[Inhoud]

De ontvluchting.

Raffles, Charly en Henderson hadden zich veilig weder terug getrokken in het dichte boschje, dat zich tegenover het huis bevond, waarin zich dat alles had afgespeeld.

Het raam was open gebleven en zij hadden gemakkelijk bijna alles kunnen volgen, wat er geschied was.

En toen Raffles zag, hoe Stanley geboeid werd weggeleid en in gezelschap van Ibrahim Dhâr werd overgebracht naar de auto, welke verschenen was op het fluitsein van den commissaris, en die tot dien tijd verdekt opgesteld was geweest achter een kromming van den zijweg, glimlachte hij voor zich heen en zeide op zachten toon tot Charly:

„Wanneer niet alle kenteekenen ons bedriegen, dan mogen wij het er wel voor houden, dat thans het rijk van Irwin Stanley teneinde is, tenminste, wanneer men in Londen geen ezelachtigheden begaat, waartoe ik zelfs Scotland Yard niet in staat acht.”

„Je hebt de partij voortreffelijk gespeeld, Edward, en ik geloof zeker, dat je haar gewonnen hebt,” gaf Charly ten antwoord, op wiens jong gelaat een uitdrukking van groote opluchting en voldoening te lezen was. „Er is ons nu een groote last van de schouders genomen en het zal zeker niet lang meer duren, of ook deze aanvoerder van het Genootschap van den Gouden Sleutel zal binnen niet al te langen tijd door het hennepen venster moeten kijken. Wat zullen wij nu doen, Raffles?”

„Eenvoudig toezien, wat er met onzen man geschiedt. Ik zal niet gerust zijn, voor hij veilig en wel in een van de stevigste gevangenissen van Londen zit opgesloten, en zelfs dan zal ik nog altijd vrees moeten koesteren voor een ontsnapping, want die Stanley heeft ontelbare connecties onder alle kringen der maatschappij, en al kan men er wel van op aan, dat gelukkig al onze cipiers betrouwbaar zijn, er kunnen toch in de gevangenis, zoowel als daarbuiten personen te vinden zijn, die alles in het werk stellen om den schurk weder te bevrijden. Wij hebben hier niets meer te doen. Ik heb je reeds gezegd, dat ik Eleonore Manoury gedurende den tijd, dat wij op de komst van Stanley moesten wachten, met behulp van onze vliegmachine naar het diamanteiland heb overgebracht, waar zij voorloopig gezelschap genoeg heeft aan Sonja, mijn Armenische beschermelinge, die zich daar uit eigen beweging met twee van haar dienstmaagden heeft terug getrokken.”

„Omdat zij je lief had, Raffles,” zeide Charly op zachten, eenigszins verwijtenden toon, „en omdat zij meende, je op die wijze het best haar dankbaarheid te kunnen betuigen, nadat je haar bevrijd had uit de klauwen van haar Turkschen achtervolger. En nu, nu is er op het eenzame eiland een tweede vrouw gekomen, die eveneens alleen het beeld van John Raffles in haar hart draagt. Nu kunnen die beide vrouwen met elkander praten over je ongenaakbaarheid en je koelheid.”

„Welnu, dan hebben ze althans een onderwerp tot gesprek, dat niet zoo spoedig uitgeput zal zijn,” kwam Raffles koeltjes. „In ieder geval zal Eleonore Manoury daarginds buiten ieder bereik zijn van eenig lid van de bende, en dat is de hoofdzaak. En wanneer haar inderdaad gevoelens voor mij bezielen, die jij haar toeschrijft, dan zullen die daar in de eenzaamheid wel slijten, hetgeen voor alle partijen verreweg het beste is.”

Charly schudde het hoofd, maar hij gaf geen antwoord.

Raffles wenkte Henderson, die een weinig achter was gebleven en de drie mannen begaven zich haastig [29]naar den kleinen renwagen, waarvoor Charly reeds gezorgd had, en stapten in, teneinde de politieauto op veiligen afstand te volgen.

Zooals Raffles wel vermoed had, werden de beide gevangenen naar een der gevangenissen van Caïro overgebracht en men kon slechts hopen, dat dit gebouw stevig en veilig genoeg zou blijken om den Meester iedere poging tot ontvluchting onmogelijk te maken.

Pas toen de deuren met een hoog geluid achter de politieauto waren dicht gevallen dacht Raffles er aan een welverdiende nachtrust te gaan genieten, want het was hem bekend, dat men pas over twee dagen den verdachte naar Londen zou brengen, omdat er niet voor dien tijd een schip vertrok dat regelrecht op een Indische haven voer, en alleen Brindisi, Genua en Bordeaux aandeed.

Henderson kreeg dus bevel naar het Hotel des Anglais te rijden. Toen de auto weder in beweging kwam, dook er een Inlander uit de schaduw van de gevangenis op, die dreigend de vuist tegen het gebouw schudde en zich daarop snel als een wezel en even onhoorbaar verwijderde.…

Deze man was een bloedverwant van Ibrahim Dhâr en het toeval, het noodlot misschien had hem dien nacht laat in de buurt van de gevangenis gebracht en hij had niet alleen zijn verwant, maar ook den Meester herkend, toen deze in de politieauto gezeten, geboeid en machteloos het gebouw waren binnen gebracht.…

Toen Raffles in den loop van den volgenden middag een der plaatselijke bladen opsloeg en er eenigen tijd in gelezen had, met Charly Brand in de conversatiezaal van het groote hotel gezeten, trok zijn voorhoofd zich in rimpels en hij schudde mismoedig het hoofd, toen hij zeide:

„Ze schijnen toch onverbeterlijk te zijn. Het is merkwaardig dat de politie letterlijk geen gelegenheid laat gaan, om haar mond voorbij te praten.”

„Heeft zij het aan het pers medegedeeld?” vroeg Charly.

„In geuren en kleuren. Zoo uitgebreid als maar mogelijk is en wij zouden de Engelsche pers niet moeten kennen, om aanstonds te beseffen, dat die heeren verslaggevers zich niet tevreden hebben gesteld met deze inlichtingen, maar dadelijk hun fantasie aan het werk hebben gezet en aldus de zaak een geheimzinnig tintje hebben gegeven, zonder welke de Engelsche krantenlezer het nu eenmaal niet schijnt te kunnen stellen.”

„Wordt je naam er in genoemd?”

„O, ja, herhaalde malen. Als ik tooneelspeler was, zou ik alle reden hebben om tevreden te zijn over mijn kritiek.”

„En wat denken de heeren van de Caïro Times over de arrestatie van Stanley.”

„O, ook in dat opzicht heb ik geen reden tot klagen. Het blad twijfelt er geen seconde aan, of ik heb het bij het rechte eind gehad en die Irwin Stanley is wel degelijk de vierde Meester van het gevaarlijke genootschap, waarvan men hier al evenveel last schijnt te hebben als te Londen. Intusschen kan ik het nut van deze publiciteit niet inzien. Integendeel, ik acht het zeer schadelijk, want met iemand als Irwin Stanley en met een organisatie als die van den Gouden Sleutel kan men niet voorzichtig genoeg zijn, en moet men iedere kans vermijden, dat er pogingen in het werk zullen worden gesteld, om hem uit de gevangenis te bevrijden. Gelukkig dat het bericht pas hedenmiddag verscheen en dat de boot, de „Prince Albert”, reeds morgenochtend vroeg vertrekt.”

„Vertrekken wij met hetzelfde schip?”

„Ja.”

„En onze duivel der lucht? De vliegmachine?”

„Henderson zal het toestel wel alleen naar Londen terug brengen. Het is hem ten volle toevertrouwd.”

Aldus werd gehandeld en op dienzelfden middag steeg de reus van het landingsterrein bij Caïro op, om eenige uren later bij Hendon veilig weer te dalen, het toestel te stallen en zich naar het huis in de Regentstreet te begeven.

Raffles en Charly hadden intusschen door bemiddeling van de hoteldirectie passagebiljetten genomen aan boord van de „Prince Albert”, die den volgenden morgen om zeven uur in den ochtend zou vertrekken. Maar reeds om elf uur in den avond begaven zij zich aan boord, zooals werd toegestaan, zoodanig vermomd, dat er van een herkenning volstrekt geen sprake kon zijn, en met het doel goed acht te kunnen slaan op alles wat er aan boord gebeurde.

Het was nog geen half uur later, of de groote politieauto kwam aanrijden en hield stil voor den langen steiger, waaraan de „Prince Albert” gemeerd lag. [30]

Vier agenten stegen uit, die een geboeid man omringden en zij herkenden hem onmiddellijk. Het was Irwin Stanley, die aan boord van het Engelsche schip gebracht werd.

De kleine groep, voorafgegaan door den commissaris van politie, liep snel over den steiger en besteeg de loopplank naar het voordek, waarbij de gevangene stevig aan weerszijden werd vast gehouden.

Aan het dek werd Stanley in ontvangst genomen door den eersten dekofficier, de noodige papieren werden ingevuld en gewisseld, en tenslotte verscheen nog een kleine man, met een grijze reispet op en in een lichtgele overjas, dat was Hudson, een detective van Scotland Yard, aan wien de taak was opgedragen den gevangene over te brengen.

Stanley werd aanstonds naar het cachot gebracht, dat zich in het vooronder bevond en de detective overtuigde zich persoonlijk, dat de ijzeren deur goed sloot, dat het slot deugdelijk was, dat er geen sprake van kon zijn, door het kleine gat, dat met de buitenlucht correspondeerde te ontsnappen, daar het nauwelijks een hand breed was, en daarop schoof hij eigenhandig de twee zware grendels voor de deur, draaide de sleutels in het slot om en glimlachte tevreden.

Dit alles was zeer snel geschied, maar toch niet zoo vlug of Raffles en Charly hadden het van het begin tot het einde kunnen volgen.

Zij hadden zich aanstonds overtuigd van de ligging der cachotten aan boord van het schip, en zij wisten, waar men den gevaarlijken verdachte zou opsluiten.

En nu bleef hen niets anders over, dan hun kajuit op te zoeken en vervolgens hun krib, om door een goede nachtrust de verloren schade in te halen.

Maar het lichten van het anker, het lawaai dat de ketting over de gangspil veroorzaakte, deed hen weder ontwaken en zij namen haastig een bad, kleedden zich aan en begaven zich naar het dek.

Het was een fraaie dag en de zon was reeds boven de kim gestegen.

Het bleek hen al spoedig dat geen der reizigers iets afwist van de aanwezigheid van den gevangene aan de „Prince Albert”. Men was althans zoo verstandig geweest hieraan geen ruchtbaarheid te geven.

Hudson liep kalm over het dek op en neer, met de handen op den rug gevouwen en het oog op den steiger gericht. Ook hij had een paar uren slaap genoten en zich aanstonds overtuigd, dat zijn arrestant nog altijd op dezelfde plaats zat, geboeid en wel was.

Raffles en Charly gebruikten het ontbijt in de gemeenschappelijke eetzaal van de eerste klasse en toen zij weder aan dek kwamen, voer de „Prince Albert” reeds een der Nijlarmen af, om koers te zetten naar Alexandria, welke stad zij omstreeks één uur in den middag bereikten.

Hier werd even aangelegd, om handelsartikelen en een paar reizigers aan boord te nemen en daarop stevende de „Prince Albert” de Middellandsche Zee in.

Raffles en Charly maakten zich den tijd ten nutte door het geheele schip grondig te onderzoeken.

Er waren ongeveer tachtig reizigers aan boord, over de drie klassen verdeeld, en zij poogden van al deze menschen het doel van hun reis, hun landaard, hun beroep en nog meer bijzonderheden te weten te komen.

Dat was van de eerste klasse passagiers niet zoo moeilijk, van de tweede klasse reizigers reeds een weinig lastiger en bij de tusschendekspassagiers ging het in het geheel niet.

Daaronder waren Inlanders, Kopten, Arabieren, Mediërs en Fellah’s, een zwijgend, in zichzelf gekeerd volkje, dat al heel weinig los liet en daarenboven de Engelsche taal niet, of zeer slecht scheen machtig te zijn.

De bemanning van het schip bestond uit negentig koppen, alles inbegrepen. Van den kapitein tot de bruine en gele stokers toe, Hindoes en Chineezen, voor het meerendeel.

Tenslotte wijdden Raffles en Charly hun aandacht aan de cachotten.

Zij waren allen gelegen aan den eenen kant van de smalle gang, aan het einde waarvan zich de trap naar het voordek bevond.

Het was streng verboden deze gang te betreden, ingeval er een gevangene vervoerd werd en bovendien stond er ditmaal een rechercheur met een geladen revolver in zijn zak op wacht.

Toen Raffles dit alles had waargenomen schudde hij het hoofd en zeide:

„Dat ziet er alles stevig genoeg uit en toch wilde ik maar, dat onze man goed en wel in de Londensche gevangenis zat, al kan ik werkelijk niet goed inzien, hoe hij uit dit cachot zou kunnen ontsnappen. [31]

„Tenminste, wanneer hij geen medeplichtigen aan boord heeft,” merkte Charly op.

„Dat is het juist. Dat kan eenvoudig niet worden uitgemaakt. Het is natuurlijk wel mogelijk, dat er nog na gistermiddag, toen de bladen het bericht brachten van de arrestatie nieuwe passagiers aan boord zijn gekomen. Wij zullen het in ieder geval eens onderzoeken.”

Aldus werd gedaan, maar het resultaat kon niet anders dan geruststellend heeten.

Er hadden zich sedert de publicatie van het bericht inderdaad nog vijf passagiers aangemeld, maar de kapitein kende hen allen reeds vele jaren als trouwe bezoekers van het zonnige zuiden, op wie zelfs de schijn eener verdenking, als zouden zij met een man als Stanley in verbinding staan, geen seconde kon blijven rusten.

Intusschen zette de „Prince Albert” haar reis onverdroten voort en tegen den avond van den derden dag kwam Genua in zicht.

Het was tien uur en de zee was zoo glad als een spiegel.

De lichten van de stad werden langzamerhand duidelijker en zelfs in de duisternis kon men ontwaren hoe Genua als het ware ligt aangevlijd tegen de helling van het gebergte waarop het gebouwd is.

Raffles en Charly stonden over de verschansing geleund en genoten van den heerlijken avond, ofschoon het hier al heel wat kouder was, dan in het zonnige Caïro.

Maar plotseling, toen de „Prince Albert” reeds vaart verminderde, zagen de beide mannen tegelijk een donkere gedaante over het dek snellen en het volgende oogenblik over de verschansing verdwijnen.

Er liet zich een plons hooren en daarop riep iemand van de bemanning:

„Man overboord.”

In een oogwenk was alles in rep en roer.

Raffles en Charly waren over het dek gesneld in de richting, waar zij de gedaante hadden zien verdwijnen.

De kapitein kwam opgewonden toesnellen en de eerste officier had aanstonds bevel gegeven, een der booten te strijken.

Maar er scheen iets niet in orde te zijn met de davits, want de sloep weigerde en bleef op dezelfde plek hangen, toen zij reeds buiten boord was gedraaid.

Omdat er een kostbare tijd dreigde te verloopen, werd bevel gegeven een tweede boot uit te zetten, maar hier deed zich hetzelfde voor—de katrollen zaten vast en de boot kon niet worden gestreken.

Raffles had dit alles met een gefronst voorhoofd gadegeslagen en nu riep hij met stentorstem boven het geschreeuw der zenuwachtige passagiers uit:

„Ik zou maar eens eerst naar de cachotten gaan omzien, alvorens mij met dien drenkeling te bemoeien—ik vermoed dat de man wel goed kan zwemmen, die daar in het water ligt!”

Onmiddellijk snelde de tweede stuurman naar het vooronder, hij was nog nauwelijks de trap geheel ten einde geloopen, of hij begreep reeds dat de man die zooeven de waarschuwing geroepen had, gelijk had gehad.…

De deur van het cachot stond open, en niet ver daar vandaan, in een groote plas bloed, lag het lichaam van den ongelukkigen Hudson, en in zijn zijde stak een van de vreeselijke kromme dolken, zooals de Fellahs ze in hun gordels plegen te dragen.

De man was zeer zwaar gewond, en onmiddellijk moest de scheepsdokter zijn zorgen aan hem wijden.

Het onderzoek van de deur wees uit, dat het slot met een gewonen sleutel van binnen geopend moest zijn, en daar de grendels volstrekt niet beschadigd waren was het duidelijk dat zij door medeplichtigen waren terug geschoven, die waarschijnlijk ook den detective onschadelijk gemaakt had, toen deze op zijn ronde was.

Dezelfde man had ook den gevangene een vijl in handen weten te spelen, want men vond de doorgevijlde boeien in het vertrek terug, en hij was het zeker ook geweest, die het mechaniek onklaar had gemaakt, waarmede men de reddingsbooten kon uitzetten.

Er gingen ruim tien minuten voorbij, alvorens men er in slaagde na de ontdekking van de ontvluchting een der booten te water te laten, die met acht koppen bemand werd, en die de zee in alle richtingen begon te doorzoeken.

Men had een radiogram van boord naar Genua willen zenden, maar ook dit was onmogelijk gebleken, daar het toestel weigerde te werken—er was een onderdeel van vernield.

Een paar uur later keerde de roeiboot terug onverrichter zake, zij had geen spoor van den vluchteling [32]kunnen ontdekken, die hoogstwaarschijnlijk was opgenomen door een motorvlet, gereed gehouden door bij voorbaat gewaarschuwde medeplichtigen in de haven van Genua.

Toen Raffles en Charly dezen uitslag vernamen, keken zij elkander zwijgend aan en de Gentleman-Inbreker zeide:

„Ziedaar het resultaat van voorbarige publicatie! Nu, het zou dwaas zijn, als oude wijven te jeremieeren over zaken, die toch geen keer nemen. Iets hebben wij er althans mee gewonnen. Stanley zal het voortaan niet meer mogelijk zijn, zijn vroeger leven te hervatten—ik betwijfel of, na alles wat er geschied is, er wel een Londenaar te vinden zou zijn, idioot genoeg om aan een zaakwaarnemer als dezen zijn belangen toe te vertrouwen!”