Omstreeks twee uur in den middag ontving de hoofdcommissaris van politie te Caïro, Huntley, een schrijven van den volgenden inhoud:
„Mijnheer!
Een uur geleden verzond de Fellah, Ibrahim Dhâr, U waarschijnlijk welbekend, een telegram in geheime taal, aan Irwin Stanley, Kappel Street 93 te Londen, waarvan ik U hier een afschrift laat volgen in het origineel, zoowel als in de werkelijke beteekenis.
Zooals gij ziet luidt de inhoud van dit telegram: „Meester! Uw overkomst dringend noodzakelijk. John Raffles hier gezien met de vrouw. Aanslag op haar mislukt. Ik volg Raffles voet voor voet. Verblijf van de vrouw onbekend. Ibrahim Dhâr.”
Ik kan u verzekeren dat, wat de hoofdzaak betreft, dit telegram volkomen waarheid is—John Raffles is inderdaad hier te Caïro, en uit de onderteekening van dit schrijven kunt gij zien, wie U dit briefje schrijft.
Wanneer ik zoo vrij mag zijn, U een raad te geven, stel U dan onmiddellijk in verbinding met Uw collega’s te Londen, en verzoek deze, het doen en laten van Irwin Stanley nauwkeurig te doen nagaan.
Scheept hij zich inderdaad met de eerste de beste boot, die vertrekt, naar Caïro in, of gaat hij te land over Genua, hetgeen de weg aanzienlijk verkort, dan zal Scotland-Yard wellicht haar meening nog wel eens herzien in zake de onaantastbaarheid van den heer Irwin Stanley!
Zonder eenigen twijfel zult ook gij het wel pikant vinden, dat deze heer aanstonds gevolg geeft aan den wensch om naar Caïro over te steken, en daarvoor zijn drukke praktijk te laten varen, wanneer die wensch geuit wordt door een man als Ibrahim Dhâr.
Daar het echter verre van mij is, U te nopen, mij zonder meer geloof te schenken, noodig ik U uit, vandaag over zeven dagen, des avonds om elf uur, met eenige mannen te verschijnen in het huis van Ibrahim Dhâr, even buiten Caïro, aan den weg naar Alexandria gelegen, waar gij U in hinderlaag kunt leggen, en waar Irwin Stanley om half drie in den nacht zal verschijnen.
Het is zeer wel mogelijk, dat gij mij persoonlijk dank zult willen betuigen voor deze kostbare inlichtingen, welke U een groot misdadiger in handen zullen spelen, maar om begrijpelijke redenen—mijn aangeboren bescheidenheid nog daar gelaten—wensch ik mij liever aan iedere betuiging van hulde en dankbaarheid te onttrekken.
Wanneer gij voorzichtig, met list, en doortastend op het goede oogenblik te werk gaat, en vooral geen ruchtbaarheid geeft aan dit schrijven dan zult gij, naar ik meen, een grooten dienst aan de gemeenschap bewezen hebben.
Inmiddels, met onveranderlijke gevoelens van hoogachting,
Steeds gaarne de Uwe,
John Raffles.
Het behoeft geen nader betoog, dat dit schrijven onder de hoogste politieautoriteiten van Caïro de uitwerking had van een donderslag bij helderen hemel.
Het schrijven opende alle mogelijke perspectieven!
Om te beginnen was John Raffles—aangenomen natuurlijk dat de brief geen fopperij was—in Caïro!
Dat was ongetwijfeld een zaak van belang, en alleen viel het zeer te betreuren, dat men aan de wetenschap alleen niet veel had! [20]
Raffles had even goed kunnen mededeelen, dat hij zich in Afrika bevond!
Verder was van groot gewicht dat hij den naam van Ibrahim Dhâr noemde.
Deze Fellah werd reeds lang gezocht wegens eenige zware misdrijven, maar had zich gedurende langen tijd aan alle nasporingen van de politie weten te onttrekken—hij bleek zich dus te hebben opgehouden in een eenzaam huis, vervallen en dat men onbewoond waande, zonder dat men het wist.
Nu begreep de heer Huntley wel, dat niets gemakkelijker zou zijn, zich aanstonds te overtuigen van de waarheid van hetgeen Raffles in zijn brief te berde had gebracht, door eenvoudig een paar schrandere detectives in hinderlaag te leggen in de nabijheid van het verlaten huis, die zich dadelijk van den persoon van den langgezochten Fellah konden meester maken, zoodra zij hem in het oog kregen.
Maar—dan had men wel den Inlander, maar men miste daarentegen het onderhoud met Stanley, waaruit zou blijken, dat deze inderdaad de man was, voor wien John Raffles hem hield—iets wat de heer Huntley voorloopig niet zonder deugdelijke bewijzen verkoos aan te nemen.
Daar er echter niets aan verloren zou zijn, als men er zich toe bepaalde, het vervallen huis aan den straatweg naar Alexandria zorgvuldig in het oog te houden, zoo besloot de hoofdcommissaris van politie, voorloopig nog niet handelend op te treden, en de kat eens uit den boom te zien.
En er waren nog geen twee volle dagen verloopen, of de heer Huntley moest erkennen, dat althans reeds een deel van hetgeen John Raffles in zijn schrijven had aangevoerd, bewaarheid was—Irwin Stanley had, na in allerijl zijn toebereidselen te hebben gemaakt, de reis naar Caïro aanvaard, en wel langs den kortsten weg, per boot het kanaal over, door Frankrijk naar Genua, en vandaar met de correspondeerende pakketboot naar Caïro!
Intusschen, dit kon toeval zijn.
Weliswaar had Irwin Stanley nog pas korten tijd geleden iets met de Londensche politie uitstaande gehad, eveneens gevolg eener mededeeling van John Raffles, en ofschoon men hem toen op vrije voeten had moeten stellen—de zaak kwam nu toch in ander licht te staan, als men haar in verband bracht met Raffles’ jongste betichtingen.
Hoe het ook zij,—in het geheim werden de gangen van den zaakwaarnemer nagegaan, van het oogenblik af, dat hij zijn huis in de Kappel-Street verliet, en men moest het Scotland Yard ter eere nageven, dat Stanley geen seconde onbewaakt bleef.
De telegraaf werkte snel en naar alle richtingen, met de meest mogelijke geheimhouding, want men wist maar al te goed, dat het Genootschap van den Gouden Sleutel zelfs zijn spionnen had op de telegraaf-centrale en telephoonbureaux, en niet zoodra was de boot te Calais aangekomen, of Fransche detectives namen de taak van de Londensche over, met niet minder schranderheid en onopvallendheid.
Van station tot station werd Irwin Stanley nagegaan, en klaarblijkelijk zonder dat hij er zelf eenig bewustzijn van had.
Zijn gedachten waren te zeer vervuld van wraakgevoelens, en van hoopvolle verwachting, dat hij er eindelijk in zou slagen zijn doodsvijand machtig te worden—en tevens zijn voormalige minnares, die voor hem steeds een bedreiging zou blijven, zoo lang zij zich buiten zijn greep bevond.
In Genua stapte tegelijk met Irwin Stanley wederom een Engelsche detective aan boord, want het vaartuig was van een Engelsche Maatschappij, een Engelsch schip, en dus Engelsch grondgebied.
Maar er waren wel een paar honderd reizigers, en Stanley dacht aan heel andere dingen dan aan Engelsche detectives,—hij dacht over de martelingen na, welke hij zijn vijand zou laten ondergaan, wanneer hij hem weder in zijn macht had.
Want hij kon er niet aan twijfelen—aan Raffles was het zeker weder te wijten geweest, dat de aanslag op Eleonore Manoury mislukt was.
Thans bevond zij zich zeker weer in veiligheid—en toch moest zij tot iederen prijs gevonden worden, want zoolang die vrouw leefde, moest Stanley vreezen voor zijn eigen bestaan.
Als zij alles mededeelde wat zij van hem wist, dan zou het zelfs niet onmogelijk zijn,—neen zeker ware het, dat hij zijn hoofd door den strop zou moeten steken!
De overtocht was zeer voorspoedig, de Middellandsche zee was zoo glad als een spiegel, en de reis werd in twee uren minder dan den vastgestelden tijd volbracht.
Aanstonds begaf Irwin Stanley zich naar het Hotel des Anglais, waar hij zich onder zijn eigen naam in het vreemdelingenregister liet inschrijven. [21]
En weer was hij zich er onbewust van, dat tegelijk met hem een ander reiziger een kamer in het hotel had, die luisterde naar den naam John Raffles!
Inderdaad, de Groote Onbekende had den schurk niet uit het oog willen verliezen, en hij was hem tot Genua tegemoet gereisd, waar hij zijn uiterlijk totaal had veranderd, terwijl hij den Inlander, Ibrahim Dhâr, had toevertrouwd aan de bewaking van Charly en James Henderson.
Dit laatste was noodzakelijk geweest, want er zou groot gevaar aan verbonden geweest zijn, indien men den Fellah had laten doen wat hij wilde.
Hij zou dan misschien met medeplichtigen in aanraking zijn gekomen, die wellicht het plan van Raffles zouden hebben doorzien, of misschien zou hij wel in handen van de politie zijn gekomen, op een zoo ongunstig mogelijk tijdstip—namelijk voor dat Stanley zijn reis zou hebben beëindigd.
Het was immers steeds verstandig, geen al te hooge wissels te trekken op de schranderheid van de politie.
Huntley kon wel eens de meening zijn toegedaan, dat één vogel in de hand beter is dan tien in de lucht, en voorloopig maar beslag leggen op den Inlander, zoodra deze hen in handen zou vallen.
En daarom hadden Charly en Henderson een van die groote schuiten gehuurd, overdekt met een soort huif, uit gevlochten rotan, en die met behulp van een ontzaglijk lange wrikspaan wordt voortbewogen, en daarin waren zij met Ibrahim Dhâr, die hen mak als een schaap volgde, den Nijl afgezakt.
Wat Raffles aangaat, hij had zich omgetooverd tot een ouden, Franschen markies, die niet heel lang meer te leven had, en die zijn wankele gezondheid in dit heerlijke, gezonde klimaat nog een weinig hoopte op te lappen.
Hij zag er uit als een menschelijk wrak, met slechts weinig, spierwit haar, dat blijkbaar met de grootste zorgvuldigheid over het hoofd was verdeeld, vale, ingevallen wangen, snor en sikje, een gebogen houding, en een droog kuchje.
En zoo voortreffelijk was zijn kleeding, dat geen der kellners, noch de gérant, noch de directeur, ook maar een oogenblik in dezen onttakelden Franschen markies den Engelschen plezierreiziger van eenige dagen geleden herkende.
Raffles had Stanley geen oogenblik uit het oog verloren, en hij bewaakte hem van het oogenblik af, zooals de herdershond de kudde bewaakt.
Natuurlijk kon hij hem onmogelijk overal nagaan, daar een schrander man als Stanley dit spoedig zou hebben gemerkt, maar dat behoefde ook niet, want Charly, die eveneens zijn uiterlijk had veranderd, kwam hem aflossen, zoodat alleen den reus de taak te beurt viel een wakend oogje op Ibrahim Dhâr te houden.
Raffles had zoo nauwkeurig alles uitgerekend, dat Stanley reeds denzelfden nacht, volgend op den dag zijner aankomst, naar het eenzame huis aan den straatweg naar Alexandria moest gaan, teneinde daar de samenkomst te hebben met den Fellah.
De politie had haar maatregelen genomen, want Huntley was tot het inzicht gekomen, dat het hem naderhand als een onvergeeflijke fout zou kunnen worden aangerekend, den brief van Raffles in den wind te hebben geslagen.
Hij had dus vijf van zijn beste mannen naar het vervallen huis gezonden, reeds vroeg in den avond, die zich daar in hinderlaag hadden gelegd.
Het was toen half tien, en Ibrahim Dhâr was er nog niet, hetgeen Huntley, die het kleine troepje persoonlijk had willen aanvoeren, wel een weinig teleurstelde.
Het was in ieder geval geen goed voorteeken!
Maar omstreeks elf uur naderden er zachte, katachtige voetstappen, de buitendeur ging open, en de Fellah trad binnen.
Hij begon met een kleine lantaarn aan te steken, en hing deze aan een kram aan den wand.
Vervolgens opende hij een kleine wandkast, haalde er wat levensmiddelen uit, zette een soort thee, waartoe hij het water op een houtskoolvuurtje aan het koken bracht, en nuttigde den maaltijd.
En dit alles met afgemeten, als mechanische gebaren, schijnbaar zonder zelf te beseffen wat hij deed.
Daarop borg hij alles wat hij gebruikt had weder weg, nam de lantaarn van den haak, besteeg een wrakke trap, die naar de eenige verdieping van het vervallen huis voerde, ging een vertrek binnen, waar een bamboe rustbank, door een muggennet omgeven, met een paar eenvoudige stoelen, het eenige meubilair vormden.
Hier hing hij de lantaarn opnieuw op, nadat hij voor het eenige, smalle venster een lap stof, bij [22]wijze van gordijn had laten vallen, nam op de rustbank plaats, en wachtte.
En hij wachtte klaarblijkelijk zonder eenig besef van den tijd te hebben, zonder zich een oogenblik te vervelen, zonder te weten of hij vijf minuten, dan wel een vollen dag had gewacht.
Traag kropen de uren voorbij, maar Huntley en zijn mannen werden niet ongeduldig, maar wachtten daarentegen in groote spanning op hetgeen er nog zou volgen.
Want reeds de helft van hetgeen Raffles in zijn brief verzekerd had, was uitgekomen—de langgezochte Inlander zat daar, op nauwelijks een paar passen afstand van hen vandaan.
Het werd eindelijk halfdrie in den nacht—en juist op dat oogenblik werd er op de buitendeur op eigenaardige wijze geklopt.
De Inlander scheen het evenwel niet te hooren, of als hij het al hoorde sloeg hij er geen acht op.
Hij bleef tenminste roerloos zitten.
De man die buiten stond, bromde iets voor zich heen, scheen een oogenblik te aarzelen, en duwde toen tegen de deur, die meegaf.
„Een open deur?” bromde Stanley—want hij was het—voor zich heen. „Dat bevalt mij niet erg! Ik geloof dat het noodzakelijk zal zijn om een paar voorzorgmaatregelen te nemen!”
Hij stak de hand in zijn zak, en toen hij die weder te voorschijn haalde, blonk in zijn vuist de loop van een revolver.
Nu duwde hij zachtjes de deur wat verder open, en trad voorzichtig binnen.
Hij wachtte vele minuten, de ooren in luistering gespitst, scheen toen gerustgesteld, en sloot de deur.
En op hetzelfde oogenblik maakten zich drie gedaanten los uit de schaduw van het zware struikgewas tegenover het huis, die het gebouwtje snel naderden, en het volgende oogenblik er als het ware door werden opgeslokt.
Het waren John Raffles en zijn beide onafscheidelijke metgezellen.… [23]