleonora had dit alles op haastigen schorren toon gezegd, als vreesde zij, geen tijd meer te zullen vinden tot het doen van deze laatste bekentenis in haar leven.
Raffles had de hand opgeheven, als om haar het zwijgen op te leggen, maar zij had zijn arm gegrepen en drukte die sidderend tegen zich aan, overweldigd door hartstocht, welke zij vruchteloos had trachten te onderdrukken.
„Stoot mij niet van je!” smeekte zij klagend. „Stoot mij niet van je in dit laatste oogenblik!”
„Daar denk ik immers niet aan, arme, arme Eleonora!” zeide Raffles op zachten toon ondanks zich zelf aangegrepen en ontroerd door de woorden van de vrouw, die hem het leven had gered en wie hij daarna had beschermd tegen de woede van den man, die haar als slavin beschouwde. „Ik wil je niet van mij stooten—ik zelf—ik ben immers maar een dief—een inbreker—een paria!”
„Zeg dat niet. O! zeg dat niet!” kreet Eleonore snikkend. „Belaster je zelf niet! Je bent de braafste, de edelste mensch, dien ik ooit ontmoet heb! Onder een mom van ijskoude onverschilligheid verberg je je warm, je edel hart! Mijn God, waarom bracht het lot je niet vroeger op mijn weg—waarom kon je mij met liefhebben! Wie weet, hoe anders het leven voor ons beiden geworden ware!”
Raffles wilde iets zeggen, met zachten drang de hartstochtelijk snikkende vrouw tot kalmte brengen, maar een geluid dat van buiten tot hem doordrong, deed hem naar het schietgat schrijden en een blik naar buiten werpen.
De rosse gloed was intusschen veel dichterbij gekomen, en thans was het krijgsgezang der wilden duidelijk verneembaar!
In de verte waren vage schimmen zichtbaar, als spookverschijningen, die zich snel verplaatsten!
„Daar zijn zij!” zeide Raffles, zich uit alle macht tot kalmte dwingend. „Laat mij thans, Eleonora—wij zullen ons tot den laatsten snik verdedigen!”
De jonge vrouw had zich opgericht en keek met verwilderden blik om zich heen.
Toen sloeg zij eensklaps beide armen om den hals van den man, die haar voor de eerste maal de liefde leerde kennen, en drukte met een hartstochtelijke heftigheid haar lippen op den mond van John Raffles, die half bedwelmd achteruit wankelde maar dadelijk daarop met een forsche beweging zich vrijmaakte, en op heeschen toon zeide:
„Ga op je post, Eleonore! De wilden kunnen ieder oogenblik hier zijn! Zendt Henderson bij mij! Dadelijk!”
De jonge vrouw streek zich met een vage beweging met de blanke hand over het hoofd, als was zij zich noch den tijd noch de plaats bewust, waar zij zich bevond.
Toen fluisterde zij:
„Ik volg je bevel op, Raffles. Alles is nu goed! Ik heb je gekust—nu kan ik sterven!”
En langzaam schreed zij heen.…
Maar toen zij de achterzijde van het huis bereikte, zocht zij daar tevergeefs naar den reus—Henderson was verdwenen.…
Intusschen was Sonja Bastides in haar eigen vertrek, naast de gemeenschappelijke kamer gelegen, op haar knieën gezonken, zoodra haar oor getroffen werd door het dreigend gerucht van de oorlogstrommen, [29]en met haar beide dienstmaagden zond zij een vurig gebed ten hemel op voor het behoud van den man, die al haar geluk op deze wereld uitmaakte.…
Het geluid van de wilden klonk nu zoo nabij, dat het was, alsof zij zich niet meer dan een speerworp afstand van het huis bevonden.
Oorverdoovend klonk nu het holle geratel der schilden, waarop de speren neerkletterden in wilden cadans, en het dreunend gebonk der trommen.
Raffles wierp een blik door het schietgat in de deur.
Daar, op nauwelijks honderd meter afstand zag hij de naderende wilden, die met hun knotsen zwaaiden, en brandende toortsen droegen, die het rosse schijnsel verspreidden, hetwelk de blanken reeds een uur geleden voor het eerst hadden waar genomen.
In hun midden voerden zij een twintigtal gevangenen mede, allen aan elkander gebonden met behulp van sterke lianen, de nekken gevat in een soort juk, gevormd door een gaffel, met een dwarspen door de uiteinden gestoken.
De aanblik dezer naakte wilden was inderdaad verschrikkelijk, en in staat om de moedigsten schrik en ontzetting in te boezemen.
Hun oogen fonkelden woest in het met witte streepen beschilderde gelaat, en hun tanden blonken als die van een wolf in het licht van de toortsen, die hen als met bloed overgoten.
De voorste gelederen dansten waanzinnig op het steeds sterker wordende geluid der oorlogstrommen, en de overigen vuurden hen aan door gillende kreten, als een troep wilde dieren.
Maar eensklaps, als op gegeven bevel, zweeg al dit rumoer.
Het werd zonderling stil.
De wilden stonden eenige oogenblikken als uit brons gegoten.
Zij vormden nu een zwarte, dichtopeengepakte massa, waarboven de toortsen rossig flakkerden.
Er kon niet aan getwijfeld worden—de kannibalen hadden de hut ontwaard, waarvan de licht gele planken in het maanlicht glansden.
Het volgend oogenblik staken de aanvoerders der wilden de koppen bijeen, en er werd niets anders gehoord dan een dof gegons van stemmen.
Daarop werden de gevangenen een weinig terzijde gebracht, en een groep wilden, uit ongeveer zestig man bestaande, kwam gillend en krijschend op de hut af.
Even later vloog de eerste speer door de lucht en bleef trillend steken in den dunnen houten wand van de hut, terwijl de punt ver aan de binnenzijde doordrong.
Raffles mocht niet langer meer aarzelen.
Hij stak den loop van zijn geweer door het schietgat, en mikte zorgvuldig op den dichtstbijzijnden kannibaal.
Maar voor hij den trekker had kunnen overhalen, geschiedde er iets onverwachts.…
De wilden stonden eensklaps stil, alsof hun voeten wortel geschoten hadden in den bodem, hun handen, die de speren omklemd hielden, schenen te verstijven, hun armen vielen slap langs het lichaam neder.
Raffles kon volstrekt niet begrijpen, waaraan deze houding was toe te schrijven, ofschoon het duidelijk te merken viel, dat de menscheneters doodelijk verschrikt waren, toen hij eensklaps een monsterachtige gedaante van terzijde het huis zag verschijnen, die met langzame schreden op de wilden toeging.
Het was stellig een gedaante van een mensch—maar welk een mensch!
De gestalte was op zijn minst elf voet hoog, en een vuurrood gewaad hing hem om de leden.
Armen en beenen waren zeer lang—maar verschrikkelijk was het hoofd.…
Het was bijna een meter van kin tot voorhoofd, en de oogen schitterden van een bovenaardschen glans, en schoten een fel licht uit, maar ook uit den mond, of liever den muil van het monster drong een schelle gloed naar buiten, evenals uit de beide neusgaten.
De schrikwekkende gedaante had in de vuist een ontzaglijke knots, een boomstam als het ware, en de andere omknelde een aantal ketenen, die onder het gaan van den reus een somber geluid veroorzaakten.
Met twee stappen was dit afschuwelijke wezen te midden van de wilden—de knots suisde neer, en verpletterde als een ledige eierschaal den schedel van een der kannibalen.
En eensklaps was het, alsof een panische schrik onder de wilden was gevaren.
Als een zwerm opgejaagde herten, hun wapens, [30]schilden en fakkels in den steek latend, ijlden zij heen onder het gillend gehuil:
„Taboe! Taboe! Taboe!”
Wat de gevangenen betreft—zij waren als betooverd en bleven sidderend op dezelfde plek staan, met groote oogen starend naar het monster, dat zich langzaam over de vlakte bewoog.
Aanstonds besloot Raffles partij te trekken van deze onvoorziene hulp—wie of wat dan ook de gedaante mocht zijn.
Hij riep de vrouwen bijeen, en rukte de deur open.
Heel in de verte waren de kannibalen nog slechts flauw te zien.
Zij liepen nog altijd als hazen, gillend en alsof de duivel hen op de hielen zat.
Het monster schreed intusschen gestadig voort met geweldige passen, in de richting van de vliegmachine en zijn gloeiende oogen schenen een deel van de vlakte te verlichten.
Maar plotseling stond de reus stil, op bijna een kilometer van de hut—en scheen toen ineen te zakken, alsof hij doormidden werd gehakt door een onzichtbare macht; er rolde iets op den grond—de oogen doofden uit—en daar stond Henderson, zweetend als een paard, maar glimlachend en gelukkig!
„Neem mij niet kwalijk, Mylord, dat ik zoo vrij ben geweest, op mijn eigen houtje een beetje clown te spelen—maar gij hadt mij gezegd, dat die schoeljes van menscheneters zoo bevreesd zijn voor bovennatuurlijke dingen,—en daarvan heb ik gebruik gemaakt!” zeide de brave kerel, zich het voorhoofd afwisschend, „maar ik moet u zeggen, dat het een drommelsch warm werkje was!”
Raffles stak den reus zwijgend de hand toe, en zeide:
„Je hebt ons allen het leven gered, James!”
„Zooveel te beter, Mylord!” hernam Henderson opgewekt. „Ik kon op mijn houten stelten over de boomen van het weiland zien—en zooeven ontdekte ik de bende die zich hals over kop inscheepte in de prauwen en zee koos—toen achtte ik het oogenblik gekomen, mijn gewone uiterlijk aan te nemen.”
„En mag men weten, James, hoe je die plotselinge gedaanteverwisseling tot stand hebt gebracht?” vroeg Raffles glimlachend, maar de hand van den stoutmoedigen kerel nog steeds in de zijne houdend.
„Dat ging heel eenvoudig, Mylord! Ik had mijnheer Brand mijn plannetje medegedeeld en hij vond het goed! Ik heb toen alle lakens vlug aan elkander genaaid, die ik kon vinden, en daarna sneed ik in het watervat dat tegen den achtermuur van de hut stond, een paar gaten—de oogen, neus en mond, en aan den anderen kant maakte ik twee van onze electrische zaklantaarns vast! Was het geen prachtig effect?”
„Het was onverbeterlijk, James! Maar je geweldige lengte?”
„Niets eenvoudiger! Ik heb mij vlug een paar stelten gemaakt uit een paar bamboestokken—en als men zooals ik een jaar lang herder is geweest in de pampa’s van Argentinië, waar je niet anders kon gaan dan op stelten van een twee meter lengte, dan leer je wel loopen op zulke dingen! Nu—en dat was alles!”
Het was even stil—en toen trad Sonja met tranen in de oogen op den reus toe en greep zijn hand, die zij uit alle macht drukte, zoodat de reus er bijna verlegen onder werd.
Hij trachtte snel de aandacht af te leiden door de vraag:
„Dat is waar—wat gilden die zwarten toch, toen zij aan den haal gingen?”
„„Taboe!” riepen zij, James,” antwoordde Charly, die met moeite zijn aandoening verborg, „dat wil zeggen dat dit eiland taboe of heilig is verklaard—en Mylord zal mij bijvallen als ik zeg, dat geen enkele wilde ooit meer zal wagen, nog eens een voet op dit eiland te zetten!”
„Zoo is het!” zeide Raffles. „Het „Taboe” der Zuidzee-eilanders beheerscht hun geheele samenleving—en geen hunner zou zich straffeloos tegen zijn strenge regels kunnen verzetten! Maar nu is het tijd om aan onze eigen veiligheid te denken, vrienden. Laten wij ons dadelijk inschepen!”
De afstand tot de vliegmachine was spoedig afgelegd, en binnen enkele minuten hadden allen zich ingescheept.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Ruim een etmaal later landde het toestel bij Hendon.
Toen pas opende Eleonora, die tot dien tijd een hardnekkig stilzwijgen in acht had genomen, haar lippen, en wendde zich tot Raffles met de vraag:
„Wilt gij mij zeggen, John Raffles, wat u naar uw eiland dreef?” [31]
„Ja. Ik kwam u vragen, mij te helpen bij de opsporing van mijn doodsvijand!”
„Dat vermoedde ik reeds.”
„Kent gij zijn schuilplaatsen?”
„Ja, ik ken ze.”
„Noem ze mij, ik wil hem gaan bestrijden—hij of ik moet van deze wereld verdwijnen.”
„Niet gij—ik zal den schurk zoeken, John Raffles!” riep Eleonora uit. „Gij kent nu de geheimen mijns harten—om u te bewijzen dat het mij ernst was, zal ik zelf als wreekster optreden—en tevens mijzelf wreken voor mijn verloren leven! En wee Irwin Stanley als ik hem ontmoet!”
En voor Raffles iets had kunnen tegenwerpen, was de jonge vrouw verdwenen onder de menigte, die zich juist naar het vliegveld begaf om getuige te zijn van een groot vliegfeest.