Een oogenblik bleef het stil in het vertrek.
Raffles scheen in diepe gedachten verzonken te zijn.
Toen hernam hij:
„Kunt gij u zelf niet voorstellen, hoe het mogelijk is, dat men uw spoor heeft hervonden, ofschoon ik u acht dagen geleden met mijn vliegmachine hierheen gebracht heb, en terwijl het volstrekt onmogelijk is, dat men ons op dien tocht door het luchtruim gevolgd is?”
In plaats onmiddellijk te antwoorden begroef de jonge vrouw het gelaat in de kussens, en barstte in snikken uit.
Haar geheel verleden van de laatste maanden ging aan haar geest voorbij.
Met wanhoop in het hart herdacht zij het oogenblik, waarop zij in de macht raakte van Irwin Stanley, die juist gekozen was tot aanvoerder,—Meester was zijn titel—van een machtige misdadigersorganisatie.
Deze bond, waarbij een groot aantal der voornaamste misdadigersbenden van het Europeesche vasteland en van de Nieuwe Wereld waren aangesloten, benevens eenige zeer gevaarlijke benden in Engelsch-Indië, o.a. die van de vreeselijke Thugs of Worgers, heette het „Genootschap van den Gouden Sleutel”, en de man die er van aan het hoofd stond, was met bijna onbeperkte macht over de leden van deze organisatie bekleed.
Alleen in gevallen van verraad sprak een raad van zeven leden, de zoogenaamde Bloedraad, recht, maar dat sloot voor den Meester volstrekt niet de bevoegdheid uit, om, waar en wanneer het hem goed dacht, een persoonlijke vete te te beslechten.
Irwin Stanley, die in het dagelijksche leven de rol speelde van een eerwaardig zaakwaarnemer, was reeds lang in het geheim een lid van het Genootschap geweest—en hij was er gevreesd en bewonderd om zijn sluwheid, zijn stoutmoedigheid, en zijn volkomen gemis aan alles wat op een geweten geleek.
Hij had reeds twee moorden op zijn geweten, en toen de derde Meester van het Genootschap, Dr. Fox, door toedoen van John Raffles, die ook de beide vorigen had weten te verdelgen, het leven had gelaten, koos de Algemeene Vergadering van afgevaardigden hem met bijna algemeene stemmen tot zijn opvolger.
Eleonore Manoury was ter kwader ure de minnares van dezen man geworden, nog onkundig wat hij bedreven had—en daar zij zelve eenigen tijd geleden in staat van zelfverdediging een mensch had gedood, maakte de schurk hiervan misbruik, door haar met aangifte bij de politie te bedreigen, wanneer zij niet volgens zijn bevelen handelde.
De jonge, schoone vrouw had vervolgens deel genomen aan eenige gevaarvolle ondernemingen der bende, voornamelijk inbraken—en zij wist dat zij ijverig door de politie werd gezocht!
Toen kwam het tijdstip in haar leven, dat er een algeheele ommekeer in zou brengen.
Raffles scheen op het spoor te zijn gekomen van Irwin Stanley, toen deze nog nauwelijks eenige maanden aan het hoofd van het Genootschap stond, en bijna onmiddellijk was er een felle strijd tusschen de beide mannen ontstaan.
Bij hun tweede treffen, in het huis van Irwin Stanley, een oud en groot gebouw in de Kappel Street te Londen, was Eleonore Manoury, die door de woordenwisseling in het oudste gedeelte van het huis, waar zij opgesloten werd gehouden, onzichtbaar voor de wereld, gewekt, Raffles ter hulp gesneld, juist toen zijn doodsvijand op het punt had gestaan, Raffles door een even verraderlijken als moorddadigen steek te dooden. [7]
Maar de schurk zon op wraak, en juist toen Raffles met de vrouw, die zijn leven gered had, het huis wilde verlaten, dat hem bijna noodlottig was geworden, kwam de booswicht weder opdagen, en trof de ongelukkige vrouw van uit een hinderlaag met een revolverschot in de borst.
En nog zou de zaak wellicht tragisch voor Raffles zijn afgeloopen, wanneer Henderson niet als hulp was komen opdagen, die Stanley een zwaren stoel naar het hoofd wierp, juist toen deze voor den tweeden keer, thans op Raffles wilde vuren.
De Gentleman-Inbreker en de vrouw, die voortaan zijn bescherming zou genieten, waren gered—maar Stanley was op het laatste oogenblik spoorloos verdwenen.
Zijn huis bleek nog meer geheimen te bezitten, dan Raffles wel verwacht had.
Eleonore liet vervolgens snel alles aan haar geest voorbij gaan, wat er sindsdien was geschied—de overbrenging naar een eenzaam gelegen landhuis, dicht bij Londen, haar ontdekking daar, door den speurhond van een der leden van de bende, de nachtelijke overval van drie bandieten, op bevel van Stanley, en met het doel deze lastige getuige en medeweetster van zijn geheim te dooden, maar die door Raffles en zijn vriend verijdeld werd, haar overbrenging naar Londen, en naar het huis van een zekeren Brown, onder welken naam Raffles een klein huis in de Victoria Street bezat, en ten slotte de vernieuwde poging van Stanley, om de gewonde vrouw daar van het leven te berooven, nadat de speurhond ten tweede male haar spoor had teruggevonden, de vlucht door de onderaardsche tunnel, en ten slotte haar overbrenging met de vliegmachine van John Raffles naar Caïro, waar hij haar onder een valschen naam had laten opnemen in het beste ziekenhuis, hetwelk deze stad met zijn zeven honderd duizend inwoners rijk was.
Dit alles was vliegensvlug, als ware het een snel voorbijglijdende film aan haar herinneringen voorbij gegaan—en zij vergat ook het gevoel van warme vriendschap niet, dat haar voor John Raffles was gaan bezielen, en dat op het punt stond, alle andere gevoelens in haar ter zijde te dringen.
En nu pas viel het haar ook in, dat zij nog niet geantwoord had op de vraag van den Grooten Onbekende.
Zij wenkte hem, om dicht bij het bed te komen, en zeide op gedempten toon als vreesde zij dat andere ooren het zouden kunnen hooren:
„Ik vrees u een teleurstelling te moeten bereiden, Raffles—maar ik geloof dat iedere andere stad dan juist Caïro voor mij veiliger zou zijn geweest.”
„Waarom?”
„Ik heb hier eenige maanden achtereen met Stanley geleefd, en in dien tijd kregen wij herhaaldelijk bezoek van leden der bende, waaraan ik nu niet zonder walging en afschuw kan terugdenken. Er waren blanken en inlanders onder.”
„Welnu?”
„Zij allen kenden mij heel goed—en ik voor mij ben er zeker van, dat Stanley onmiddellijk, nadat gij mij uit zijn huis hadt weggevoerd, naar alle plaatsen, waar het Genootschap van den Gouden Sleutel gehoorzaamd en gevreesd wordt, het telegrafische en in geheime taal gestelde bevel gezonden heeft, om naar mij uit te zien—want hij kende zeer goed de middelen, die u ten dienste staan: Wij hebben er herhaaldelijk over gesproken, en hij werd altijd half dol van woede en drift, als hij bedacht, dat de macht van een enkel man zoo aanzienlijk veel grooter bleek te zijn, dan die van een geheele uitstekend georganiseerde bende! Stanley weet dat gij een uiterst snelle vliegmachine bezit, dat gij een duikboot van uw eigen vinding hebt vervaardigd, veel sneller dan eenig tot dusverre bekend vaartuig van dien aard, hij weet dat gij op verschillende punten van den aardbodem aanzienlijke schatten verborgen hebt, en ten slotte is het hem bekend, dat gij u weet te vermommen op een wijze, waarbij vergeleken de verkleedpartijen van de detectives van Scotland Yard erbarmelijk knoeiwerk is!”
„Dus gij vreest.…”
„Ik moet wel vreezen, dat men mij hier herkend heeft!”
„Maar hoe is dat mogelijk?” hernam Raffles. „Wij zijn in ieder geval voor het aanbreken van den dag geland, niet ver van den straatweg van Alexandria naar Caïro, en wij hebben u aanstonds met een daartoe ontboden automobiel naar het ziekenhuis laten vervoeren. Hoe is het dan denkbaar, dat men u gezien zou hebben?”
„Dat kan ook niet, tenminste niet gedurende den rit—maar het noodlot volgt soms grillige plannen—het is immers wel mogelijk, dat er in het ziekenhuis een verpleegster was, die tot de bende behoorde, [8]en die mij herkend heeft—gij moet weten, dat men mij reeds een paar malen, toen het heerlijk weer was, in een ziekenstoel naar den grooten tuin heeft gereden, die zich achter het ziekenhuis uitstrekt, en waar zich honderden andere verpleegden ophielden, die aan de beterende hand waren, zooals ik!”
Het gelaat van Raffles had een ernstige uitdrukking aangenomen.
„Dat is leelijker!” zeide hij zachtjes. „Dan is het natuurlijk volstrekt niet uitgesloten, dat het toeval hier de hand in het spel heeft gehad, en dat hier een van die kerels, die u vroeger gekend hebben, verpleegd werd!”
Hij zweeg even, en vervolgde toen, met gebogen hoofd:
„Ik moet u mijn verontschuldiging aanbieden, Madame! Naar het schijnt breng ik u louter ongeluk aan, en wien zou dat ook verwonderen? Om mijnentwille zijt gij zwaar gewond, en weer om mijnentwille heb ik u dagen achtereen, in den toestand waarin gij u bevindt, zware vermoeienissen laten doorstaan.”
„Maar dat was toch om mij te redden!” riep de jonge vrouw uit, terwijl zij de hand van den Gentleman-Inbreker greep.
„Een zonderlinge wijze van redden!” riep Raffles op schamperen toon. „Ik breng u steeds in nieuwe verlegenheden, en in nieuw gevaar, dat is de zaak!”
„Zeg dat toch niet!” hernam Eleonore Manoury op smeekenden toon. „Gij doet mij pijn! Gij hebt u in de laatste dagen om mijnentwege herhaaldelijk in levensgevaar gesteld! Reeds zijn eenige van uw kostbare geheimen bij Stanley bekend, en dat alleen door mijn schuld! Wanneer ik er niet geweest was, zou die ellendige hond de schurken niet op het spoor hebben gebracht. En gij kondet toch niet weten dat juist in Caïro mijn noodlot mij zou achterhalen?”
„Oho, Madame zoover zijn wij nog lang niet!” viel Raffles haar in de rede. „Zeg mij eens, voelt gij u in staat spoedig dit ziekenhuis te verlaten?”
„Als het moest, zou ik desnoods over eenige uren kunnen vertrekken!”
„Wat zeide de geneesheer?”
„Die achtte het beter, dat ik nog een paar dagen hier bleef, maar hij zeide mij vanmorgen, dat ik, als ik wilde, morgen de inrichting kon verlaten!”
„Daarbij blijft het dan!” hernam Raffles op vasten toon. „Wij mogen uw gezondheid niet in de waagschaal stellen, uit vrees voor de ellendelingen! Ik zal zelf vannacht de wacht houden, en ik verzeker u, dat niemand het zal wagen, ook maar een vinger naar u uit te steken!”
Eleonore drukte de hand van Raffles met kracht, en er lag een vochtige glans in haar oogen, toen zij op gedempten toon zeide:
„Ik wist immers wel, dat ik onder alle omstandigheden op u zou kunnen rekenen! Ik weet ook dat ik misbruik van uw goedheid maak—maar ik smeek u,—breng mij zoo spoedig mogelijk van hier! Ik ben bang in deze stad, die vol is van vijanden, die zeker geen oogenblik zullen aarzelen, mij te vermoorden, als Stanley hen daartoe het bevel heeft gegeven!”
„Morgen reeds, Madame, kunt gij gaan waarheen gij wilt!” hernam Raffles.
„Ik dank u!” was alles wat de jonge vrouw zeide, en Raffles moest zich afwenden, want in den blik van haar schoone oogen had hij een geheim gelezen, dat hij niet wilde, en niet mocht kennen, indien hij niet ontrouw wilde worden aan de zware taak, welke hij zich gesteld had—het bijstaan van de zwakken en onderdrukten en het herstellen van onrecht, tot iederen prijs, zelfs van diefstal!— — —
Na eenige oogenblikken zeide hij op zakelijken toon:
„Ik zal in ieder geval den directeur op het hart drukken, dat uw kamer met de uiterste zorg moet worden bewaakt, door vertrouwbaar personeel, zoodra de duisternis gevallen is. Wat den tuin aangaat—ik verzeker u, dat men uw venster niet zal bereiken! En nu moet ik u verlaten, want ik heb met mijn vrienden nog verschillende zaken te regelen—van middag keer ik waarschijnlijk nog eens terug. Het verheugt mij, dat ik uw toestand veel verbeterd vind. Niet ten onrechte noemt men Caïro een Dorado voor longlijders en genezenden—juist daarom bracht ik u hierheen!”
„Zijt gij er waarlijk verheugd om, Raffles?” vroeg Eleonore op zachten toon.
„Denkt gij van niet, Madame?”
„Ik weet het niet—ik— — —soms lijkt het mij toe, alsof uw gelaat van marmer is! Ik kan er niets op lezen—geen sprankje van gevoel, niets dan koude ernst en vastberadenheid, en toch weet ik, toch gevoel ik, dat uw gemoed zacht en medelijdend is! Men bespot u onder de leden onzer bende omdat gij het geld, dat gij— —dat gij— — —” [9]
„Dat ik steel, Madame!”
„— — — — — het geld, dat gij van anderen afneemt, bijna aanstonds weder uitgeeft om het te besteden aan doeleinden, waarom mijn vroegere makkers slechts lachten! Maar ik weet wat er in u omgaat—en daarom begrijp ik het niet, dat gij soms zoo trotsch, zoo koel, zoo ongenaakbaar er kunt uitzien! Zeg mij eens John Raffles—hebt gij een hart?”
Raffles antwoordde niet aanstonds, maar staarde schijnbaar gedachtenloos uit het raam naar beneden in den dicht beplanten tuin, waar thans verscheidene zieken in rolwagentjes voorzichtig door verpleegsters heen en weer gereden werden, ten einde te genieten van den heerlijken zonneschijn.
Toen wendde hij zich om, en antwoordde, terwijl zijn stem een harden klank had:
„Ik mag geen hart bezitten, Madame—behalve voor mijn ongelukkige, verdrukte vrienden, voor hen die lijden, voor hen die onrechtvaardig behandeld, bedrogen en mishandeld worden!”
Eenigen tijd bleef het weder stil in het ziekenvertrek.
Toen kwam het op heeschen toon over de lippen van Eleonore Manoury, terwijl zij haar prachtige zwarte oogen strak op den man tegenover haar gevestigd hield:
„Heeft de liefde nooit een rol gespeeld in uw leven, John Raffles?”
„O ja, Madame—menigmaal zelfs!” antwoordde Raffles op drogen toon. „Gij ziet mij toch hoop ik niet aan voor een puritein, voor een Eunuch? Denkt gij soms dat ik ongevoelig ben voor vrouwelijk schoon? Ik mag alleen niet, en omdat ik niet mag, daarom wil ik ook niet! Later misschien—later!”
Eleonore Manoury gaf geen antwoord, maar liet zich met een zucht, die als een klacht klonk, weder in de kussens terug vallen.
Toen kwam het heel zacht over haar lippen, onhoorbaar voor den Gentleman-Inbreker:
„Later—later misschien!” [10]